10 minuten

Aansluiting gemist

GroenLinks straalt de kilte uit van de studeerkamer. De partij heeft zich onvoldoende eigenaar gemaakt van de problemen die mensen in hun levens en in de samenleving ervaren.

Zoals er inmiddels van alles lijstjes bestaan, schijnt er ook een internationale ranglijst te zijn van seismografische verkiezingsuitslagen. Dat wil zeggen: stembusuitslagen die politieke aardverschuivingen te zien geven. Daarin staan de laatste drie Nederlandse Tweede Kamerverkiezingen in de top tien, terwijl de verkiezingen daarvoor niet voorkomen in de hoogste regionen van deze ranglijst.

Ik heb de lijst zelf nooit gezien, maar ik geloof het meteen. Nederland heeft de laatste halve eeuw een reputatie opgebouwd als het gaat om de heftigheid waarmee politiek-culturele veranderingen worden verwerkt. Nergens in de wereld waren bijvoorbeeld de jaren zestig en zeventig zo intensief, zo massaal, en in menig opzicht zo karikaturaal, als in onze lage landen. Nergens zette deze politiek-culturele emancipatierevolutie het denken zo op zijn kop als in ons land. Dat leidde toen niet direct tot seismografische bewegingen bij verkiezingen, maar wel tot een totaal andere politiek culturele atmosfeer dan het intens burgerlijke Nederland tot dan toe kende.

Iets vergelijkbaars speelt zich nu ook af. Alleen zijn het nu niet de versteende verzuilde structuren met het daarbij horende hiërarchische regentengedrag die er aan moeten geloven, maar de denkbeelden, de ideeën, de praktijken en sociale verhoudingen die in de jaren zestig en zeventig aan de macht kwamen. Zoals 1966 (het huwelijk, bouwvakonlusten, happenings van Provo, Vietnam-acties, D66, Nacht van Schmelzer) het tijdperk inluidde waarin alles anders moest, zo luidde 2002 het tijdperk in waarin …ja, waarin wat eigenlijk?

In ieder geval het tijdperk waarin het gedachtegoed van de zestigers en zeventigers zijn hegemoniale vanzelfsprekendheid is kwijtgeraakt. Het begrijpend denken over multiculturaliteit, het borstklopperige kosmopolitisme van Nederland Gidsland, de heilsverwachting van Europa, het hele politiek correcte wereldbeeld met al zijn ontkenningen, taboes en omslachtigheden, gedragen door bestuurlijke, politieke en ambtelijke elites in de grote steden en gedistribueerd door professionals in de publieke sector – dat denk- en doe-complex is vanaf 2002 in publieke verlegenheid gebracht.

Flipperkast

Maar wat daarvoor in de plaats treedt is verre van eenduidig. Electoraal is er sprake van een soort flipperkast waarin steeds grotere groepen (zwevende) kiezers als toverballen heen en weer geslingerd worden. Er vinden moeilijk voorspelbare verbindingen plaats tussen beelden, stemmingen, anti-politieke reflexen en persoonsgerichte sym- en antipathieën. Wie had begin 2006 zijn geld durven zetten op de wederopstanding van J.P. Balkenende en de terugtocht van de ideale schoonzoon Wouter Bos? En wat verklaart het electoraal doorschieten van Jan Marijnissen? Feit is dat antwoorden op die vragen niet te vinden zijn in de respectievelijke verkiezingsprogramma’s. Het gaat om beelden, om de projectie van wat mensen bezig houdt en als zorgelijk wordt ervaren op de hoofdpersonen van partijen. Kunnen ze die gevoelens bij hem/haar kwijt, straalt hij of zij dat ook uit, absorbeert de politieke persoonlijkheid de stemmingen of wordt hij/zij juist het antisymbool ervan?

Probeer in deze politieke heksenketel als politieke partij maar eens jezelf te blijven. Dat lukt ook steeds minder. Het is niet zo dat kiezers partijen zoeken, het wordt andersom: partij zoekt kiezers. Het merk moet in de markt worden gezet. En daarvoor worden onderzoeken verricht (Motivaction), profielen gesmeed, strategieën bedacht en marketingplannen gemaakt, die uiteindelijk tot een campagneplan leiden met zorgvuldige getimede gebeurtenissen, goed georkestreerde bijeenkomsten en de onvermijdelijke campagnebus. Allemaal gericht om door te dringen tot de media, want die leveren dag in dag uit de voedingstoffen voor de electorale maalstromen die, eenmaal op gang gekomen, een enorme neiging hebben om zichzelf te bevestigen. De partij die een maand voor de verkiezingen in de maalstroom-naar-beneden zit kan het eigenlijk wel schudden. De briljantste lijsttrekker kan hooguit nog marginaal corrigeren en het verlies beperken. Het tij valt dan niet meer te keren.

Kampioen

Na drie verkiezingen sinds 2002 lijkt de conclusie gerechtvaardigd dat deze maalstromen alle kanten op kunnen, maar in alle gevallen GroenLinks links laten liggen. Hoe de ballen in de electorale flipperkast ook heen en weer springen, ze doen GroenLinks niet aan. Sterker, de partij is aan een electorale glijvlucht naar beneden begonnen die voorlopig niet te stuiten lijkt. Alle verkiezingen sinds 2002 zijn op een nederlaag uitgelopen. Er is – vermoedelijk dankzij het appeal van Femke Halsema – geen sprake van wegvagen, maar onmiskenbaar is dat de krimp onaangename structurele kenmerken lijkt te vertonen.

Daar is overigens wel een verklaring voor. GroenLinks is vanaf het moment dat rondom 2002 de bordjes ideologisch werden verhangen op de bres gesprongen voor het politiek-culturele erfgoed van de jaren zeventig. Ze bleef in woord en daad kampioen van het multiculturalisme, ze deed niet mee aan de heksenjacht tegen de islam, ze minachtte openlijk de angstige bekrompenheid die zich van het land en zijn elites meester maakte. Onder aanvoering van Femke Halsema verzette de partij zich tegen het systematisch uithollen van de beginselen van de rechtsstaat om de strijd tegen het fundamentalistische terrorisme te kunnen voeren.

Het antwoord op de nieuwe politieke benauwdheden formuleerde Femke Halsema in haar vrijzinnigheidsagenda. Niet zozeer een liberale agenda (dat maken haar critici er graag van) maar in de eerste plaats een libertaire agenda, een pleidooi voor ruimdenkendheid, voor culturele nieuwsgierigheid, een intellectuele onderneming om de niet-materiële verworvenheden van de generatie van de jaren zestig en zeventig te markeren en te verdedigen. Niet toevallig ook een set van waarden en overtuigingen die het levenselixer vormen voor kosmopolieten, postmaterialisten en andere modernisten die – volgens Motivaction-onderzoeken – de basis vormen van het (potentiële) electoraat van GroenLinks. Ideologie en marketing sluiten hier naadloos op elkaar aan.

So far, so good. Sterker, hier is zelfs waardering op zijn plaats omdat de partij zich hier schrap zet tegen de nieuwe hoofdstromen in het politieke domein. Terwijl andere partijen meewaaien met de nieuwe wind en gaan tornen aan hun meningen over multiculturaliteit, Europa, vrijheid van godsdienst (alleen voor onze godsdienst) en de rechtsstaat recht GroenLinks de rug. Aan de populaire verleiding van de Fortuyn-agenda heeft de partij nooit meegedaan en dat siert haar.

Misplaatste zelfvoldaanheid

Maar electoraal gezien levert dat weinig op. Zo’n standpunt haakt niet in op de emotionele maalstromen en zet zich in het flipperkastgeweld buitenspel. Reden waarom sommigen in de partij GroenLinks zijn gaan betitelen als een nichepartij, zeg maar de VPRO van de politiek: eigenzinnig, vrijzinnig, een originele ideeënmachine die in dit tijdsgewricht nu eenmaal onbegrepen blijft, maar dat zit nu eenmaal in de aard van dit bijzondere beestje.

Elk verkiezingsresultaat is in die gedachtegang een bewijs van het eigen gelijk. Winnen is natuurlijk altijd mooi meegenomen (alleen doen we dat niet), verliezen is een bevestiging van onze bijzondere status. Als GroenLinks niet wint is bekrompenheid (de winst van Wilders c.s.), de conservatieve behoudzucht (CDA) of het links-conservatisme (SP) troef en willen mensen kennelijk angstig achter de dijken van ons land kruipen en de grote wereld buiten de deur houden. Aldus de hoofdtoon van de GroenLinks-commentaren op de laatste verkiezingsuitslag, zie het GroenLinks Magazine van december 2006.

Het mag misschien waar zijn, het getuigt vooral ook van misplaatste zelfvoldaanheid. Want de kunst van het politiek bedrijven is niet alleen het markeren van je eigen gedachtegoed, het is vooral ook het proeven van de samenleving en het verbinden van je eigen ideeën met de maatschappelijke onvrede, de ongenoegens die bliksemend als onweersbuien door de atmosfeer trekken. Dat lijkt mij voor een politieke partij tamelijk essentieel. Politieke vernieuwing van je eigen gedachtegoed – wat toch een belangrijke inzet was van de nota Vrijheid eerlijk delen, waarin wordt voorgesteld de verzorgingsstaat om te bouwen tot een participatiestaat – is dus niet iets dat je op de bühne van debatcentrum de Balie verzint of in de studeerkamers van een paar erudiete denkers, maar dat antwoorden en perspectieven biedt voor de onvrede die er heerst. Een politieke partij kan niet leven van ideeën alleen, ze moet zich met die ideeën ook eigenaar tonen van de problemen die mensen in hun levens en in de samenleving ervaren.

Marketingdenken

Precies op dat punt heeft GroenLinks het laten afweten. Want het is natuurlijk niet zo dat al die maalstromen in het Nederlands electoraat louter getuigen van een nationale behoudzucht, internationale bekrompenheid, nationalistische erupties of aangeprate gevoelens van onveiligheid. Dat is maar ten dele het geval. Wie de ongenoegens proeft, merkt dat ze in veel gevallen ook gekruid zijn door zaken die juist GroenLinks moeten aanspreken. De golf van onvrede die door de publieke sector raast over de beknotting van professionals in grote door praktijkvreemde managers geleide organisaties wordt door GroenLinks met sympathie gadegeslagen, maar de partij heeft zich er – in tegenstelling tot de SP – geen eigenaar van gemaakt. Als op dit thema stakende en protesterende ondernemingsraden in de geestelijke gezondheidszorg zich manifesteren zijn alle partijen daarbij, behalve GroenLinks.

Het thema speelde – als idee – al in het verkiezingsprogramma van 2002, maar is eigenlijk onuitgewerkt gebleven. In de hogere regionen van de partij maakte zich niemand daar echt eigenaar van, de verbinding was er gewoon niet, de aansluiting werd gemist. Ik sluit niet uit dat hier sprake is van een onbedoeld bijeffect van het nieuwe marketingdenken. Want de protesterende professionals komen in die hoedanigheid niet meer voor in het moderne politieke marketingonderzoek. Vroeger recruteerde de partij haar aanhang voor een belangrijk deel uit de publieke sector, welzijnswerkers, onderwijzers, volkshuisvesters, sociale dienst-ambtenaren en gemeenteambtenaren, en liet ze haar denken en ideeën ook door deze maatschappelijke groepen bevruchten. Nu koersen we op leefstijlgroepen als kosmopolieten, postmaterialisten en modernisten, en denkabstracties als jongeren en outsiders, en lijken de dagelijkse werk- en leefpraktijken uit ons blikveld verdwenen. Dan kan het eigenlijk ook niet verrassend zijn dat in kringen van de ‘oude’ achterban de partij steeds meer als kil en afstandelijk wordt ervaren.

Moralistisch

Zo zijn er meer voorbeelden van gemiste aansluitingen. De anonimiteit van de moderne samenleving, de vraag wat in moderne verhoudingen gemeenschappelijkheid voorstelt en hoe je dat vorm moet geven, zijn natuurlijk vraagstukken die je niet moet laten dicteren door normen-en-waarden-discussies met het impliciete verwijt van tekortschietend burgerschap. Dat vraagt om een inspirerend links antwoord, waarin zaken als emancipatie en verantwoordelijkheid, zelfstandigheid en collectiviteit aan elkaar geknoopt worden. Dat antwoord is geheel uitgebleven, waardoor het debat steeds meer gemonopoliseerd kon worden door het christelijk-sociaal denken, niet in de laatste plaats omdat spraakmakende linkse intellectuelen in elke discussie over dit thema allereerst een spruitjesgeur ontwaren en schimpschampend over de duistere jaren vijftig gaan uitweiden.

En zo is er meer. Zijn welwaartsbenutting en zingeving nu echt kwesties die zijn opgesloten in het persoonlijke domein en daardoor geen publiek debat (want dat leidt tot betutteling) kunnen verdragen? Of zou het juist niet een GroenLinks-thema moeten zijn om zaken als kwaliteit van leven, consumptiedrang, overvloed en milieubelasting toch met elkaar te verbinden. Waarom stellen wij het verspillende ‘goede’ leven niet meer ter discussie? Mij is eigenlijk in al die jaren nooit echt duidelijk geworden hoe wij een milieurevolutie denken te kunnen forceren terwijl we deze thema’s die aan het individuele bestaan raken steeds meer buiten beschouwing zijn gaan laten. Wij streven morele denkbeelden na zonder ook maar een moment moralistisch te willen zijn.

Of algemener: waar is eigenlijk de linkse cultuurkritiek gebleven? Is deze welvaart de onze wel? Provo liep ooit te hoop tegen het klootjesvolk, de kleinburgerlijke bekrompen massa die zich geen leuker vermaak kon voorstellen dan voor de buis hangen – en zich vet vreten, zouden we er nu aan toe kunnen voegen. De angst voor fatsoensrakkerij is er bij modern links zo ingesleten dat er geen onvertogen moreel oordeel meer over de lippen komt. Het zou goed zijn als GroenLinks niet alleen het politiek-correcte erfgoed van de jaren zeventig in beheer nam, maar tevens het politiek incorrecte erfgoed uit die jaren nog eens zou oppoetsen.

Verbinding

Wat ik maar wil zeggen, is dat het mij niet zozeer gaat om wat er nu precies in de nota Vrijheid eerlijk delen staat, maar dat ik mij sindsdien de vraag stel waarom juist voor die nota en niet voor andere politieke investeringen is gekozen. Er is een theoretisch bondgenootschap gezocht met de outsiders van de verzorgingsmaatschappij, terwijl in de praktijk de werkers op de werkvloer van die verzorgingsstaat als pionnen op het schaakbord van managers moeten bewegen en hun passie niet meer kwijt kunnen. GroenLinks liet deze ongenoegens letterlijk links liggen.

Dat type gemiste aansluitingen hebben het imago van GroenLinks versterkt een elitaire partij te zijn, een partij die de kilte van de studeerkamer uitstraalt. Dat beeld is de partij inmiddels gaan bevestigen door ook zichzelf als ideeënpartij en zelfs nichepartij te betitelen. De VPRO van de Nederlandse politiek. In het land van bekrompenheid: de laatste der vrijzinnigen.

Daarmee doet de partij zichzelf onrecht aan. Het is niet alleen zaak om het ideologisch erfgoed van de jaren zeventig te markeren en te herbevestigen, dat was slechts deel I van de opgave en Femke Halsema heeft zich van die taak voorbeeldig gekweten. Het is ook zaak om ook het dynamisch erfgoed van die jaren weer tot leven te wekken, de opstandige cultuurkritische geest. Dat is deel II van de operatie: een nieuwe radicale verbinding maken tussen de open samenleving die GroenLinks voorstaat en de zorgen die mensen daarover hebben, de onmogelijkheden die dat oplevert en de angsten die daarmee gepaard gaan. Daar woorden aan geven, daar gaat het om. Want als we daarin niet slagen en ons koesteren in onze VPRO-status, waar doen we het dan eigenlijk voor?

Gerelateerde artikelen