7 minuten

Amerikaanse kunst en cultuur in crisis

De economische crisis heeft grote gevolgen voor de kunst- en cultuursector in de Verenigde Staten, die vrijwel geheel afhankelijk is van private fondsenwerving.

De economische crisis in de Verenigde Staten is ook een culturele crisis. De beruchte ‘Amerikaanse Droom’ is ontploft. Amerika was het land van de onbegrensde mogelijkheden en iedereen kon die droom  waar maken. Dat sprookje is ruw beëindigd. Vanuit het sociaal en cultureel ‘beschermde’ Europa, vergeleken met de sociale woestijn in Amerika, is het moeilijk te begrijpen dat die droomsamenleving grotendeels gebaseerd is op het overwegend rechts conservatieve bevolkingsdeel (merendeels Republikeins aangevuld met conservatieve Democraten). Dat deel is  uit op een samenleving die zich baseert op particulier initiatief, minimale overheidsbemoeienis en lage belastingen.

De bevolking heeft nog wel werk maar geen contractbescherming, dus je kunt van de ene op de andere dag berooid op straat staan. Werkgeversverplichtingen bestaan alleen waar sterke vakbonden die bescherming konden afdwingen, en in het onderwijs. Pensioenfondsen zijn in USA niet bij wet onafhankelijk, dus als het een bedrijf slecht gaat, worden die pensioenfondsen in de neergang vaak meegesleurd. De werkeloosheid is binnen een half jaar verdubbeld.

Wat heeft dit met kunst en cultuur te maken? Alles! kunst en cultuur zijn in Europa dertig eeuwen oud, en onder invloed van sociale en socialistische revoluties ontstonden politieke waarden die onderwijs garandeerden voor alle lagen van de bevolkingen en cultuur en kunst eveneens voor iedereen bereikbaar maakten. Ook de Europese vakbonden hebben zich voor deze vormen van beleid sterk gemaakt.  Daaruit zijn subsidiestructuren voor de kunsten ontstaan. Dank zij deze kunnen kunstbedrijven in – meest West-Europese landen, weliswaar met groeiende beperkingen, hun publiek van uitvoerende kunsten voorzien. Kruisbestuivingen hebben plaats gevonden tussen onderwijs en kunsten waardoor vergroeiing van jongere generaties met die kunsten mogelijk was. Wellicht is dat in Europa door veranderingen in het onderwijs binnenkort ook verleden tijd, in Amerika heeft het nooit bestaan.

Saaiheid

Zelfs de meest progressief denkende Amerikaan heeft er moeite mee een structuur van door overheden beschermde kunsten te aanvaarden. Ook zij Amerikanen willen niet zo’n groot overheidsapparaat hebben.

Er bestaat één instituut dat belichaamt dat de overheid het bestaan van de kunsten van belang vindt. Dat instituut is de “National Endowment for the Arts” (NEA).  Het is een onrealistisch klein overheidsfonds waarmee initiatieven minimaal gefinancierd kunnen worden. Helaas is ook dat fonds onderhevig aan normen van  bureaucratie. Bijvoorbeeld ieder operagezelschap – de meest kostenintensieve kunstvorm - , van de Metropolitan Opera tot  het kleinste georganiseerde operagroepje, krijgt een paar grijpstuivers uit dat fonds waardoor dat weinige geld eigenlijk niet goed besteed wordt. President Obama heeft in zijn Stimulus package vijftig miljoen dollar geserveerd voor de NEA. Het fonds beschikt geenszins over  middelen om de kunsten te redden. Ook vijftig miljoen dollar zijn een druppel op een gloeiende plaat. Bovendien is het Stimulus Package slechts een éénmalige injectie om te helpen de economie in beweging te krijgen.

Ik wil me beperken tot de podiumkunsten. De beeldende kunsten hebben andere structuren dan de podiumkunsten, al zijn de financiële problemen bijna dezelfde.

De podiumkunsten zijn in hun opzet heel lokaal gericht. Een stad van minstens 500.000 inwoners die zichzelf respecteert, heeft een opera gezelschap, symfonie orkest, toneelgezelschap en als het kan, een ballet. Daarnaast bestaan kleinere, meer experimentele gezelschappen en al die initiatieven worden op particuliere basis in stand gehouden. Er zijn – nog steeds – in Amerika veel mensen die over onwaarschijnlijke hoeveelheden geld beschikken en het bedrijfsleven vindt het soms een teken van standing om kunst te steunen. Dit alles zolang de economie wel vaart.

Nemen we een willekeurig opera gezelschap. Er wordt gespeeld in grote theaters van 2000 of meer stoelen en het programma moet er voor zorgen dat het gezelschap zeker 95% van de stoelen verkoopt. Dat betekent een voorkeur voor het overbekende repertoire. De uitvoeringen moeten aan traditionele clichés voldoen (historische kostuums en decors, vooral geen verwijzingen naar de tegenwoordige tijd en zeker geen uitdagende regie, wel goede zangers).

Amerikanen zijn bereid een behoorlijke prijs voor kaartjes te betalen zodat een gemiddelde prijs van $50 voor ca $ 95.000 per avond zorgt. Stel dat zo’n gezelschap vier opera’s speelt met vier voorstellingen per opera, dan moet de kaartverkoop ongeveer $1,5 miljoen opbrengen. Dit is ongeveer 50% van het budget. Het gezelschap moet de resterende 1.5 miljoen vergaren door middel van fondsenwerving. En om verstandig beleid te voeren, moet zo’n gezelschap ook voor de ontwikkeling van een eigen “Endowment” (fonds) zorgen waardoor de dagelijkse gang van zaken minder beducht behoeft te zijn voor stemmingen bij de donors. Zo doen vrijwel alle gezelschappen het. Zo’n gezelschap heeft geen werkplaatsen om decors en kostuums te maken. Er zijn verhuurbedrijven die in deze omstandigheid voorzien. Hun product is gebaseerd op de grootste gemene deler van de doorsnee smaak en de saaiheid waait je  tegemoet voordat de voorstelling begonnen is.

Zodra de economie verzwakt, slaat de balans bij de gezelschappen om in paniek. Producties worden op zeer korte termijn afgezegd. De kunstenaars kunnen naar hun honorarium fluiten. Er zijn ook gezelschappen die hun artistieke medewerkers vragen met 50% van hun honorarium genoegen te nemen, er wordt besloten de – toch al korte – repetitietijd te verminderen, anderen besluiten op het laatste moment toch maar geen decors te huren en weer anderen besluiten gewoon faillissement aan te vragen. Binnen een tijdsbestek van vier maanden zijn al deze opties aan mij voorbijgetrokken en werkelijkheid geworden.  Bij de symfonie orkesten doen zich soortgelijke verschijnselen voor.

Alleen grote gezelschappen weten door sterke fondsenposities te overleven maar ook daar worden met ijzeren hand bezuinigingen doorgevoerd die soms alle perken te buiten gaan. Van enige sociale zekerheid of verzorging is geen sprake. Dat is nu het resultaat van die filosofie van de conservatieve Amerikanen die een leven willen leiden zonder een overheid (behalve voor politie en soldaten). 

Financiële basis

President Obama heeft er tijdens zijn  campagne op gewezen dat ook op dit punt het roer drastisch om zal moeten, maar hij krijgt er niet veel handen voor op elkaar. Een samenleving die op wettelijke grondslag educatief en cultureel beleid wil voeren, kan dit alleen doen met verhoogde belastingen en daar is, zeker op dit moment, geen meerderheid voor te vinden. 

Enig cijfermateriaal over de opera zal de situatie verduidelijken. De Verenigde Staten met een bevolking van ruw berekend 300 miljoen inwoners beschikt over 110 professionele operagezelschappen met een gezamenlijk jaarbudget van $873 miljoen. Dat is groot en klein door elkaar. De grootste is de MET in New York met een budget van $254 miljoen! Acht andere gezelschappen hebben ieder een jaarbudget van meer dan $25 miljoen, samen totaal $ 256 miljoen.  Die acht (MET niet meegerekend) zijn dus ongeveer te vergelijken met onze Nederlandse Opera. Zij moeten spelen in Theaters van 2500 (San Francisco) tot 3800 stoelen (Chicago en MET).  De overige honderd gezelschappen moeten leven van een gemiddeld jaarbudget van ca $3.5 miljoen.  Daarvan zijn er tot nu toe negen die het bijltje er bij neergegooid hebben en òf failliet zijn òf  geen voorstellingen meer geven. En dat aantal zal in de komende tijd stijgen.  (We praten over jaarbudgetten gebaseerd op de cijfers van 2007. De andere gegevens zijn van nu.) Het zal verbazen dat in dit subsidieloze land zoveel activiteiten plaats vinden op zuiver particulier initiatief. Ook bij de Amerikaanse orkesten zien we dit verschijnsel. De vooraanstaande Amerikaanse orkesten kunnen hun musici veel meer salaris betalen dan de meeste Europese ensembles. De klachten van het Koninklijk Concertgebouw Orkest zijn absoluut niet uit de lucht gegrepen.  Maar van die vooraanstaande Amerikaanse orkesten zijn er maar ongeveer 15 die hun musici de volle 52 weken van het jaar in dienst hebben.

De subsidiehaters in Nederland die zich alsmaar afvragen of symfonie orkesten en opera gezelschappen nog wel van de huidige tijd zijn, hoeven maar naar Amerika te kijken om vast te stellen dat de bevolking daar deze vormen van kunstbeoefening hard nodig vindt en er voor zorgt dat ze er ook zijn.

In Chicago, New York en San Francisco zijn opera en orkesten zo sterk voorzien van een degelijke financiële basis dat daar niet zo gauw de klad in zal komen. Maar de chaos speelt zich helaas af in delen van de Verenigde Staten waar die supergrote steden niet bestaan, waar operagezelschappen hun bevolking maar drie of vier keer per jaar van een productie kunnen voorzien die dan twee of drie maal gespeeld wordt.  Daar is hoegenaamd geen sprake van een solide artistieke en financiële basis en zeker niet in steden als Detroit waar de werkeloosheid het grootst en de welvaart  verdwenen is.  Musici en zangers die  part time aan zulke gezelschappen meewerken, kunnen dat alleen doen doordat ze als muziekleraar aan een College of Universiteit verbonden zijn – waar ondanks de uitspraak van Obama dat het onderwijs hoge prioriteit heeft  - leraarsbestanden met de grove hakbijl worden verminderd of salarissen worden verlaagd.

Aan beide kanten van de oceaan wordt erkend dat de kunsten hoogstnoodzakelijk zijn, maar dat alleen aan de Europese kant aan de consequenties wordt gedacht: zonder structurele financiering geen podiumkunsten. En daarbij maakt het niet uit of je links of rechts denkt.

Gerelateerde artikelen