5 minuten

Amsterdam Noord

Spiegel van ruimtelijk denken

Amsterdam Noord weerspiegelt de Nederlandse sociale geschiedenis en de ideeën over de openbare ruimte in de afgelopen eeuw. Het is in zijn ontwikkeling exemplarisch voor de ontwikkeling van het denken over wonen, opvoeding, en de verhouding tussen privaat en publiek. Een overzicht in fasen.

1917 - 1940

Amsterdam Noord als woongebied bestaat eigenlijk nog niet eens honderd jaar. Daarvoor was het woest en ledig. Er werden mensen opgehangen, maar dat kun je geen wonen noemen. De eerste woningbouw kwam in 1917: twee dorpen werden voor vijftien jaar uit de grond gestampt om de enorme woningnood als gevolg van de stilstand van de woningbouw gedurende de Eerste Wereldoorlog op te vangen. De beide dorpen, Disteldorp en Vogeldorp, bestaan, ruim negentig jaar later, nog steeds, opgeknapt en wel. Vanaf 1921, na annexatie van de Waterlandse dorpen Schellingwoude, Nieuwendam en Buiksloot, tot aan de Tweede Wereldoorlog, ging het rap: de tuindorpen Nieuwendam, Oostzaan en Buiksloot werden gebouwd, naar het voorbeeld van de Engelse tuindorpen met veel lucht, licht en groen, alsmede de van der Pekbuurt, de Vogel- en de Bloemenbuurt.

Deze bouwactiviteiten stonden nadrukkelijk in het teken van de strijd tegen de verpaupering die in de Jordaan en de Haarlemmerbuurt tot onmogelijke woonsituaties hadden geleid. In Noord kon je fatsoenlijk wonen, en wie dat niet kon of wilde moest een handje geholpen worden, desnoods een hard handje.

Er was zelfs een soort rangorde: wie in de verpauperde buurten netjes geleefd had kon direct naar Tuindorp Oostzaan, wie begeleiding nodig had naar een net bestaan kwam in Floradorp terecht, waar veel maatschappelijk werkers klaar stonden om je het fatsoenlijke wonen bij te brengen, en wie er in zijn oude woonsituatie een zootje van had gemaakt kwam in Asterdorp, een echte woonschool, met strenge regels en dito toezicht en één toegangspoort, die om 22.00 dicht ging. Alles was bedacht, vanuit het verlichtings- en opvoedingsideaal: je kunt mensen vormen tot fatsoenlijke burgers. Als de condities goed waren, en er voldoende ondersteuning was zouden mensen zich vanzelf bekennen tot het goede leven. Maar dat je, als je bij een sollicitatie vermeldde dat je in Asterdorp of Floradorp woonde ongezien werd afgewezen, dat had niemand bedacht. Toch leidde het ideeëngoed van opvoeding tot wonen en leven als ordentelijke burgers nog een betrekkelijk lang leven. Asterdorp werd pas in het begin van de zestiger jaren afgebroken, en in Floradorp en Tuindorp Buiksloot (in de volksmond het Blauwe Zand) werden tot ver in de zeventiger jaren mensen geplaatst die eerst a-socialen werden genoemd en later in beleidsstukken “mensen met een zware externe problematiek op het gebied van het wonen”. Plaatsingsbuurten heetten ze, en behalve in Noord waren er ook in Amsterdam West twee van die buurten. Eén daarvan werd nog niet eens zo lang geleden bekend als de buurt waar de Tokkies vandaan kwamen…

1945-1990

Na de Tweede Wereldoorlog, vooral in de periode van de jaren zestig en zeventig, kwamen de grootscheepse uitbreidingen, de tijd van de dorpen was voorbij: het plan van Gool, de Banne, Nieuwendam Noord, de Molenwijk. Ze waren vooral bedoeld voor starters (die overigens niet stonden te dringen om in Noord te wonen, het stond toch een beetje bekend als het Siberië van Amsterdam), en voor de overloop uit de stadsvernieuwingsgebieden.

Eerst portiekflats van vier hoog, later galerijflats van negen tot twaalf hoog, maar vervolgens ook woonerven: ze weerspiegelen opeenvolgende fasen in het denken over de volkswoningbouw. Voor de Molenwijk gold dat wel in het bijzonder: de bouw ervan, begin jaren zestig, was in feite de try-out voor de bouw enkele jaren later van de Bijlmermeer. Grote flats met een speelhal voor de kinderen, veel groen en een scheiding tussen wonen, verkeer en parkeren. In zekere zin had die idee van functiescheiding nog steeds iets opvoedkundigs: het leven vereist ordening, en door functies uit elkaar te halen kunnen mensen zich meer bepalen tot het afzonderlijke belang daarvan.

2000 -

In het eerste decennium van de eenentwintigste eeuw praten we alweer heel anders: over ‘inbreiding’ met kleine buurtjes op open plekken en hoge bouwdichtheden (want we willen de groene buitenruimte sparen) en over bebouwing van voormalige industrieterreinen: de Bongerd, het Shell-terrein en het NDSM-terrein.

Daarbij wordt weer veel meer gedacht in termen van functiemenging: voormalige bedrijfsgebouwen doen dienst als onderkomen voor de creatieve industrie zoals MTV en IdTV, of als verzamelgebouw van ateliers voor kunstenaars. Het effect is merkbaar: het zijn spannende gebieden, waar het gevoel dat er veel kan en ook veel gebeurt bijna fysiek is.

Het voorbeeld van het nieuwe stedenbouwkundig denken, niet hemelbestormend en niet conceptueel, maar bijna organistisch voortbouwend op wat er al is, is de Buiksloterham, een oud bedrijventerrein waarvoor geen overkoepelend stedenbouwkundig plan is, anders dan de mogelijkheid om voor plekken die vrij komen als gevolg van het vertrekken van bedrijven concrete plannen in te dienen. Dat kan van alles zijn: een nieuw bedrijf, een zelf ontworpen woningcomplex, een verzorgingshuis, een skatebaan. Bedrijven die blijven kunnen gewoon doorgaan en men zal in de praktijk een modus moeten vinden om dat diverse leven in goede banen te leiden.

En zo is Noord in zijn ontwikkeling exemplarisch voor de ontwikkeling van het denken over wonen, opvoeding, en de verhouding tussen privaat en publiek. Achtereenvolgens (en soms ook door elkaar) idealistisch, ambitieus, probleemoplossend, streng op functies en op de scheiding daarvan. En dan weer alles door elkaar, waarin de mensen zelf de ordening vinden die bij deze tijd past. Zo’n beetje als het leven zelf dus. Mooi is dat, en dat in Noord…

Gerelateerde artikelen