13 minuten

Arbeidsmigratie: mythen, feiten en principes

Van de Westlandse kassen tot de Rotterdamse haven en de Limburgse aspergeteelt: steeds meer sectoren kampen, zelfs met het vrij verkeer van werknemers binnen de EU, met een dringend tekort aan personeel. Hoewel er buiten de EU mensen staan te popelen om in Nederland aan het werk te gaan, maken op dit moment vooral hoogopgeleide ‘expats’ kans op een werkvergunning. Hiermee blijven arbeidstekorten in stand en wijken ‘niet-kennismigranten’ uit naar gevaarlijke smokkelroutes. Hoog tijd voor een nieuw arbeidsmigratiebeleid.

De coronacrisis maakte weer eens extra duidelijk hoe belangrijk arbeidsmigranten zijn voor de Nederlandse economie. Zonder arbeidsmigranten - momenteel voornamelijk uit de EU - geen volle schappen in de supermarkt, brandschone ziekenhuizen of pakketjes die binnen no-time aan de deur worden bezorgd. Ook veel andere sectoren zitten te springen om personeel. Openstaande vacatures beperken zich duidelijk niet tot de ‘kennismigranten’ – de hoogopgeleide ‘expats’ – die in Nederland op dit moment welkom zijn. Er is juist ook een tekort aan mensen voor lager geschoolde beroepen in bijvoorbeeld de land- en tuinbouwsector en de zorg, tekorten die onvoldoende in te vullen zijn met migranten uit de EU. Tegelijkertijd zijn er buiten de EU volop mensen die maar al te graag in Nederland willen werken. Eén plus één is twee, zou je zeggen.

Voor wie niet in de EU woont en niet aan de eisen voor kennismigranten voldoet, met als belangrijkste eis een bruto maandloon van minimaal 4612 euro voor mensen boven de 30 jaar, is het echter moeilijk om een werkvergunning te krijgen. Dit beperkt niet alleen werkgevers bij het invullen van hun vacatures, maar is ook onrechtvaardig. Waar voor mensen met een hoog salaris de rode loper wordt uitgerold, krijgen mensen met lager betaalde beroepen geen kans om op zoek te gaan naar een beter leven. Bij het gebrek aan een gereguleerd kanaal proberen sommigen van hen alsnog via gevaarlijke smokkelroutes naar Nederland te komen.

Wetenschappelijk Bureau GroenLinks onderzocht hoe een Nederlands arbeidsmigratiebeleid eruit zou moeten zien dat rechtvaardig is voor zowel arbeidsmigranten als Nederlandse burgers, en ziet op basis hiervan mogelijkheden voor een ruimhartiger arbeidsmigratiebeleid. Tegelijkertijd leidt de huidige arbeidsmigratie binnen de EU momenteel tot misstanden, zoals uitbuiting door malafide uitzendbureaus en slechte huisvesting in zogenaamde ‘Polenhotels’. Daarnaast leeft bij veel Nederlanders de angst voor gebrekkige integratie en een vermindering van de sociale cohesie in gemeenten waar arbeidsmigranten neerstrijken. De oplossing voor bestaande problemen en begrijpelijke zorgen zit hem alleen niet in een strenger arbeidsmigratiebeleid, maar in een goed arbeidsmarkt-, huisvesting- en integratiebeleid.

Op dit moment is nog niet duidelijk welke gevolgen de coronacrisis zal hebben voor de vraag naar arbeidsmigranten. De meest recente analyse van het UWV laat zien dat de vraag naar beroepen met een groot aandeel arbeidsmigranten voorlopig overeind blijft. Voor de langere termijn is een belangrijke vraag of mensen die door de coronacrisis hun baan verliezen, in deze beroepen aan het werk zullen gaan.

Arbeidsmigratie: mythen en feiten

In het politieke debat over arbeidsmigratie gaat het te veel over meningen en percepties en te weinig over de feiten. Ik zet een aantal van de meest gehoorde feiten en mythen over arbeidsmigratie op een rij.

Feit: Arbeidsmigratie is nodig om personeelstekorten op te lossen

Dat er tekorten zijn, is duidelijk. Eind 2019 waren er 291.000 openstaande vacatures, waarvan de helft volgens werkgevers moeilijk te vervullen was. Onder de ‘krapteberoepen’ zijn steeds meer banen met lage instroomeisen, zoals heftruckchauffeurs en schoonmaakpersoneel. Veel van deze banen worden nu vervuld door arbeidsmigranten uit EU-lidstaten. Door stijgende lonen in Oost-Europa is de verwachting dat deze groep de komende jaren geleidelijk zal krimpen. In het vorige nummer van de Helling pleitte Leo Lucassen er dan ook voor om over de EU-grens te kijken.

Andere veelgenoemde maatregelen zijn niet voldoende om de krapte op de Nederlandse arbeidsmarkt op te lossen. Zelden hadden zo veel Nederlanders een betaalde baan. Automatisering en robotisering kunnen (praktijkgeschoolde) arbeid op den duur vervangen, maar dit zal de komende jaren nog niet op grote schaal gebeuren. Het verplaatsen van werk naar andere landen is geen optie voor sectoren als de zorg, de bouw, de dienstverlening en de horeca. En hoewel het essentieel is dat arbeidsvoorwaarden aan de onderkant van de arbeidsmarkt worden verbeterd, is de verwachting dat er ook onder goede arbeidsomstandigheden tekorten zullen blijven bestaan.

Feit: Meer mogelijkheden voor arbeidsmigratie betekent minder asielaanvragen

Onderzoek laat zien dat een aanscherping van het migratiebeleid (voor asielzoekers én arbeidsmigranten) gepaard gaat met een toename van niet-gereguleerde migratie, bijvoorbeeld via smokkelroutes. Van een omgekeerde relatie lijkt ook sprake te zijn. Voor de periode 2015-2020 versoepelde Duitsland de toelatingseisen voor arbeidsmigranten uit de westelijke Balkan. Deze maatregel ging gepaard met een scherpe daling in het aantal asielaanvragen (van circa 120.882 in 2015 naar 10.915 in 2017) en een sterke toename in arbeidsmigratie via het reguliere kanaal (tussen 2016 en 2017 werden er 117.123 arbeidscontracten goedgekeurd en al 44.093 werkvisa uitgegeven).

Feit én mythe: We kunnen beter investeren in de circa 1 miljoen Nederlanders die niet of in deeltijd werken

Tegenstanders van arbeidsmigratie wijzen vaak naar de groep Nederlanders die nu niet of in deeltijd werkt. In 2019 schatte het CBS het ‘onbenut arbeidspotentieel’ op circa één miljoen mensen. Het is essentieel dat de overheid er alles aan doet om werklozen en mensen die onvrijwillig in deeltijd werken, naar (meer) werk te begeleiden (zie ook het rapport Werk aan de winkel van Wetenschappelijk Bureau GroenLinks). Tegelijkertijd is het naïef om te denken dat deze groep een-op-een inzetbaar is voor vacatures die nu door arbeidsmigranten worden vervuld. Eerdere pogingen om Nederlandse werklozen in de Westlandse kassen in te zetten, waren zonder succes. Werkgevers klaagden over een lage arbeidsethos en werknemers gaven aan dat zij zich ongeschikt voelden, het werk fysiek te zwaar vonden en dat werklocaties moeilijk bereikbaar waren. Onlangs concludeerde de WRR dat ook met de juiste training en betere matching de meeste werklozen niet in bestaande vacatures passen.

Mythe: Arbeidsmigranten pikken onze banen in

Hoewel veel mensen denken dat arbeidsmigratie leidt tot verdringing van Nederlandse werknemers, concluderen onderzoekers keer op keer dat de komst van arbeidsmigranten weinig effect heeft op de arbeidsmarktpositie van Nederlanders. Hoewel arbeidsmigratie kan leiden tot meer concurrentie, zorgt het niet voor verdringing. De instroom van arbeidsmigranten leidt niet tot meer werkloosheid en wanneer Nederlandse werknemers in sectoren met veel arbeidsmigranten van baan wisselen, gaan zij er in salaris juist op vooruit.

Feit én mythe: Arbeidsmigratie leidt tot minder sociale cohesie

Veel mensen vrezen dat de komst van migranten zorgt voor een afname van de sociale samenhang. In 2018 concludeerde de WRR dat inwoners van meer diverse buurten een zwakkere buurtcohesie ervaren en zich minder vaak thuis en vaker onveilig voelen. Het ging hier echter niet specifiek om buurten met arbeidsmigranten. Ook betekenen deze bevindingen niet dat diversiteit ook de oorzaak is van het verminderde gevoel van sociale cohesie. Onderzoekers adviseren om door goede openbare faciliteiten en buurtinterventies het contact tussen mensen, en daarmee het onderling vertrouwen, te vergroten. In gemeenten met veel arbeidsmigranten zien mensen hun directe woonomgeving veranderen. Inwoners hebben te maken met overlast, toegenomen druk op publieke voorzieningen en spreken over een gevoel van vervreemding. Om deze problemen aan te pakken, moet er een maximum worden gesteld aan het aantal inwoners per woning, moeten short-stay-migranten buiten woonwijken worden gehuisvest en moet maximaal worden ingezet op taalonderwijs en integratie. Hier ligt ook een belangrijke rol voor werkgevers.

Feit: Kijk eens naar de misstanden bij EU-arbeidsmigratie!

Binnen het huidige arbeidsmarktbeleid gaat arbeidsmigratie voor lager geschoolde beroepen inderdaad nog te vaak gepaard met uitbuiting en oneerlijke concurrentie. Werkgevers gebruiken schijnconstructies om minimumarbeidsvoorwaarden te omzeilen en regelgeving wordt onvoldoende gehandhaafd. Om bestaande problemen aan te pakken en te voorkomen dat een verruiming van het arbeidsmigratiebeleid deze misstanden vergroot, moet dan ook zowel het arbeidsmigratie- als het arbeidsmarktbeleid worden aangepast.

Pakketje binnen 24 uur

Arbeidsmigratie is het sluitstuk voor tekorten op de arbeidsmarkt. Arbeidsmigratie moet dan ook altijd gepaard gaan met:

  • Een kritisch economisch en vestigingsbeleid. Bedrijfsactiviteiten waarvoor in Nederland geen werknemers te vinden zijn, moeten alleen worden gestimuleerd of gefaciliteerd wanneer deze passen binnen een hoogwaardige, duurzame economie; er in de sector goede arbeidsomstandigheden zijn; en goede huisvesting voor arbeidsmigranten valt te realiseren. Dit betekent dat bijvoorbeeld vraagtekens moeten worden gezet bij de wenselijkheid van ‘megadistributiecentra’ met doorgaans een hoge werkdruk en veel werkonzekerheid. Een pakketje binnen 24 uur in huis is fijn, maar geen halszaak.
  • Maximale investeringen in mensen die al in Nederland zijn. Onder deze groep vallen Nederlandse werklozen, en mensen die graag meer uren zouden willen werken, maar bijvoorbeeld ook asielzoekers.
  • Goede minimumarbeidsvoorwaarden. Om te voorkomen dat slechte arbeidsomstandigheden mensen ervan weerhouden in bepaalde sectoren aan het werk te gaan, moet het minimumloon omhoog en de flexibilisering worden teruggedrongen.

Daarnaast moet uitbuiting van arbeidsmigranten en oneerlijke concurrentie voor Nederlandse werknemers worden aangepakt. Zo moet er een nieuw vergunningenstelsel komen om de wildgroei van malafide uitzendbureaus tegen te gaan. Om te voorkomen dat uitzendbureaus van buiten de EU de regels kunnen ontduiken, moeten zij worden verplicht een dochteronderneming in de EU te registreren.

Arbeidsmigranten moeten daarnaast duidelijkheid krijgen over hun rechten en plichten, en weten bij wie zij terechtkunnen als hun rechten worden geschonden. Ook is het cruciaal dat zij minder afhankelijk worden van hun werkgever. Contracten – arbeid, huisvesting, transport, ziektekostenverzekering – mogen niet langer worden gekoppeld en werkgevers mogen niet als huisbaas fungeren.

Goede regels zijn van weinig betekenis wanneer deze niet worden gehandhaafd. De capaciteit van de Inspectie Sociale Zaken en Werkgelegenheid zou minimaal op de ILO-norm (één inspecteur op 10.000 werknemers) moeten worden gebracht. Ook moeten onaangekondigde inspecties worden uitgevoerd en boetes aanzienlijk worden verhoogd zodat deze een bedrijfsrisico vormen. Ten slotte moet het voor malafide werkgevers onmogelijk worden gemaakt om een doorstart te maken.

Arbeidscontract

Binnen deze fatsoenlijke arbeidsmarkt kunnen de mogelijkheden voor niet-kennismigranten van buiten de EU worden verruimd. Daarbij staat aansluiting bij de behoefte op de Nederlandse arbeidsmarkt centraal: een arbeidscontract is een voorwaarde om een werk- en verblijfsvergunning te krijgen. Hoewel veel sectoren kampen met een structureel tekort aan werknemers, gelden op dit moment slechts voor enkele functies versoepelde toelatingseisen, bijvoorbeeld voor topsporters en Aziatische koks. Voor andere beroepen geldt een strikte ‘arbeidsmarkttoets’. Voordat werkgevers over kunnen gaan op werving buiten de EU moeten zij kunnen aantonen dat binnen de hele EU niemand voor de betreffende vacature kan worden gevonden. Dit is in de praktijk erg moeilijk. In 2018 werden dan ook maar 610 werkvergunningen met een volledige arbeidsmarkttoets afgegeven.

Deze arbeidsmarkttoets kan worden vervangen door een lijst met ‘tekortberoepen’. Bij het opstellen van de ‘tekortlijst’ moet zowel gekeken worden naar een hoge ‘spanningsindicator’ (de verhouding tussen het aantal werkzoekenden en het aantal vacatures) als naar de wenselijkheid van het behoud en/of de groei van de sector vanuit economisch, maatschappelijk én ecologisch oogpunt. Vakbonden kunnen beoordelen of bestaande tekorten niet het gevolg zijn van slechte arbeidsvoorwaarden.

Voor krapteberoepen moet een arbeidscontract dat voldoet aan de geldende voorwaarden de belangrijkste eis worden om een werk- en verblijfsvergunning te verkrijgen. Hoewel een vergunning in eerste instantie voor maximaal drie jaar kan worden afgegeven, moet er geen maximum worden gesteld aan de verblijfsduur van arbeidsmigranten. Arbeidsmigranten zijn geen productiemiddelen. Wanneer mensen jarenlang in Nederland werken, bouwen zij net als ieder ander rechten op. Dit betekent dat bij een verlenging van het arbeidscontract ook de verblijfsvergunning kan worden verlengd en dat bij een verblijf langer dan vijf jaar een permanente verblijfsvergunning kan worden aangevraagd.

Hoogopgeleide taxichauffeurs

Nederlandse politici wijzen graag naar ‘het Canadese model’ als lichtend voorbeeld voor een goed migratiebeleid. Canada stelt jaarlijks quota vast voor verschillende categorieën migranten (in 2020 mogen maximaal 195.800 arbeidsmigranten worden toegelaten). Om als economische migrant voor een vergunning in aanmerking te komen, moeten binnen het ‘Comprehensive Ranking System’ minimaal 67 uit 100 punten worden verdiend. Punten zijn gebaseerd op onder andere opleiding, taalkennis, werkervaring en leeftijd. Kandidaten krijgen direct een permanente verblijfsvergunning en kunnen na aankomst op zoek gaan naar een baan.

Dit model sluit niet aan bij de vraag naar arbeidsmigranten op de Nederlandse arbeidsmarkt. Het puntensysteem richt zich op kandidaten met het grootste ‘menselijk kapitaal’, oftewel vooral hooggeschoolde migranten. Voor deze groep heeft Nederland al een uitnodigend kennismigrantenbeleid. Voor niet-kennismigranten is het Canadese puntensysteem minder geschikt. Door migranten met de meeste punten voorrang te geven, ontstaat het risico dat hooggeschoolde migranten in laaggeschoolde beroepen belanden. Niet voor niets heeft Toronto de meest hoogopgeleide taxichauffeurs ter wereld.
Daarnaast kunnen migratiepartnerschappen met specifieke herkomstlanden worden opgezet. In Spanje kunnen werkgevers hun vacatures in partnerlanden door het lokale arbeidsbureau laten adverteren. Het arbeidsbureau selecteert geschikte kandidaten die door werkgevers kunnen worden uitgenodigd. Werkgevers regelen huisvesting en betalen mee aan de reiskosten. Migranten moeten zelf bewijzen dat zij hun verblijf en terugreis kunnen bekostigen. Om een brain- of skillsdrain te voorkomen, moet het partnerland kunnen weigeren vacatures te publiceren.

Een tweede optie is het opzetten van een Global Skills Partnership. Binnen dit type partnerschap worden t migranten opgeleid voor functies waarin zowel in het land van herkomst als het land van aankomst behoefte is. Kandidaten doen hun opleiding (deels) in het land van herkomst. Doordat nieuwe mensen worden opgeleid wordt het risico op een skillsdrain verkleind. Ook profiteert het partnerland niet alleen bij remigratie, maar (ook) direct van investeringen in de lokale opleidingscapaciteit.

Leren van de geschiedenis

Bovenstaande voorstellen brengen mogelijke risico’s met zich mee. In de eerste plaats vrezen veel politici voor een herhaling van het gastarbeidersverleden waarbij arbeidsmigranten met een permanente verblijfsvergunning in een later stadium langdurig werkloos worden. Door lessen te trekken uit de geschiedenis hoeft deze niet te worden herhaald. Zo moeten we vanaf het begin investeren in niet alleen de culturele maar ook de socio-economische integratie en de weerbaarheid en duurzame inzetbaarheid van arbeidsmigranten. Hiermee worden zij in staat gesteld om mee te bewegen met de arbeidsmarkt. Ook moet het makkelijker en aantrekkelijker worden gemaakt om terug te keren naar het land van herkomst. Recent onderzoek wijst uit dat de kans op remigratie juist door (perspectief op) een permanente verblijfsvergunning wordt vergroot.

Op dit moment draagt het tekort aan goede huisvesting voor arbeidsmigranten bij aan groeiende krapte op de woningmarkt, overlast en een toename van huisjesmelkers. Om voldoende woonruimte te realiseren, moeten gemeenten worden verplicht om door een goede woonvisie en afspraken met woningcorporaties en werkgevers voldoende woonruimte voor arbeidsmigranten te realiseren. De wensen en zorgen van omwonenden moeten in een vroeg stadium worden geïnventariseerd en meegenomen in de besluitvorming. Om de kwaliteit van huisvesting te verbeteren is het essentieel dat meer en beter wordt gecontroleerd of woningen aan de minimumnormen voldoen. Door het verbod op de dubbelrol van werkgever en huisbaas wordt de kans vergroot dat misstanden worden gemeld.

Ten derde verandert de bevolkingssamenstelling door de komst van arbeidsmigranten. Om ervoor te zorgen dat Nederlanders zich thuis blijven voelen en arbeidsmigranten de kans krijgen om te integreren, moeten ook arbeidsmigranten met een tijdelijke verblijfsvergunning direct toegang krijgen tot taalonderwijs en programma’s gericht op integratie en participatie. De overheid moet arbeidsmigranten actief benaderen en stimuleren om deel te nemen aan een vrijwillig inburgeringstraject. Werkgevers moeten meebetalen aan taalonderwijs en ruimte bieden om onder werktijd taallessen te volgen.

Kansen

De coronacrisis laat zoals gezegd zien hoe onmisbaar arbeidsmigranten zijn. Tegelijkertijd brengt de crisis ook de problematische kanten van arbeidsmigratie aan het licht. Door slechte huisvesting en onvoldoende bescherming op de werkplek lopen arbeidsmigranten een groot risico op coronabesmetting. Ook bevinden arbeidsmigranten met flexcontracten zich in een kwetsbare positie. Ons voorstel biedt een oplossing voor bestaande problemen. Door arbeidsmigratie samen te laten gaan met een maximale inzet op een fatsoenlijke arbeidsmarkt wordt uitbuiting en oneerlijke concurrentie aangepakt. Door de eisen voor ‘krapteberoepen’ te versoepelen verkleinen we tekorten op de Nederlandse arbeidsmarkt en krijgen meer mensen van buiten de EU de kans om op een veilige manier als arbeidsmigrant naar Nederland te komen. De combinatie van een fatsoenlijk arbeidsmarkt- en een rechtvaardig arbeidsmigratiebeleid creëert kansen voor arbeidsmigranten én Nederlandse werknemers.

Wetenschappelijk Bureau GroenLinks publiceert deze zomer een rapport met een aantal principes voor een rechtvaardig arbeidsmigratiebeleid. Houd voor meer informatie onze website in de gaten: wbgl.nl/publicaties

Literatuursuggesties

  • Adviescommissie voor Vreemdelingenzaken (2009). Advies Tijdelijke arbeidsmigratie 2015-2035. Den Haag.
  • Berge, W. van den ea. (2018).  Verdringing op de arbeidsmarkt. Beschrijving en beleving. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau.
  • Cremers, J. en De Volder, E. (2020) Arbeidsmigratie in Noord-Brabant – de markt en de mensen(handel): Een inventarisatie. Amersfoort: CoMensha.
  • WRR (red.) (2018). Regie over migratie: naar een strategische agenda. Den Haag: Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid.
     

Dit artikel staat in het zomernummer van tijdschrift de Helling. Altijd de nieuwste artikelen lezen? Sluit een abonnement af.

Gerelateerde artikelen