6 minuten

Bestrijd euroscepsis niet met eenheidsdwang

Dé euroscepsis bestaat niet: negatieve opvattingen over Europa variëren per lidstaat, afhankelijk van de nationale belangen. De EU zal een manier moeten vinden om met die verschillen om te gaan. De voortdurende focus op harmonisatie van Europees beleid werkt daarbij averechts: de EU is op een aantal beleidsterreinen gebaat bij een gedifferentieerde aanpak die per lidstaat verschilt.

De Europese verkiezingen in mei van dit jaar lijken, als we de media moeten geloven, uit te monden in een strijd tussen twee kampen. Het pro-EU-kamp van de Franse president Emmanuel Macron, die verdere samenwerking op het Europese continent verdedigt, en het anti-EU-kamp van de Italiaanse minister van Binnenlandse Zaken Matteo Salvini, die renationalisering uitdraagt. In zijn toespraak voor het Europees Parlement vorig jaar vergeleek de Franse president Emmanuel Macron de politieke verdeeldheid in Europa met een ‘Europese burgeroorlog’. Een dergelijke vergelijking is niet behulpzaam. Deze werpt een valse dichotomie op van een keuze tussen ‘voor of tegen’, tussen blinde steun voor het Europese project en verdere integratie of het vluchten in nationalisme. Met het reduceren van de toekomst van Europa tot een keuze voor of tegen de EU doen politici kiezers tekort. De strijd tussen Macron en Salvini staat een open en gezond debat over de toekomst van Europa in de weg. De vraag zou moeten zijn: wat voor soort EU willen we?

Geen euroscepsis maar ‘euroscepses’

Het huidige Europadebat laat weinig ruimte voor nuance. Euroscepsis onder burgers moet omarmd of bestreden worden, zo lijkt het. Maar de term ‘euroscepsis’ is misleidend omdat deze suggereert dat het hier om één soort negatieve houding ten aanzien van Europa gaat. De aard van euroscepsis verschilt enorm per land. We zouden het dus beter over ‘euroscepses’ kunnen hebben, het meervoud. Als gevolg van de eurozone- en migratiecrises die in de afzonderlijke lidstaten andere gevolgen hebben gehad, is een groeiende kloof ontstaan tussen verschillende vormen van euroscepsis binnen landen en over de landsgrenzen heen. Sommige sceptici, in het bijzonder in de noordwestelijke lidstaten, eisen minder arbeidsmigratie binnen de Unie terwijl vooral zuidelijke en Oost-Europese landen vragen om meer vrijheid om zelf hun begrotingen vorm te geven. Het is lastig om met Europese beleidsvoorstellen te komen die deze beide groepen tegelijkertijd tevreden kunnen stellen, met name op de korte termijn. Om werkloosheid tegen te gaan en de economische groei te versnellen, vooral in de zuidelijke lidstaten, zouden er bijvoorbeeld monetaire overdrachten moeten worden geïntroduceerd die mogelijk meer beleidscompetenties op Europees niveau vereisen. Dat zien veel sceptici niet graag gebeuren. Beperking van arbeidsmigratie schendt weer de kernprincipes van integratie, namelijk het vrije verkeer van personen - iets dat juist op weerstand stuit bij andere groepen sceptici.

Het is zeker mogelijk om een balans te vinden. Door verdere monetaire investeringen of het kwijtschelden van schulden zou de intra-Europese migratie in de toekomst kunnen afnemen. Zulke beleidsveranderingen zullen echter pas op de (middel)lange termijn hun vruchten afwerpen. Gezien het feit dat Europese thema’s een steeds grotere rol spelen in verkiezingen binnen de lidstaten en dus van belang zijn voor de herverkiezing van nationale regeringen, is de kans groot dat regeringsleiders zich liever richten op hun overlevingskansen op korte termijn in plaats van op beleidsoplossingen op de (middel)lange termijn. De EU zal dus een manier moeten vinden om met de diverse belangen binnen haar grenzen om te gaan.

Fragmentatie en irrelevantie

Zolang we succesvolle Europese integratie alleen definiëren in termen van harmonisatie, in plaats van te spreken over gedifferentieerdere en flexibelere beleidsoplossingen voor de diverse problemen waar Europa mee worstelt, zal de EU van de ene politieke crisis naar de andere struikelen. Immers, de verschillen tussen beleidsvoorkeuren van burgers en belangen van lidstaten zijn te groot. De focus op harmonisatie zal hoogstwaarschijnlijk leiden tot verdere fragmentatie en mogelijke irrelevantie van Brussel op het wereldtoneel. Om dit te verhelpen, zouden Europese en nationale leiders eerlijk moeten zijn over de mate van invloed van de EU op nationale wetten, beleidscapaciteit en identiteiten, en de aanwijsbare voordelen en grotere geopolitieke veiligheid benadrukken die Europese samenwerking met zich meebrengt. Als politici een open debat uit de weg blijven gaan door kritiek op Europa te bestempelen als simpel nationalisme, gaan zij uiteindelijk lijken op de populisten die ze zelf willen bestrijden. In de neiging tot technocratie op Europees niveau schuilt evenveel gevaar als in de nationalistische boodschap van menig rechts- of links-populistische partij.

Het probleem van meer technocratisch beleid - de nadruk op efficiënte en technische oplossingen - is dat het doorgaans weinig oog heeft voor andersdenkenden. Voor populisme geldt hetzelfde. Waar populisme anti-pluralistisch is omdat het de nadruk legt op een algemene interpretatie van de wil van het volk, de volonté générale, is technocratie ook anti-pluralistisch omdat het alleen ruimte laat voor efficiëntie, zonder te onderkennen dat efficiëntie op zichzelf al ideologisch gekleurd is.

Meer dan een halve eeuw integratie binnen de EU heeft een diepgaande verwevenheid gecreëerd tussen het politieke, economische en sociale lot van haar lidstaten. Tegelijkertijd wordt de EU geplaagd door diepe verdeeldheid en conflicten binnen en langs haar grenzen. De politieke breuklijnen doorkruisen het continent van noord naar zuid over economische hervormingen en bezuinigingen, en van oost naar west over migratie en mensenrechten. Met dit in het achterhoofd, is het duidelijk dat een discussie over de toekomst van Europa gevoerd zal moeten worden vanuit de erkenning van de noodzaak  van differentiatie tussen lidstaten. Tegelijkertijd moet de kern van het gemeenschappelijk Europees project gedefinieerd worden.

Klimaatverandering

Sommige beleidsvraagstukken zijn duidelijk minder geschikt voor differentiatie. Om klimaatverandering aan te pakken, zal de EU collectief moeten optrekken om de negatieve gevolgen van nationale beleidsverschillen tegen te gaan. Op andere beleidsterreinen is differentiatie in beleid juist zeer wenselijk. Als het gaat om defensie zou ervoor gekozen kunnen worden om netwerken van militaire capaciteiten te creëren in plaats van één Europese legermacht (naar het voorbeeld van het European Air Transport Command). Ook de Europese markt is gebaat bij differentiatie. Hoewel lidstaten zich aan de gezamenlijke regels voor de interne markt moeten houden, wensen sommige lidstaten wellicht een verdere centralisatie van het beleid op het gebied van werknemersrechten. Anderen hebben daar minder behoefte aan.
Het vormgeven van gedifferentieerd beleid is een delicate evenwichtsoefening.  Hiervoor is een gezond en open debat nodig over welk soort Europees beleid gewenst is, en welke verschuivingen van nationale beleidscompetenties hiervoor nodig zijn.

Literatuur

  • De Vries, Catherine E. (2018) Euroscepticism and the Future of European Integration. Oxford: Oxford University Press.
  • https://www.nytimes.com/2018/04/17/world/europe/macron-european-parliament-strasbourg.html
  • De Vries, Catherine E. (2018) Euroscepticism and the Future of European Integration. Oxford: Oxford University Press.
  • Caramani, Daniele (2017) Will vs. Reason: The Populist and Technocratic Forms of Political Representation and their Critique to Party Government. American Political Science Review 111(1): 54-67.


Dit artikel staat in het lentenummer van tijdschrift de Helling. Altijd de nieuwste artikelen lezen? Sluit een abonnement af.

Gerelateerde artikelen