13 minuten

Blij met de kanariepiet, niet met de Amerikanen

Een ooggetuigeverslag uit Pashtun-gebied

De Amerikanen willen het Irakese volk verlossen van zijn dictator. Anderhalf jaar geleden werden de Afghanen bevrijd, hoe gelukkig zijn ze daar inmiddels mee? Een ooggetuigeverslag uit Pashtun-gebied. 

13 februari 2003, Jalalabad (Afghanistan)

Ik maakte vanmiddag een wandelingetje rond ons huis en bezocht het oude echtpaar Amiri en Stana. In hun tuin dronk ik groene thee en werd volgestopt met zelfgebakken zoetigheden. In een kooi zat een groene papagaai die scheldt en schreeuwt als hij een burqa ziet, tot groot vermaak van Stana die blij is dat ze dat ding niet meer aan hoeft. Ze is één van de zeer weinige vrouwen die het aandurft om het blauwe geval aan de kapstok te laten hangen. Bij het afscheid van het oude echtpaar bewonderde ik in het stille straatje het witgepleisterde heiligengraf met een groen geverfd hek eromheen waaraan tientallen kleurige doeken waren bevestigd door mensen die er waren komen bidden. Bij Tora Bora, onderaan de Witte Bergen, die ik vanuit Jalalabad kan zien, zijn de graven van Arabische Al Qaeda strijders tot bedevaartplaatsen geworden. De mensen zeggen dat het goede moslims waren die geen kwaad hebben gedaan. Ze zijn als heiligen gestorven, en het kan nooit kwaad op hun graf gebeden te zeggen.

Ik kwam langs het huis van de politiecommandant van Jalalabad. Op de deur portretten van Ahmad Shah Massoud, vermoorde ‘leeuw van de Panshir’. Zelfs op het vergeelde papier is zijn beeltenis knap, dromerig en onweerstaanbaar charismatisch. Rondom de poort zaten mooie soldatenjongens loom tegen elkaar geleund in de namiddagzon, hun geweren losjes om de schouder. Eén was bezig met een klein schaartje zijn korte baard bij te knippen. We liepen verder, langs de huizen van onze achterburen. Ik vroeg me af wie er woonden. Eén de belendende panden van ons huis wordt door Sikhs bewoond. Vroeger was er een aanzienlijke gemeenschap Sikhs in de stad, meestal stoffenhandelaren en geldschieters. Ze zijn gekomen in het kielzog van het Engelse bezettingsleger in het midden van de negentiende eeuw. De recente burgeroorlog, en vooral het beleid van de Taliban, deed de meesten vluchten. Sommigen zijn het laatste jaar weer teruggekomen en in de stoffenwinkels van de stad zijn hun imposante baarden en tulbanden weer alom zichtbaar.

Ik sloeg de hoek om en ging naar het kleine park vlakbij ons huis. Het is eigenlijk geen park, maar een erf waar geen huis meer staat. Er stonden twee gewapende jongens op wacht. Ik vroeg of ik mocht kijken. Ze schudden hun hoofd door het even naar de schouder te brengen. Dat hoofdschudden betekent dat het goed is. Vanuit de tuin zag ik een groot huis, waar volgens de bewakers Amerikaanse elitetroepen zitten. Die hebben op verschillende plaatsen in de stad huizen gehuurd en wonen zwaarbewapend in een zee van Afghanen die hen beslist niet allen goed gezind zijn. We verlieten de tuin nadat ik al mijn zinnetjes Pashto had uitgeprobeerd. Toen ik één van de bewakers op de schouders sloeg, voelde ik de riem met kogels voor zijn kalasjnikov. Trots liet hij me de tientallen blinkende patronen zien.

Ik was bijna thuis. Het was alles zeer vredig. De zon verwarmde de stad in het dal met een aangename zachte gloed. Op straat liepen de mensen in hun nieuwe kleding die ze voor het Slachtfeest hebben gekocht. In de lucht zweefden tientallen kleurige vliegers, hóóg boven de stad, ver van het gewoel, de kapotte huizen, de stinkende riksja’s en de voortsnellende burqa’s. En aan de horizon het steil omhoog rijzende bergmassief, met witbesneeuwde toppen. 

25 februari 2003, Peshawar (Pakistan)

In de kleine straatjes van de oude Pakistaanse stad Peshawar is het levendig als altijd. De winkelende mannen dragen een shalwar kameez: een wijd overhemd dat tot de knie reikt met een bijpassende wijde pofbroek. De verkopers onderhandelen eindeloos met hun klanten over de prijs van dadels en noten. Alles lijkt hier te koop: illegale kopieën van Amerikaanse vechtfilms en Indiase liefdesdrama’s, make-up, felgekleurde bh’s, en cassettes met popmuziek. In een duister straatje trof ik zelfs twee gokhallen vol speelautomaten aan. Hoe lang zal de nieuwe regering dit nog dulden?

In Pakistan neemt de politieke invloed van de islamisten toe, en die houden niet van decadentie. Bij de verkiezingen in september 2002 boekten de islamitische partijen grote winst. Dat ging ten koste van de gevestigde partijen van de multimiljonairs Benazir Bhutto en Nawaz Sharif. Allerlei weldenkende Pakistaanse intellectuelen die ik sprak vonden het niet zo erg dat de islamisten wonnen. Het leek hen eerder een protest tegen de incompetente regentenpartijen dan een werkelijke fundamentalistische ommezwaai. Fundamentalisme heeft in Pakistan nooit een grote invloed op het politieke leven gehad, zeiden ze bezwerend. Het gevolg van de verkiezingsuitslag is wel dat de provinciale regering in Peshawar videowinkels en kabeltelevisie wil verbieden, en plannen heeft om hoger onderwijs voor meisjes alleen toe te staan op aparte vrouwenscholen. Nu is nog niet zoveel te merken van de naderende religieuze restricties, het blijft bij politieke retoriek.

Peshawar ligt in het hart van het Pashtun-gebied, dat reikt van de noordelijke Swat-vallei aan de voet van de Himalaya, tot aan de Afghaanse woestijnen van Kandahar en Helmand, niet ver van Iran. De Pasthun zijn een volk dat door een negentiende eeuws verdrag van de Britten met de Afghaanse koning over twee landen is verdeeld. De helft woont in Pakistan, de andere helft in Afghanistan. Maar het gevoel van eenheid blijft, en de chauffeurs in Peshawar houden van dezelfde muziek als de chauffeurs in de Afghaanse stad Jalalabad, waar ik woon. Een populair lied bezingt de liefde voor het land dat alle Pashtun verenigt: “De pracht van Londen doet me niets; de elegantie van Parijs laat me koud; mijn hart ligt hier; dit is míjn Pashtunistan”.

Pashtunistan is geen vrij land. De Pakistaanse Pashtun voelen zich overheerst door de Punjabi die de Pakistaanse politiek domineren, en het Afghaanse deel voelt zich nauwelijks gerepresenteerd in de regering van Hamid Karzai, die ze als een stroman van de Amerikanen zien. Mijn chauffeur in Jalalabad had aan zijn achteruitkijkspiegel een papieren kerstboompje met het sterren en strepen patroon van de Amerikaanse vlag hangen. Ik vroeg hem wat hij van de Amerikanen vond. “Aardige mensen”, was zijn aanvankelijke antwoord. “Sommige mensen zeggen dat de Amerikanen het land hebben bezet, wat vind jij”, daagde ik hem uit. “Ze zíjn ook bezetters. Ze moeten weg, want het is óns land”, was zijn antwoord. “Waarom hang je dan een Amerikaans vlaggetje in je auto?”. Hij lachte: “Ach, dat is een geurend papiertje, het ruikt gewoon lekker”.

De Amerikanen worden door de bevolking niet alleen verantwoordelijk gehouden voor het verdrijven van de tirannen, maar ook voor hun opkomst. Immers, in de jaren tachtig sluisden de Amerikanen grote hoeveelheden geld naar de islamitische opstandelingen. Toen die na de val van het communistische regime doorgingen met elkaar te bevechten grepen de Taliban de macht, stilzwijgend gesteund door Pakistan en mogelijk de Verenigde Staten. Ik word treurig als ik de recente geschiedenis van Afghanistan reconstrueer. De Amerikanen hebben doelbewust de positie van de islamitische partijen in ballingschap versterkt omdat dat de beste mogelijkheid bood om het volk te mobiliseren voor de gewapende strijd tegen de Russische bezettingsmacht. Voor hun heilige oorlog tegen de communisten kregen de mujahedeen grote hoeveelheden wapens en geld van de Amerikanen. Daarmee verwierven de tovenaarsleerlingen van Allah zich alle munitie om een langdurige strijd voor een islamitische samenleving te voeren. Toen die goedbewapende groepen hun doel hadden bereikt bleken ze het grondig met elkaar oneens. Het ging over interpretaties van de islam, over etniciteit, maar vooral over geld en macht. Pas met de opkomst van de Taliban – die zich hevig zorgen maakte over de corrumpering van de islam door de mujahedeen – kwam er weer orde en rust in het land, en hielden de plunderingen en verkrachtingen op.

De Taliban waren bij de Afghaanse bevolking niet geliefd, omdat ze de gewone man zijn pleziertjes afpakten. Geen muziek, geen gedans, geen zangvogels houden, en niet te luid lachen. Zelfs vliegeren, een grote liefhebberij van tienerjongens, was verboden. Ik hoor zo nu en dan hilarische voorbeelden van wat allemaal niet mocht. Zo waren er strenge Talibs die een verbod afkondigden op fluitketels, omdat die geluid voortbrachten dat verdacht veel op muziek leek. Toen de Amerikanen en hun vrienden de Taliban hadden verdreven gloorde er hoop, maar die is nu gesmoord. Notoire krijgsheren zoals Gulbuddin Hekmatiar profiteren van het onbehagen van de Pashtun. Hekmatiar bevecht al twintig jaar alle opeenvolgende regeringen van Afghanistan. Zijn retoriek tegen de Amerikanen slaat aan: Karzai is een marionet van Bush, de Amerikaanse soldaten onteren het land, zitten met hun handen aan onze vrouwen en brengen verderfelijke invloed en het land in, zoals muziek en vrouwenemancipatie. Iedere keer als ik Bush of Rumsfeld zonder blikken of blozen hoor spreken over ‘de bevrijding van Afghanistan’, denk ik aan mijn chauffeur, die zich bevrijd voelt van de tirannie van de Taliban en zich tegelijkertijd opnieuw geknecht weet door de huidige machthebbers, en daarom toch sympathie heeft voor Gulbuddin Hekmatiar en de Pakistaanse fundamentalisten.

Eind februari hield de Pakistaanse Vereniging voor Psychiatrie haar grote tweejaarlijkse congres in Peshawar. Een internationaal congres nog wel, maar wat is internationaal in deze context: een tiental in Pakistan geboren Britse en Amerikaanse paspoorthouders en verder drie witte Engelsen, twee witte Nederlanders en één witte Australiër. De meeste hooggeleerde heren en dames uit de vrije wereld gaven niet thuis toen ze door het organisatiecomité werden uitgenodigd. Pakistan geldt als een gevaarlijk land waar het als westerling niet goed toeven is. Provinciale en landelijke ministers hielden toespraken. De bebaarde politici van de islamistische partijen vielen uit de toon tussen de elitaire wetenschappers in maatpakken van fijne snit en hun stropdassen van zijde. De provinciale minister van gezondheid droeg, net als de mannen op de markt, een shalwar kameez met op het hoofd een traditionele bruinwollen pakol. Toen hij door het welkomstcomité van keurig in pak gestoken academici de zaal in werd geleid siste mijn Afghaanse collega ironisch: “De Taliban zijn terug…”.

De organisatoren van het congres waren wat zenuwachtig vanwege de video die ze wilden vertonen. Het ging, schijnbaar onschuldig, over de psychiatrische problemen in Afghanistan. In de film waren martelende Russen te zien, vechtende Afghaanse vrijheidsstrijders, maar ook Taliban die op straat onwillige vrouwen sloegen met harde stokken. De minister besloot het in zijn toespraak te negeren en ging tekeer tegen een mogelijke oorlog tegen Irak. “Wat heeft dat land verkeerd gedaan? Het is een oorlog tegen de islam.” Zijn collega, een minister in het landelijke kabinet van Pakistan, beweerde dat het westen zedeloos en verdorven was: “Wat daar allemaal gebeurt is ongehoord: verkrachting, incest, homoseksualiteit. Het zijn allemaal westerse dingen die hier in Pakistan niet voorkomen omdat ze onislamitisch zijn”.

Na afloop van het congres ging ik de bazar van Peshawar in. In een steegje, vlak bij de gokhallen en de videowinkels zag ik bij een stalletje een merkwaardige mengeling van posters. Er hingen langharige Indiase schonen met zoet-roze mondjes. Er waren mannelijke filmsterren met een ontbloot bovenlijf die stoer de lens in blikten en nog sterker mijn aandacht trokken. Verder natuurlijk de onvermijdelijke foto’s van Mekka. Ik speurde verder, en ja hoor, daar hing hij: met de bekende weke lippen en zijn lange dunharige baard. Hij keek met een visionaire blik de wereld in. Achter hem een vloot van vliegtuigen in een zee van vuur. Voor tien roepie kocht ik de beeltenis van Osama bin Laden. De poster was gedrukt op glanzend wit papier, dat waarschijnlijk afkomstig was uit een afvalpartij. Op de achterkant stonden een blije jongen en meisje met een tas vol boodschappen, onder het logo van de Visa-creditcard: “Get three percent cash back on purchases”. De poster karakteriseert de ambivalentie van de Pasthun. De meesten zijn blij dat ze weer een kanariepiet mogen houden of een vlieger oplaten. Maar ze zijn niet blij met wat zij zien als Amerikaanse overheersing.

7 maart 2003, Jalalabad

Het wordt warmer. De winter is voorbij. Het duurt niet lang of de hitte wordt weer moordend met temperaturen van ver boven de veertig graden celsius. Het zal ook in andere opzichten een hete lente worden. Eergisteren is in Jalalabad een bom ontploft bij het kantoor van het Wereldvoedselprogramma. Geen doden of gewonden. De berichten over dreigende ontvoering van westerlingen worden ook steeds sterker. Het lijkt hier zo rustig, maar onder de oppervlakte broeit het. Het onbehagen van de Pashtun zou in een grote eruptie tevoorschijn kunnen komen. De geschiedenis leert dat het niet moeilijk is om Afghanistan te veroveren, maar schier onmogelijk om het vervolgens te behouden. De meest uiteenlopende volken hebben het geprobeerd: Grieken, Perzen, Hunnen, Mongolen, Britten en Russen. De Britse bezetting in het midden van de negentiende eeuw liep op een vernederend drama uit. De gelijkenis met de huidige situatie is angstwekkend. De Britten waren bang dat de Afghaanse heersers met de vijand (tsaristisch Rusland) zouden heulen. Ze vielen het land binnen en namen een door hen uitgekozen nieuwe heerser mee, die jarenlang in Brits India in ballingschap had doorgebracht. Toen de nieuwe koning aan het hoofd van het grote leger de zuidelijke stad Kandahar binnenreed, werd hij begroet door een juichende menigte die bloemen op zijn pad strooide. De euforie verdampte snel toen de Afghanen doorkregen dat de Britse en Indiase troepen die achter de koning aanreden de werkelijke machthebbers waren. Het nieuwe gezag werd in Kabul geïnstalleerd. De nieuwe koning bleek geen lieverdje. Hij en zijn mannen waren behoorlijk corrupt. Toen de bevolking klaagde bij een Britse functionaris nam deze de zaak hoog op. Het zou worden uitgezocht en hij gaf de namen van de corrupte ambtenaren door aan de koning, die meteen in actie kwam. De klagers werden zwaar bestraft en de corruptelingen kregen de opdracht voortaan wat voorzichtiger te zijn. Het Britse bestuur had weinig zicht op wat zich onder de oppervlakte van de samenleving afspeelde. Zelfingenomen berichtte de Engelse gezant Elphinstone na een jaar aan koningin Victoria dat het interne bestuur van de stammen zo goed voldeed dat de Britse troepenmacht spoedig zou kunnen worden verminderd. Hij begreep niets van wat de Afghanen werkelijk bewoog. Langzaamaan werd de oproep tot een jihad tegen de goddeloze overheersers luider. Aanvankelijk leek het verzet slechts om schermutselingen van kleine groepen fanatiekelingen te gaan. Toen, voor de Britten volkomen onverwacht, sloeg de vlam in het kruitvat. Verbijsterd zagen de Engelsen hoe ze na een klein incident fel werden aangevallen door een menigte in Kabul en hoe het verzet zich razendsnel uitbreidde. Hun tegenstanders waren strijders die bereid waren te sterven. Het materieel van de Britten was superieur, maar hun terreinkennis niet, en het moreel zakte exponentieel bij iedere dode Brit. Ze sloegen op de vlucht. In een gruwelijke tocht in de Afghaanse winter trok een colonne van tienduizenden soldaten, huurlingen en huisknechten van Kabul door de bergen naar Jalalabad. Vanaf de bergkammen werden ze beschoten, uit rotsspleten werden ze bestookt. Kleine groepen jihadi’s slachtten vele Britten en hun geallieerden af. Uiteindelijk bereikte slechts één Brit levend Jalalabad. De vernedering van het Anglo-Indiase leger was compleet. Het garnizoen in Jalalabad trok zich terug door de Khyberpas naar Peshawar.

De misrekening van de Britten was dat ze niet zagen dat het land, hoezeer ook verscheurd door interne twisten, zich organisch verenigde toen zich een identificeerbare dreiging van buitenaf aandiende. Dit principe van contextuele oppositie en alliantie doordrenkt de Pashtun-samenleving. Met iedere arrestatie van een stamhoofd dat mogelijk gastvrijheid bood aan de Taliban of Al Qaeda is er weer een heel segment van de Pashtun dat zich verhardt in zijn verzet tegen de bezetters. 

De overmacht van de Amerikanen dwingt bewondering af, voor de militaire superioriteit, voor de rijkdom, voor de schijnbaar onbegrensde mogelijkheden. Maar het is toch vooral angst die de houding van de Pasthun ten opzichte van de Amerikanen bepaalt. Angst voor culturele overweldiging, angst voor de vernietiging van het ‘eigene’, angst om weggevaagd te worden. Die angst zit diep. HealthNet International, de organisatie waar ik voor werk, doet samen met de afdeling psychiatrie van de Universiteit van Amsterdam een psychiatrisch epidemiologisch onderzoek in de Afghaanse provincie Nangarhar. Aan de respondenten wordt ondermeer een lijst voorgelegd met schokkende gebeurtenissen, waarbij hun gevraagd wordt aan te geven welke gebeurtenissen ze hebben meegemaakt. Het onderzoek is nog in volle gang, maar uit de gesprekken met de interviewers is al duidelijk dat vrijwel iedere Afghaan een groot aantal gewelddadige incidenten heeft meegemaakt. In het onderzoek is ook een vraag opgenomen naar de gebeurtenis die als meest bedreigend werd ervaren. Het vaakst genoemde antwoord: de Amerikaanse bombardementen in het najaar van 2001. Objectief gezien waren deze ‘precisie bombardementen’ niet zo ernstig. Het aantal mensen dat is omgekomen door Amerikaanse bommen is een schijntje vergeleken met de honderdduizenden die zijn gestorven in de tientallen voorafgaande jaren. Maar de psychologische impact van de dreiging om door Amerikaanse overmacht weggevaagd te worden is blijkbaar enorm.

Gerelateerde artikelen