9 minuten

Broeders versus partners

Turkije tussen Oost en West

Minder Turken dan ooit voelen voor toetreding tot de EU; hun aantal daalde van 75 procent in 2005 naar 35 procent nu. Onder de Turkse Nederlanders gelooft bijna zeventig procent niet meer dat Turkije ooit nog lid zal worden van de EU. Turkije richt zich steeds meer op ‘het Oosten’. Waarom?

In zowel het publieke als academische debat over Turkije’s politieke oriëntatie worden sociaal-economische ontwikkelingen onderbelicht. Het zeer moeizaam lopende onderhandelingsproces met de EU, Turkije’s huidige ambitie om een prominentere rol in de regio te spelen en de koelere betrekkingen met oude vriend Israël maken Turkije’s afkeer van het Westen een vanzelfsprekendheid: ‘Hoe het Westen Turkije verloor’, zoals Martin Jansen in juli jl. in de Volkskrant schreef.

Maar zo eenvoudig ligt het niet. De ontwikkelingen in Turkije kunnen niet gereduceerd worden tot een soort Huntingtoniaans ‘Oost-West’ paradigma. De werkelijkheid is gecompliceerder en heeft weinig te maken met ‘Oost-West’ maar veel meer met haves and have-nots.

Sinds zijn oprichting in 1923 heeft het moderne Turkije zich sterk georiënteerd op het Westen. Overigens begon deze oriëntatie al honderd jaar eerder toen het Osmaanse Rijk besefte dat het Westen de wereld begon te domineren. Zo werd onder druk van de ‘Jong-Osmanen’,  een groep jonge intellectuelen en bureaucraten, in 1877 een door de Verlichting geïnspireerde grondwet ingevoerd. In de visie van Kemal Atatürk (1880-1938), grondlegger van de Turkse Republiek, waren ‘het Westen’ en beschaving synoniem. Deze visie uitte zich in de vele radicale hervormingen die het land onderging. Enkele voorbeelden zijn de instelling van het volledige kiesrecht voor vrouwen, de ‘hoedenwet’ die het dragen van de oosterse fez verbood, de invoering van het Latijnse alfabet, de invoering van een seculiere grondwet en de instelling van de westerse jaartelling en werkweek.

Ook geopolitiek richtte de Turkse Republiek zich op het Westen. Turkije was in 1949 een van de eerste landen die Israël erkende. In 1949 werd Turkije lid van de Raad van Europa en in 1952 lid van de NAVO. De banden met de islamitische buurlanden werden op een lager pitje gezet. Met landen die een onafhankelijke of pro-Sovjetkoers volgden, zoals Syrië en Egypte onder Nasser, waren de betrekkingen zelfs koel tot vijandig. In het onderwijs en de staatsgecontroleerde media presenteerden de Turkse machthebbers het Westen als de ‘natuurlijke partner’ van de Turkse natie.

Top-down

Ook na de invoering van een meerpartijenstelsel in 1950 zouden de kemalistische elites als een zwaard van Damocles boven de drang naar meer inspraak vanuit het volk blijven hangen. Militaire coups in 1960, 1971, 1980 – en als laatste een postmoderne coup in 1997 – claimden Turkije steeds weer te corrigeren richting het kemalistische pad.
Maar na elke interventie volgde een nieuwe protestbeweging aan de onderkant van de samenleving, die in de loop der tijd verschillende vormen aannam in een haast dialectische omschakeling van seculier naar religieus protest. Na de coups van 1960 en 1971 groeide het linkse protest fenomenaal en kreeg het veel aanhang onder studenten, arbeiders en zelfs op het platteland. Het linkse protest in het Turkije van de jaren zestig en zeventig was een uiting van  modernisering van onderaf. Rechts werd kleiner en bestond uit conservatieve kapitalisten of extreemrechtse Grijze Wolven die zich openlijk identificeerden met het Europese fascisme. De steun voor de antiwesterse religieuze beweging (Milli Görüs) van Necmettin Erbakan, mentor van de huidige premier Erdogan, kwam op maar bleef in de jaren zestig en zeventig beperkt. Toen de coup van 1980 echter een einde maakte aan alles wat ook maar links leek, was de weg vrij voor de opkomst van religie als groots protestmiddel. Een niet geringe oorzaak hiervoor was het feit dat de militaire junta van 1980 het opkomende religieuze protest begon te faciliteren als een nuttig middel tegen ‘communisme’.

Na de coup van 1980 nam Turkije enthousiast deel aan de neoliberale Washington Consensus. Privatisering van staatsbedrijven en het opheffen van importtarieven werden kernonderdelen van het economisch beleid. In de afgelopen dertig jaar werd dit neoliberale beleid voortgezet zonder dat er een sociaal vangnet werd opgebouwd. Zo is de werkloosheid structureel gegroeid en de arbeidsparticipatie van vrouwen gehalveerd. Van alle OECD landen kent Turkije de grootste kloof tussen rijk en arm en het laagste BNP per hoofd van de bevolking. Ook op veel andere indicatoren zoals kindersterfte, onderwijsparticipatie, gezondheidszorg en corruptie scoort Turkije zeer slecht. Daarnaast zijn de arbeidsorganisatie en het stakingsrecht ernstig ingeperkt.

Ook op het gebied van mensenrechten en persvrijheid verslechterde de situatie vanaf de jaren tachtig. In de jaren negentig vervolgde Turkije wereldwijd de meeste journalisten en schrijvers. In 2010 staan naar schatting 350 journalisten en schrijvers in de beklaagdenbank voor wat de Committee to Protect Journalists (CPJ) ‘gewetensmisdaden’ noemt. Vanaf de jaren tachtig was er bovendien een enorme stroom van interne vluchtelingen die naar de Turkse steden trokken om aan de staat van beleg in de Koerdische provincies van Turkije te ontkomen. Ongeveer drie miljoen mensen belandden zo in de uitgestrekte sloppenwijken (gecekondu) van Istanbul, Ankara en Izmir.

Religieuze opleving

Er vond kortom een religieuze opleving plaats die niet religieus van oorsprong is. Religie is het voertuig waarop het Turkse sociaal-economisch ongenoegen wordt gekanaliseerd. Terwijl in Turkije jonge meiden tegen de ‘seculiere onderdrukkers’ protesteren door zoveel mogelijk, en het liefst op de universiteit, een turban te dragen, doen jonge meiden in Iran hun hoofddoek zover mogelijk naar achteren om een statement te maken tegen het brute regime van de ayatollahs. Ook in Nederland zijn meiden die uit een pro-Milli Görüs- of pro-AKP-gezin komen herkenbaar aan de turban. Onder Turkse Nederlanders is er een hoge organisatiegraad die zich afspeelt langs politieke lijnen uit het land van herkomst. Gecombineerd met een hoge Turkije-gerichte mediaconsumptie (tachtig procent van de Turkse Nederlanders kijkt primair naar Turkse tv) leidt dit ertoe dat de publieke opinie onder Turkse Nederlanders sterk correleert met die in Turkije.

In een land waar structureel tussen de dertig en vijftig procent van de bevolking onder de officiële armoedegrens leeft, volgden er niet geringe consequenties bij de stembus. In zijn politieke retoriek weet de Welvaartspartij de langdurige sociaal-economische malaise van Turkije aan de ‘kopieermentaliteit’ (taklitci) van de machthebbers. In het narratief van Erbakan moest er geen aansluiting gezocht worden bij de ‘partners’ in het Westen die toch geen echte partners waren, getuige de Europese onwil om Turkije te accepteren. Nee, de Turkse culturele en religieuze roots liggen bij de ‘broeders’ in het Oosten. Alleen door de ‘eigen’ cultuur, religie en erfenis te omarmen kon het Turkse volk welvaart (refah) bereiken. Niet de EU maar een islamitische unie moest het doel zijn in het buitenlands beleid; niet het economische beleid van de speculanten en renteniers (rantcilar) maar een moreel economische beleid gebaseerd op islamitische waarden kon banen creëren en Turkije uit de schulden helpen. Voor de arme massa’s van Turkije bood dit narratief en het welvaartswerk van de religieuzen een antwoord op hun sociaal-economische misère en het gebrek aan mensenrechten; net zoals het socialistische narratief van het links-populisme in de jaren zeventig een antwoord had geboden.

In 1995 kwam de Welvaartspartij aan de macht in een coalitieregering onder leiding van premier Erbakan. De militairen en de oude elites beseften ondertussen dat ze een monster van Frankenstein hadden gecreëerd door eerder religieuze bewegingen te faciliteren tegen ‘het linkse gevaar’. Toen het leger in 1997 een memorandum stuurde, trad de coalitieregering van Erbakan af.

Na deze postmoderne coup vond een aantal jongere prominenten uit de Welvaartspartij dat het tijd was voor een nieuwe, pragmatische koers. Na een intern schisma besloten deze voormalige protégés van Erbakan, waaronder de huidige premier Tayyip Erdogan, een nieuwe partij (AKP) op te richten. In tegenstelling tot zijn voorganger was de AKP wel voorstander van EU-toetreding en vrijemarktpolitiek. De nieuwe elites van het platteland, die vanaf de jaren tachtig handig gebruik hadden gemaakt van de Washington Consensus en heel rijk waren geworden, roken voor het eerst ook politieke macht. Deze ‘Anatolische tijgers’ hebben conservatieve waarden en zijn vaak vrome moslims, althans in uiterlijke voorkomendheid. Maar ze konden nooit aansluiting vinden bij de politieke macht van de oude seculiere elites. De AKP is in essentie de partij van deze nieuwe Anatolische rijken.

Om electoraal succes te behalen presenteerde de AKP zich als een meer pragmatische en liberale voortzetting van de Milli Görüs/Welvaartspartij-politiek. Maar islamitische retoriek, beloftes van sociaal-economische gelijkheid en een afkeer van de oude elites bleven kenmerkend voor de verkiezingscampagnes in de arme wijken en op het platteland. In 2002 kon de AKP met 34 procent van de stemmen een eenpartijregering vormen. In 2007 werd zelfs 47 procent van de stemmen behaald.

Antiwesters?

Kortom, Turkije ligt geografisch misschien op de breuk tussen oost en west maar sociaal-cultureel gaat dit essentialistische paradigma niet helemaal op. De ogenschijnlijk antiwesterse trend in de Turkse publieke opinie is complexer van aard. Een nadere blik op de vele EU enquêtes in Turkije kan dit verder verhelderen. Hoewel de meeste Turken EU-lidmaatschap niet meer zien zitten zijn ze nog steeds voorstander van ‘westerse’ waarden als democratisering, politieke vrijheid en een eerlijke economie. Maar tegenwoordig denken de meeste Turken niet meer dat de EU dit wil brengen. Ook al is het de Turkse regering zelf geweest die de toetredingsonderhandelingen tot stilstand heeft gebracht door het Ankara-protocol, dat een erkenning van Cyprus betekent, te weigeren. In de beeldvorming van de Turkse bevolking tellen vooral de retoriek van de Merkels van Europa en de claim van de AKP-regering dat goede betrekkingen met alle ‘broederlanden’ ook economische welvaart kan brengen. Er is dus niet zozeer sprake van een afkeer van het Westen, maar veeleer van een desillusie over de EU.

Nog belangrijker, het Turkse politieke landschap biedt weinig alternatieven voor de Turkse kiezer. De progressief linkse Turkse politiek is de klap van de coup nog niet te boven gekomen. Het Turkse kiesstelsel zorgt er bovendien voor dat kleine partijen niet in het parlement kunnen komen. De kansen voor progressieve alternatieven om hun boodschap te ventileren in het parlement blijven zo gering. Daarnaast kunnen partijen die te veel systeemkritiek uiten makkelijk worden verboden via de Turkse wetten tegen ‘belediging van Turksheid’. Dat was ook het lot van de Turkse Groenen in 1988. Sinds 2008 is er weer een groene partij (Yesiller) die een kleine plek heeft in het Turkse politieke landschap.

Tot nu toe heeft het regressieve sociaal-economische programma van Erdogan geen gevolgen gehad bij de stembus. De oude elites, waarmee een bittere machtsstrijd wordt gevoerd, kunnen met gemak worden beticht van tegenwerking. De sociaal-economische uitverkoop en de repressie van de afgelopen dertig jaar staan nog vers in het geheugen van de meeste arme Turken. De AKP kan zich zo blijven presenteren als dé protestpartij van de gemarginaliseerde burger. Pas wanneer de strijd tussen de oude en de nieuwe elites is beslecht kan er politieke ruimte komen voor progressieve alternatieven. Maar voorlopig zal de Turkse bevolking de rit op het voertuig van religieusconservatief protest uitzitten.

Literatuur:

- Martin Janssen, ‘Hoe het Westen Turkije verloor’, de Volkskrant, 2 juli 2010.
- Ozlem Sandikci, ‘Fundamental Fashions. The Cultural Politics of the Turban and the Levi’s’,  Advances in Consumer Research, Vol. 28 (2001), p. 146-150. (zie: http://www.acrwebsite.org/volumes/display.asp?id=8459)
- Ali Çarkoğlu, ‘Public Attitudes towards the Turban in Turkey’, Utrecht Law Review, Vol. 6, nr. 2 (juni 2010), p.145-157.(zie: www.utrechtlawreview.org/index.php/ulr/article/view/28/12
- Human Rights Watch, "We Need a Law for Liberation". Gender, Sexuality, and Human Rights in a Changing Turkey, Report 2008. (zie: http://www.hrw.org/en/reports/2008/05/21/we-need-law-liberation-0)
- Erinc Yeldan, Patterns of Adjustment under the Age of Finance: The Case of Turkey as a Peripheral Agent of Neoliberal Globalization, February 2007, University of Massachusetts, Working papers nr. 126. (zie: http://www.peri.umass.edu/fileadmin/pdf/working_papers/working_papers_101-150/WP126.pdf).

Gerelateerde artikelen