17 minuten

Circulaire economie

Sociale bedrijven en nieuwe instituties voor gemeengoed

De groene economie is circulair en zelfverbeterend. Ontwerpers als Gunther Pauli, Michael Braungart en William McDonough praktiseren overtuigende innovatiestrategieën waar producenten veel van kunnen leren. Burgers en overheden minder. Een voorstel tot instituten die ons ecologisch gemeengoed onafhankelijk van private partijen afdoende kunnen managen.

1. Van groen naar rond

Van de grondstoffen die we wereldwijd winnen voor het maken van mobiele telefoons gooien we vijfentachtig procent weer weg (Ellen MacArthur Foundation 2012, 40). Naast de winst en de technologische mogelijkheden zijn de gevolgen hiervan vervuiling, grondstoffenverlies en zelfs gewapend conflict in de wingebieden. En dit is een treffend voorbeeld van ons huidige lineair economische model. We winnen grondstoffen en putten zo ecosystemen en niet-levende voorraden uit; buiten mensen uit en vervuilen tijdens het fabricageproces zowel onze directe omgeving als de levensondersteunende systemen op aarde; gebruiken een product totdat het kapot is, op, of uit de mode; dan gooien we het weg. Take, make, waste.

De circulaire economie is niet alleen groen, omdat hij verder gaat dan zorg dragen voor ecosystemen. Hij draagt net zo goed zorg voor ‘technologische ecosystemen’, waarvoor metallic eerder in aanmerking komt als label. Het is een duurzame economie waarin geen externaliteiten of ‘negatieve bijeffecten van economische activiteit’ meer bestaan. Die worden geïnternaliseerd. De circulariteit van de circulaire economie heeft dan ook in eerste instantie niet met geldstromen te maken, maar met het sluiten van materiaalstromen, het wegnemen van afval en vervuiling en het bevorderen van niet-economische waarden. Door alleen al de bijzondere metalen in telefoons grootschalig te laten circuleren zou er veel minder van gemijnd hoeven te worden. En het geld wat je daarmee bespaart zou kunnen worden ingezet om de omstandigheden van de mijnwerkers te verbeteren. Nog steeds winst, hetzij minder economische, maar geen milieuverlies en uitbuiting meer.

Om materiaalstromen te sluiten, is er naast de wil tot verandering (en dus het nodige leiderschap en inspirerende voorbeelden) vooral een sluitende business case nodig. De herstelkosten van de schadelijke effecten van lineaire productie komen, als iemand ze al op zich wil nemen, niet vaak voor rekening van het bedrijf zelf. De core business is winst maken, niet opruimen. Zo houdt een bedrijf de winstmarges veel hoger dan wanneer het de productie conscientieus inricht. Aanleiding genoeg voor groene denkers en activisten om de kwaaie piet bij de bedrijven te leggen. Maar een appel aan de goedheid van individuele managers zal niet genoeg zijn om vervuilende processen ten goede te veranderen. Al hebben meer dan veertig jaar aan stevige campagnes tegen milieuvervuiling weliswaar bepaalde praktijken gestopt, minder navrante problemen gaan onverminderd door of zijn zelfs geïnstitutionaliseerd door milieubeschermers.

Neem bijvoorbeeld de gestelde maximumconcentratie van een bepaalde stof in melk. Die is nu zo laag, dat een liter melk jou niet zal schaden. Tien liter ook niet. Maar de stof is er wel. Uiteindelijk hoopt hij zich op in de voedselketen. Ondanks regulering richt hij wel degelijk schade aan. ‘Minder slecht’ is nog niet ‘goed’, zeggen McDonough en Braungart van de Cradle to Cradle methode. In hun nieuwste boek, The Upcycle, rekenen ze door hoe volgens de logica van ‘minder goed’ ook houtverbrandingsinstallaties nu als ‘groen’ te boek staan terwijl ze voor een netto toename van CO2 zorgen, hoewel minder veel dan koleninstallaties. De triple bottom line – draag zorg voor mens, milieu en markt – wordt geflankeerd met een triple top line. Goed is pas wanneer een product, dienst of ervaring geen enkele schade toebrengt én meerwaarde creëert op sociaal, ecologisch, cultureel en economisch vlak. Dat vereist materiële en mentale verandering. Met hun eigen firma’s en publieke kennisgeving helpen zij bedrijven met die omslag. Zij faseren schadelijke producten uit de productielijn en plaatsen er biologische en technische materialen voor terug die na gebruik of schadeloos weer in het ecosysteem opgenomen worden, of weer op dezelfde manier of in een gelijkwaardig product gebruikt kunnen worden.

2. Het dilemma: conversie van kapitaalsoorten

Afval als voedsel. Zo kunnen bedrijven de circulariteit van de biosfeer herstellen en van hun lineaire, technologische productiewijze een circulair domein maken: de technosfeer. De laatste stap in het ontwerpproces is de moeilijkste. Het leren maken van gebruiksproducten die steeds andere producten of de biosfeer voeden in plaats van verpesten betekent ook nadenken over het veranderen van vormen en diensten. Gunther Pauli, ondernemer en onderzoeker voor onder andere de V.N., geeft vooral van die laatste stap tientallen voorbeelden in zijn boek ‘Blauwe Economie’. Denken in de circulaire economie betekent ook het loslaten van sub-optimale oplossingen. Waarom bijvoorbeeld een ventilator met allerlei giftige, moeilijk te herwinnen stoffen in je computer als je ook een zelfkoelend moederbord kan maken dat makkelijk is in hergebruik (Pauli 2012, 79)? Hij gelooft vast dat het mogelijk is om ‘een economisch systeem te ontwerpen dat geen afval en geen uitstoot zou voortbrengen, maar arbeidsplaatsen zou scheppen, sociaal kapitaal zou bijdragen en niet tot hogere kosten zou leiden’ (Pauli 2012, 24). Dat laatste tegen het meest gebruikte counterargument aan het adres van duurzaamheidsdenkers. ‘Prachtig, maar het kost teveel.’

Met Maatschappelijke Kosten-Baten Analyses en waardestroomanalyses pareert men de kostenbezwaren. Verspilling tegengaan levert direct geld op en gaat grote uitgaven in de toekomst tegen; positieve sociale omstandigheden creëren levert meer capabele werknemers op en bespaart op veiligheid; en noodzakelijke, maar vervuilende technologieën niet een beetje aanpassen, maar integraal vervangen voor schone betekent een totaal nieuwe reeks producten en patenten. Dat klinkt heel logisch. Wenselijk ook. Maar als je het vertaalt, krijg je het volgende. Biokapitaal, sociaal kapitaal, intellectueel en cultureel kapitaal zijn allemaal inzetbaar als en voor economisch kapitaal. En dat brengt ons tot een dilemma – een onbedoeld gevolg van het uitbannen van negatieve externaliteiten. Want deze logica is alleen voor de welwillende manager een positieve logica die integraal bijdraagt aan het welzijn van mensen en alle andere soorten. Hij staat immers niet alleen creatie van meer biokapitaal, sociaal kapitaal etc. toe. De conversie gaat ook de andere kant op. Sterker nog, dat is precies ons huidige probleem. De lineaire economie zet continu andere kapitaalsoorten om in kapitaal. De circulaire economie laat ons overtuigend zien dat het mogelijk is om de boel om te draaien en economisch kapitaal, waarde, om te zetten in waarden. Maar een garantie is er niet.

Zolang de circulaire economie een optie blijft voor bedrijven, is het niet meer dan een supplement, een ander smaakje, van de lineaire economie. En dan is de circulaire economie dus niet circulair. Een keuze voor een circulaire economie moet een integrale hervorming zijn, geen marktniche zoals het nu is. Goed ontwerp is nog niet meer dan een luxegoed. Maar het zou ‘een fundamenteel recht voor iedereen’ moeten zijn (McDonough & Braungart 2013, 43) en dat is meer dan een kwestie van koplopers in de bedrijfswereld. Zelfs als veel grote bedrijven zich omvormen, dan betekent dat nog niet dat andere dat ook zullen doen. Daar zijn andere mechanismes voor nodig, die bijna per definitie niet uit het bedrijfsleven kunnen komen. Duurzaamheid is dan ook niet alleen een zaak van producenten. Want als we de circulaire economie inderdaad als een inclusieve economie zien die tegelijkertijd met economische waarde ook waarden produceert (in plaats van waarden om te zetten in economische waarde), dan moet iedereen daar op een eigen manier aan kunnen bijdragen. Overheden moeten wel degelijk richting geven. En buiten hun rol als consument kunnen burgers dat ook als coproducenten van duurzaamheid in coöperaties en onderzoeksformaties (zie de artikels van Dirk Holemans en Birgit Mahnkopf) en als afnemers ervan door meentes in te richten die zich specifiek richten op duurzaamheid. Daarover zo meer. Laten we eerst de rol van de overheid bekijken.

3. Macro-economisch voorstel: sparen en investeren

De circulaire economie is het einde van het kapitalisme zoals wij dat kennen. Dat blijft zeer impliciet bij de denkers die vooral de producenten in het bedrijfsleven op het oog hebben. De econoom Tim Jackson, hoogleraar aan de Universiteit van Surrey en oud-voorzitter van de sectie economie van de Britse Sustainable Development Commission, zegt het ronduit in zijn boek ‘Welvaart zonder groei. Economie voor een eindige planeet’. Onze economie heet nu gezond wanneer hij groeit. Consumptiegroei kan echter niet langer de maat blijven als we ‘rechtvaardige duurzaamheid’ als uitgangspunt nemen. Zonder groei – een dalende consumentenvraag – zullen we komen te lijden onder toenemende werkloosheid, dalend concurrentievermogen en recessie. Décroissance of krimp lijkt nog geen sociaal stabiel model. Ecologische maatregelen worden sociale problemen binnen de marktsamenleving. Zonder alternatief lopen we reëel gevaar ‘ieder perspectief te verliezen op een blijvende door allen gedeelde welvaart’ (Jackson 2010, 18).

Economische groei behoort tot de belofte van de circulaire economie. Binnen dat paradigma gaat men er natuurlijk van uit dat die groei kan optreden zonder milieuverontreiniging. Hij is met andere woorden ‘ontkoppeld’ van CO2- uitstoot. Tot nu toe komt daar niets van terecht. De absolute CO2-uitstoot groeit al sinds 1990 – het ijkjaar voor het Kyoto Protocol – met 2% per jaar. Hoewel de relatieve uitstoot per dollar wel is afgenomen, neemt de totale economische productie nog altijd toe. Het vierde rapport van het Intergovernmental Panel on Climate Change vertelt ons echter dat, willen we de gemiddelde stijging van het klimaat onder de twee graden Celsius proberen te houden (en daarmee de kans op een al te erge zeespiegelstijging zo laag mogelijk), we in 2050 de globale uitstoot met minstens 85% moeten hebben verminderd ten opzichte van 1990 (Jackson 2010, 27; zie ook IPCC 2013, fig. 13.27). Daarin slagen we niet bepaald. In 2010 was het globale emissieniveau juist veertig procent boven dat van 1990 in plaats van flink eronder (Jackson 2010, 79).

Ontkoppeling wordt urgenter. Bij een stijgende wereldbevolking en een hogere welvaartsstandaard, moet de belastende intensiteit van de economische productie drastisch dalen.[i] Misschien zelfs zoveel dat we tegen het jaar 2100 CO2 uit de lucht zullen moeten halen. De vraag wordt ‘Hoe produceer je economische waarde door CO2 uit de lucht te halen?’ (Jackson 2010, 88). Het antwoord is – naast circulaire bedrijfsproductie – een omslag van de economische rol van overheden: een New Green Deal. Nu ligt de nadruk op crisisherstel door consumptiegroei en infrastructurele projecten zoals snelwegen. Jackson stelt voor die uitgaven om te leggen naar de verduurzaming van wagenparken, de huizenvoorraad, de energievoorzieningen en de afvalverwerking; het aanleggen van nuttige infrastructuur (IT en groene vervoernetwerken), duurzame technologie, waterbeheersing en natuurherstel en -bevordering (Jackson 2010, 114-117). Een New Green Deal zorgt ook voor stimulering van circulair economische bedrijven. Helaas is dit, hoewel er sinds 2009 aanstalten mee zijn gemaakt, eigenlijk al weer teruggedraaid. Een direct gevolg van het huidige economische soberheidsbeleid: besparen om de muntstabiliteit te garanderen en consumentenvertrouwen te behouden, zelfs al leidt dat tot grotere sociale ongelijkheid.

Er zijn ook manieren om geld te besparen die geen sociale rechten aantasten. Investeren in duurzaamheid maakt zelfs op kortere termijn al geld vrij. Energiebudgetten kunnen omlaag; wagenparken kunnen krimpen; de druk op overheidsgebouwen wordt lager; er wordt minder aanspraak op sociale voorzieningen gedaan wanneer er banen komen, onderwijs goed wordt geregeld en hulpverleningen effectiever worden. En in plaats van de arbeidsuren per persoon te verhogen, wat het moeilijker maakt voor mensen met afstand tot de arbeidsmarkt, kunnen ze ook verdeeld worden over meerdere mensen. Jackson vindt die optie extra interessant, want een van de best geteste manieren om de economie stabiel te houden zonder druk op de staatskas bij een gelijkblijvende milieubelasting is juist arbeidsdeling. Een nog verder voerende mogelijkheid is het invoeren van een basisloon. Een belangrijke voorwaarde voor het slagen van zulke veranderingen in de salarisstructuur, vat Jackson een onderzoek van Gerhard Bosch samen, is ‘een stabiele en relatief gelijke inkomensverdeling’ (Jackson 2010, 139). Gekoppeld aan ‘een structurele overgang naar op diensten gebaseerde activiteiten’ en een macro-economisch model ‘waarin de investeringen hoog zijn in verhouding tot de consumptie … [en er] hoge uitgaven en investeringen door de publieke sector’ in ecologische activa worden gemaakt (Jackson 2010, 197; 206), is het mogelijk om een koolstofarme economie in te richten die eco-sociale rechtvaardigheid hoog houdt. De markteconomie van vandaag zal erdoor veranderen, zegt Jackson. Maar het einde van het kapitalisme is het alleen als je gelooft in de pure vrije markt. In werkelijkheid is er altijd overheidsbezit en overheidssturing. Die moet sterker aangezet worden, maar Jackson ziet ook een rol voor burgers in ‘verschillende modellen van ‘gedeelde’ eigendom en controle’ (Jackson 2010, 198). Hij legt dat verder niet uit, maar laat ik tot slot een korte poging wagen.

4. Instituties ter bevordering van het ecosystemische gemeengoed

Staat en markt zijn er tot nu toe niet in geslaagd om zorg te dragen voor de wereldwijde ecosystemen, evenals voor wereldwijde armoede die op zijn beurt weer gevolgen heeft voor onze ecologie. De boodschap van zowel economische als technologische onderzoekers naar duurzaamheid is dat we dat wel zouden kunnen doen. Maar de circulaire economie is niet business as usual met schone technologie in plaats van vuile. Er moet meer gebeuren. En daar geven de duurzaamheidsontwerpers ook aanleiding toe, hoewel die meestal op de achtergrond blijft omdat hun doelgroep bestaat uit bedrijven. Maar impliciet zeggen ook zij dat onze economie moet veranderen, en wel op twee manieren.

Ten eerste: doelend op electriciteitsproductie met grote waterkrachtcentrales, die vanwege rottende planten op de bodem van de nieuwe stuwmeren absoluut niet CO2-neutraal is, spreken McDonough & Braungart hun voorkeur uit voor ‘bescheiden systemen waarin een eventueel teken van een menselijke fout in het ontwerp geen rampzalige gevolgen heeft’ (McDonough en Braungart 2013, 133). Het liefst coöperaties van verschillende kleine producenten als het om energie gaat – en ook voor wetenschappelijke experimenten zien zij burgers en wetenschappers graag samen optrekken op een schaal die het mislukken van experimenten geen ramp zal maken. Meentes dus. Ook geven zij de raad om ‘te investeren in wind’. En dat bedoelen ze letterlijk. De technologie voor windenergie en zonne-energie is volop in ontwikkeling, net zoals andere duurzame technologieën. Voorlopig houdt dat niet op. Zoals Jackson laat zien dat het veranderen van onze economie door niet langer te mikken op groeiende consumptie, maar op sparen en investeren in duurzame technologie, wijzen zij er net als Pauli op dat daar veel mogelijkheden voor zijn. En burgers kunnen nog iets. Zij hebben de macht om te beslissen dat er nieuwe instituten komen die als enige verantwoordelijkheid hebben om onze wereldwijde ecosystemen te beheren en te doen groeien.

Peter Barnes, ook ondernemer en onderzoeker, beschrijft die instituten vanuit een eigen kijk op eigendom. Hij vindt dat de huidige eigendomsverhoudingen – publiek of privaat – het belang van ons gemeengoed niet goed reflecteren. Afgaand op de gangbare opvatting van ecosystemen, het water en de atmosfeer als grondstoffen voor lineair economische productie betekent ‘ze zijn van iedereen’ nu hetzelfde als ‘ze zijn van niemand’. Er is geen sluitend beheer voor. Daarom moeten er instituten komen die deze systemen beheren uit naam van allen. Hiervoor kijkt Barnes naar de Engelse rechtsvorm van de trusts. Dit zijn vermogensbeheerfondsen waarbij een bestuur uit naam van een begunstigde zorg draagt voor een continue inkomstenstroom zonder dat het vermogen aangetast wordt. Er zijn ook ‘landtrusts’, die de hoofdbron van inkomsten zijn voor veel universiteiten en colleges in de Angelsaksische wereld. Daar is het bestuur verantwoordelijk voor het beheer van het land, op zo’n manier dat een deel van de opbrengst een opleidingsinstituut blijvend kan bekostigen. Uiteraard is het not done voor een trust om zijn eigen gronden uit te putten. Dergelijke beheervormen ziet Barnes als sluitsteen voor het gat tussen privaat en publiek eigendomsbeheer. Het beheer van een landtrust is eigenlijk een functie uit naam van een gemeenschap waarvan alle leden belang hebben bij het juiste beheer van het land. Het bestuur kan worden aangesteld door een commissie van de begunstigden en wordt eveneens door hen afgerekend. Er zijn geen aandeelhouders en de trust kan niet verhandeld worden, behalve wanneer alle begunstigden daartoe besluiten. Barnes stelt voor om het eigendom van ecosystemen per land of regio over te brengen van de overheid naar de bewoners in een reeks ecosysteemtrusts die atmosfeer, water, bossen en habitats beschermen.

De lucht is nu ook van iedereen. Momenteel leidt die situatie ertoe dat er nauwelijks voor gezorgd wordt. Bovendien is de lucht al verkocht in de vorm van emissierechten. Die zijn vrij verhandelbaar op de kapitaalmarkt, maar ze zijn gratis toegekend aan de grootste bedrijven. Dus eigenlijk is de lucht  toch niet van iedereen meer. Het is de facto al privaat bezit geworden met een heel eigen markt. “The system lacks institutions that preserve shared inheritances, charge corporations for degrading nature, or boost the ‘demanding’ power of people whose basic needs are ignored” (Barnes 2006, p. 11). Dus om te zorgen dat gemeenschappelijk bezit ook als zodanig gebruikt kan worden, moet die gebruikswijze ook per wet geregeld worden. Het voorbereiden van wetten die een reeks aan commons trusts of meentes mogelijk maken is een politieke taak. Barnes, die dit veel gedaan heeft, weet als geen ander dat dit de tijd er niet naar is. Maar wanneer de publieke opinie omslaat en zich tegen privatisering, bezuinigingen en soberheid keert, moet het bestaan van deze nieuwe vorm van instituten per wet worden gewaarborgd. ‘[T]he next time corporate dominance ebbs, government – acting on behalf of commoners – swiftly fortifies the commons. It assigns new property rights to commons trusts, builds commons infrastructure, and spawns a new class of genuine co-owners. When corporations regain political dominace, as they inevitably will, they can’t undo the new system’ (Barnes 2006, p. 3).

Meentes, want zo kunnen we ze zeker noemen, zullen verschillen naargelang de aard van het gemeengoed dat ze moeten versterken. Een eerste kenmerk is de uitputbaarheid ervan. Ecosystemisch gemeengoed kan opraken en een meent moet het gebruik ervan dus kunnen begrenzen. Maar meentes die intellectuele creatie en kunst bevorderen werken met gemeengoed dat oneindig hergebruikt kan worden. Als we ons vanwege de focus van deze tekst beperken tot de eerste variant, gaat het erom dat partijen die gebruik willen maken van grondstoffen uit zulke meentes – CO2, schoon water, stukken land zoals oerwoud en taiga – daar rente voor moeten betalen. Het grootste deel van de opbrengst uit de meent wordt gebruikt om de meent zelf te beschermen en te versterken. Zo draagt de meent zorg voor een goede nalatenschap aan volgende generaties van alle soorten. Een klein deel wordt uitgekeerd aan de huidige eigenaren. Er wordt een ‘mutual fund’ mee opgericht dat alle inwoners dividend uitkeert van de gemaakte winsten volgens het principe ‘één mens, één aandeel’. Een basisloon dus, maar dan een basisloon dat niet uit de publieke middelen afkomstig is. Als model ziet Barnes het mutual fund van Alaska en de Federal Reserve van Amerika. Het mutual fund keert nu al dividend uit van een deel van de winst die bedrijven maken uit de natuurlijke hulpbronnen. De Fed heeft een bestuur dat vanuit de regering wordt aangesteld voor veertien jaar. Zo is het bestuur met democratische controle ook beschermt tegen het kortetermijndenken dat ook politici die herkozen willen worden parten kan spelen.

Als alle bedrijven volledig circulair zouden opereren, dan zouden de ecosysteemtrusts geen opbrengsten meer krijgen. Met hun opgebouwde vermogen zouden ze wel zorg kunnen blijven dragen voor de ecosystemen. Maar hun secundaire functie, de herverdeling van winst gemaakt met gemeengoed, zou opdrogen. Om die reden neemt Jackson de wet van vraag en aanbod serieus. CO2 toevoegen aan de atmosfeer moet duurder worden per eenheid naarmate trusts minder eenheden zullen toestaan. Zij beginnen met de hoeveelheid die er momenteel wordt uitgestoten en brengen die langzaam terug. Omdat de certificaten duurder worden, stijgen hun inkomsten naarmate er minder vervuild mag worden. Alleen als er niets meer vervuild wordt, drogen hun inkomsten op. De vraag is dan ook of het wel mogelijk is om werkelijk zonder vervuiling te produceren. De duurzaamheidsontwerpers zeggen van wel en we moeten Pauli, McDonough en Braungart daar gelijk in geven. Het is mogelijk. Als we echter naar Jackson en het IPCC kijken, lijkt de economische en ecologische realiteit helaas anders. Ondanks de beloften van het internationale bedrijfsleven is sinds 1990 onze absolute uitstoot CO2 sterk gestegen. Bedrijven kunnen er wat aan doen, maar ecosysteemtrusts zouden ze dwingen. Zo kunnen bedrijven niet langer exclusief genieten van gemeengoed, maar betalen zij er iedereen voor die er een belang in heeft en wordt de herverdeling van ongelijke inkomsten voor een deel verzorgd, zonder druk op de publieke middelen en nog voordat een bedrijf belasting hoeft af te dragen. Die kan dan weer gebruikt worden voor exclusieve overheidstaken. Een circulaire economie is een combinatie van het opnieuw ontwerpen van onze bedrijfsmatige productie, een ander investeringsbeleid van de overheid en ecosystemische trusts die bedrijven dwingen om te veranderen.

Conclusie

Mensen zoals Pauli, McDonough & Braungart werken aan goede recepten voor de verbetering van onze verhouding tot ecosystemen, sociale verbanden en cultuur. Zij benaderen burgers echter vooral als consumenten. Dat gaat niet op, zoals Jackson laat zien. Op macro-economische schaal is het nodig dat er meer gespaard gaat worden, meer geïnvesteerd in schone, circulaire technologie en minder geconsumeerd. En tussen bedrijven en overheden in, is het mogelijk om meentes als trusts in te richten die tegelijk het gebruik van uitputbaar gemeengoed begrenzen en het zo behouden voor volgende generaties, als de huidige eigenaren – wij allemaal – begunstigen in de vorm van gedeeltelijke basislonen die worden opgebracht uit het verantwoord verbruik van grondstoffen door commerciële partijen. De circulaire economie is een zaak van burgers in nieuwe instituten, overheid met nieuw beleid en bedrijven met nieuwe modellen.

Literatuur

Barnes, Peter (2006). Capitalism 3.0. A guide to reclaiming the commons. San Fransisco, Better-Koehler Publishers, Inc.

Ellen MacArthur Foundation (2012). Towards the circular economy. Economic and business rationale for an accelerated transition. URL: http://www.ellenmacarthurfoundation.org/business/reports

Guattari, Félix (2000). The Three Ecologies. Londen, New York, The Athlone Press.

Intergovernmental Panel on Climate Change (2013). Working Group I Contribution to the IPCC Fifth Assessment Report Climate Change 2013: The Physical Science Basis, URL: http://www.climatechange2013.org/images/uploads/WGIAR5_WGI-12Doc2b_Final...

Jackson, Tim (2010). Welvaart zonder groei. Economie voor een eindige planeet. Utrecht, Jan van Arkel.

McDonough, William & Michael Braungart (2007). Cradle to Cradle. Afval = voedsel. Schiedam, Scriptum.

McDonough, William & Michael Braungart (2013). De Upcycle. Voorbij duurzaamheid – ontwerpen voor overvloed. Heeswijk, Search Knowledge B.V.

Pauli, Gunther (2012). Blauwe economie. 10 jaar, 100 innovaties, 100 miljoen banen. Amsterdam, Nieuw Amsterdam Uitgevers.

 

[i] Zie voor een precieze afleiding van ecologische factoren in macro-economische modellen Hoofstuk 8, pp. 125-144 (met name pp. 127-131) en Bijlage 2, pp. 207-212 in Jackson 2010.

Gerelateerde artikelen