4 minuten

Column: 11 mei in Jalalabad

9.30 uur. In Samarkhel, een dorp tien kilometer van Jalalabad, een provinciestad in Oost-Afghanistan, laat ik twee buitenlandse gasten de projecten van de Nederlandse hulporganisatie HealthNet zien. Mijn satelliettelefoon rinkelt. Het is Munir, de manager van ons kantoor. Er is onrust in de stad; duizenden mensen demonstreren omdat de koran ontheiligd zou zijn in het Amerikaanse concentratiekamp in Guantanamo Bay.

We moeten onmiddellijk terug naar de stad. We besluiten te reizen in een oud busje dat niet te onderscheiden is van een plaatselijke taxi. Het is zaak zo onopvallend mogelijk te zijn. Ik baal dat ik mijn shalwar kameez (tradioneel gewaad met lang overhemd) niet heb aangetrokken. Een van mijn gasten, een Noorse psychologe, heeft zelfs een shirt met korte mouwen aan. Waarom heb ik daar vanochtend niets van gezegd?

10.20 uur. We rijden de stad binnen. De toegangsweg is afgesloten door zenuwachtige Afghaanse soldaten die heftig gebaren dat we weg moeten. We worden naar een zijweg gemanoeuvreerd. In de buitenwijken komen we vast te zitten, in een exodus van honderden personenauto’s, vrachtwagens en riksja’s die in een chaotische vlucht proberen de stad te verlaten. “Er worden auto’s verbrand, maak dat je weg komt!”, schreeuwt iemand. Boven de stad hangen zwarte rookkolommen. Ik ben bang dat ons kantoor wordt aangevallen. We horen geweerschoten en zien nu overal mensen op straat rennen. Onze auto stopt bij het huis van de Afghaanse dokter Roghman, die voor HealthNet werkt. We worden zonder vragen binnengelaten. In de gastenkamer zitten we op rode kussens en krijgen thee met koekjes. Een Afghaanse familie zal ook in nood de gastvrijheid niet vergeten. Langzaam wijkt de spanning: binnen de hoge muren van deze familieburcht zijn we veilig.

12.15 uur. Buiten klinken zo nu en dan schoten. De binnenkomende telefoontjes stemmen niet vrolijk: steeds nieuwe berichten over kantoren die zijn aangevallen. Het kantoor van het Rode Kruis, van Relief International, van het Zweedse Afghanistan Comité. Ik hou een lijstje bij van vernielde gebouwen, en zit nu al op vijftien. De echtgenote van mijn Amerikaanse gast belt paniekerig op: zij is ook in Jalalabad en bevindt zich in het paleis van de gouverneur, dat ook wordt aangevallen. Een half uur later belt ze weer. Ze is veilig, maar een vleugel van het paleis is afgebrand. De familie Roghman serveert ons een uitgebreide lunch en ik voel me opgelaten. De gevechtshelikopters scheren laag over, Een huivering gaat door me heen. Mijn collega’s bellen vanuit het HealthNet guesthouse. Ze zijn veilig en ons huis is ongeschonden.

14.20 uur. Het lijkt weer rustig in de stad. We duiken ons taxibusje weer in en gluren door de gordijnen. Her en der op de straten de as van verbrande autobanden. De uitzinnige menigten zijn weg.   

15.00 uur. Ik ben thuis. Nu wordt pas goed duidelijk hoezeer we aan een ramp zijn ontsnapt. Een menigte schreeuwende mannen rammelde aan de toegangsdeur van ons kantoor. De Afghaanse collega’s hadden ‘s ochtends na de eerste berichten van onrust de naamborden verwijderd, de schotelantenne van het dak gehaald en de poort gesloten gehouden. De demonstranten marcheerden door naar het UNICEF-kantoor, honderd meter verderop in de straat. Na een half uur stond dat in brand. We hebben voortdurend contact met onze kantoren Amsterdam, Kabul en Peshawar. Er wordt een luchtbrug naar Kabul georganiseerd. Wij hebben een half uur om onze spullen te pakken.

16.30 uur. Op het vliegveld spreken we collega’s van andere organisaties. Ze zijn alles kwijtgeraakt. Het wordt me koud om het hart als ik me realiseer dat het werk van jaren in een dag verloren had kunnen gaan: al het trainingsmateriaal dat we hebben ontwikkeld, alle archieven, al onze computerbestanden. Er vliegen kleine vliegtuigjes op en neer tussen Kabul en Jalalabad.

18.00 uur. Ik ben in Kabul, maar wil hier eigenlijk niet zijn. Het voelt als een nederlaag. BBC World en CNN berichten over de onlusten. Ik bel mijn familie, de ambassade en het hoofdkantoor om te melden dat we veilig zijn.

21.00 uur. De gebeurtenissen tollen door mijn hoofd. Hoe kon dit toch gebeuren? Ik heb me nooit onveilig gevoeld in Jalalabad, en heb nooit gemerkt dat ook maar iemand bezwaar had tegen ons werk. De Afghanen die ik spreek schamen zich over wat er is gebeurd en zeggen dat de demonstranten zijn opgehitst door radicale elementen. Dat zal beslist zo zijn. De meeste moslims hier menen dat de koran letterlijk door God is gedicteerd, en beschouwen daarom ieder exemplaar als heilig. Toch verklaart dat deze uitbarsting van redeloos geweld niet. De protesten moeten worden gezien in het licht van sluimerende en groeiende onvrede over de trage wederopbouw van Afghanistan. De oorlogsmachine van de Amerikanen draait op volle toeren. Alles moet wijken voor de jacht op terroristen. Wanneer het Westen eens meer geld zou steken in werkelijke wederopbouw en conflictpreventie, dan zou de voedingsbodem voor anti-westerse sentimenten vanzelf verschralen. Waarom willen studenten brand stichten in kantoren van hulporganisaties die hun land helpen opbouwen? Omdat ze niet geloven dat het land werkelijk weer opgebouwd wordt. De jongens die nu ‘dood aan Amerika’ staan te schreeuwen, zijn dezelfden die drie jaar geleden stonden te juichen bij de val van de Taliban. Het is gemakkelijk mensen op te hitsen die hun toekomst in rook op zien gaan.

Gerelateerde artikelen