4 minuten

Column: Getuigenis-allochtonen

X. was negentien toen hij in 1988 naar Nederland kwam. “Ik was een jaar eerder uit Iran gevlucht en had dat jaar doorgebracht in Karachi, Pakistan. Volgens de huidige Nederlandse asielregeling zou ik toen meteen teruggestuurd zijn naar Pakistan.”

Iran was in oorlog met Irak en X. was vanwege zijn “veel te grote mond” en zijn links georiënteerde familie niet de voorselectie doorgekomen om in Teheran te kunnen gaan studeren. Dat betekende dat hij in dienst zou moeten en daarmee liep hij een levensgevaarlijk risico. “Naar de uitdrukkelijke wens van mijn ouders, had ik me tijdens mijn middelbareschooltijd voorbereid op een studie Medicijnen; binnen het onzekere perspectief betekende dat zekerheid.” Maar X. wilde eigenlijk socioloog worden. Dat kwam er pas van in Nederland.

Aanvankelijk opgevangen in Zeeland, komt hij na ruim twee maanden terecht in een centrum in Nieuwegein, een kleine stad met een afdeling van Vluchtelingenwerk die net opgezet was. “Een paar oudere mensen die nauwelijks iets van vluchtelingen wisten maar wel goede bedoelingen hadden. Het eerste wat ze zeiden was: ‘Wacht maar, misschien ga je volgend jaar wel terug naar Iran’. Ze wisten helemaal niks van de situatie. Er zat in de hele opvang geen stimulering, alleen remming. Ik had het idee, ik moet zelf initiatief nemen anders gebeurt er helemaal niks.” X. benadrukt dat het voor hem veel heeft uitgemaakt dat zijn oudere broer al in Nederland was, als uitgenodigde vluchteling: “Hij had een heel ander traject gehad. Vanaf het eerste moment is er een andere houding van de overheid: cursussen aanbieden, meedenken, ondersteuning. Omdat ik mijn broer in de buurt had, wist ik bijvoorbeeld dat ik geen genoegen moest nemen met taallessen die gegeven werden op gemeentelijk niveau. Dat was tijdverspilling, ik moest zoeken naar taallessen die gericht waren op een universitaire opleiding. Ik had wel een probleem: ik was nog niet erkend als vluchteling en dus er was ook geen geld om die dure universitaire taallessen te kunnen nemen. Ik heb het toch gedaan: mijn broer hielp me, ik heb zelf zwart gewerkt. Het duurde anderhalf jaar voordat ik mijn status had.”

Je eigen levensverhaal vertellen in de derdepersoon enkelvoud is een kunst. Ik bezit die gave niet volledig, daarom schakel ik over op een wat eenvoudiger stijl. Waar ik naartoe wil, is dat bij het reconstrueren van je eigen levensloop er maar al te snel een zeer menselijk trekje zichtbaar wordt. Je successen schrijf je graag toe aan eigen inzet, hard werken en vechtlust.

Die neiging is dubbel zo sterk bij succesvolle opklimmers uit een achterstandsgroep, zoals we de laatste tijd merken bij de ‘getuigenis-allochtonen’. Omdat het hen gelukt is in Nederland zou het iedereen moeten lukken, zo luidt hun verhaal. Niet een beter integratiebeleid, maar meer inzet van allochtonen zelf moet soelaas bieden. Een stellingname die in deze, ten opzichte van immigranten, antagonistische tijden, graag wordt overgenomen door politici en – een groeiende groep – publicisten en columnisten, die bij gebrek aan ideeën graag op allochtonen afgeven. Michaël Zeeman, het veel geziene zwaargewicht van het Nederlandse debatcircuit, brulde tijdens een bijeenkomst tegen een immigrant die het woord ‘discriminatie’ in de mond had genomen: “De Somalische schrijfster Jasmin Allas zei tegen mij: ‘Als je wil, kan je alles bereiken in Nederland’.” Ikzelf kon me van een ander persoonlijk gesprek met Allas vooral haar kritiek op islamofobisch Nederland herinneren – zo hebben we allemaal ons eigen selectief geheugen.

Het barst heden ten dage van getuigenissen van ‘succes-immigranten’ die samen met hun autochtone achterban de passieve houding van de ‘achterstand-immigrant’ aanklagen en de enige kritiek die de Nederlandse samenleving krijgt, is: “Jullie zijn te aardig geweest”. “Wij zijn te aardig geweest”, is de conclusie die politieke partijen van links en rechts inmiddels hebben getrokken, mede dankzij deze getuigennissen. Het betreft hier een wonderbaarlijk bewijsstuk, want juist als het gaat om de succes-immigranten met de grootste mond – de ‘publieke-domein-allochtonen’ – is het feit dat ze nu prominent aanwezig zijn in het publieke debat negen van de tien gevallen te danken aan een persoon of een organisatie die de multiculturele gedachte hoog in vaandel heeft. Afshin Ellian is bekend geworden via de Balie, waar Chris Keulemans,  oprecht multiculturalist in hart en nieren, toen directeur was; Ayaan Hirsi Ali had de Wiardi Beckman Stichting met directeur Paul Kalma die niet bepaald afwijzend stond tegenover de positieve actie een jonge Somalische vluchteling voorrang te geven bij het vervullen van een vacature.

Toch wel gek dat deze ‘voorbeeld-allochtonen’ zo snel vergeten dat hun weg naar succes geëffend is met een gezonde dosis paternalisme. Ze zijn wars van het goede bedoelingen-beleid van “linkse mensen”, maar ze waren nooit op hun huidige positie gekomen als deze mensen en hun beleid er niet waren geweest.

Gerelateerde artikelen