4 minuten

Column: Postmodern gemeenschapsgevoel

Mensen teren op betrokkenheid en onderlinge sociaal-emotionele aandacht. Ze leven, gezonder, gelukkiger en langer als ze vrienden en kennissen om zich heen hebben. Ze willen deel uitmaken uit een grotere geheel, hun lot verbinden aan het lot van anderen. Elke willekeurige handleiding gezondheidswetenschappen zal dit beamen. Bovenstaande stelling lijkt dan ook een open deur. Maar juist in een complex georganiseerde en gerationaliseerde postmoderne samenleving zoals de onze, is het van levensbelang om dit gegeven voor ogen te houden. 

De opstand der burgers van het afgelopen politieke jaar is wel eens aangeduid als een nostalgische beweging van burgers die het warme en vertrouwde dorp en de kleinstedelijke sfeer missen. Burgers die uit de mondiale onoverzichtelijkheid terug willen naar het veilige provincialisme. Ik ben het daar niet mee eens, weinig burgers willen terug naar het verleden. Wel verlangen ze naar een warme gemeenschap en een hechtere samenleving. Ze willen geliefd zijn en lief kunnen hebben, zich vertrouwd voelen en in vertrouwen genomen worden. Mensen hebben behoefte aan een sterke schouder, en iemand die af en toe op hen durft te leunen. Ze willen betrokken zijn bij een vooruitzicht dat verder reikt dan het eigen toekomstperspectief. Het besef van een gezamenlijke lotbestendigheid geeft ze een warm gevoel. Daar is er niets mis mee. Sterker nog, het is een reflectie van onze meest natuurlijke toestand. Mensen, van welke cultuur of met welke karakterstructuur dan ook, zijn sociale dieren die naar aandacht, genegenheid en intermenselijke warmte smachten. Ze willen deel uit maken van collectieven.Daarin verschillen we niet veel van andere kuddedieren. Een fundamenteel onderscheid is wel dat de menselijke collectieven mythes en idealen behoeven. Een uitsluitend instrumenteel en pragmatische collectief is ten dode opgeschreven. Waarom zouden we bij elkaar moeten  horen? Dat willen we weten en benoemen. Vooral willen we verhalen kunnen vertellen over onze gezamenlijkheid. Voor de inwoners van een afgelegen dorp midden in een onbereikbare woestijn is het eenvoudig hierop een antwoord te vinden. Die kunnen naar de gemeenschappelijke geschiedenis wijzen: we horen bij elkaar omdat onze voorouders en hun voorouders bij elkaar hoorden. Ze kunnen kleurrijke mythes bedenken over hoe het allemaal begonnen is.

Voor de burgers van een postmoderne samenleving die te maken hebben met grenzeloze mobiliteit van kapitaal, ideeën en contacten ligt het een tikkeltje moeilijker. Wat verbindt je nog aan deze plek op aarde en waarom zou je nog een gemeenschapsgevoel moeten hebben met de mensen die toevallig je buren zijn?

We verdienen onze geldt niet per definitie op het stuk grond waar we leven. De beurshandelaar in Amsterdam heeft meer te maken met de beurs in New York dan het wel en wee van de bio-industrie in het Brabantse boerenland. En onze inspiratie hoeft niet per se verbonden te zijn met deze bodem. De dominante jongerencultuur in Nederland wordt meer beïnvloed door de Amerikaanse jeugdcultuur dan door het laatste boek van Harry Mulisch. Bovendien, onze zielsverwanten kunnen dankzij telecommunicatie en internet op verre afstand en toch erg dichtbij zijn. Je geheimen kunnen razendsnel over de oceanen heen vliegen, en mijlenver van jou vandaan kun je een luisterend oor vinden. 

Wat bindt ons dan met mensen híer? Heel veel. Het feit dat we ons, nog steeds, vooral binnen de fysieke ruimte van wat we de natiestaat noemen voortbewegen, bepaalt dat de kwaliteit van dit collectief in hoge mate bepalend is voor de kwaliteit van ons individuele leven. De mythes en idealen die in de huidige geglobaliseerde wereld het gevoel van collectiviteit binnen de natiestaat inhoud moeten geven, kunnen echter niet enkel bestaan uit de rituele viering van de vaderlandse geschiedenis – wiens vader trouwens: de mijne komt niet hier vandaan. Het pleidooi om in te burgeren door boekjes te lezen van schools denkende Paul Scheffers ten spijt. Je leert niet uit boeken hoe je van een gemeenschap moet houden.

Waar moet het gevoel van verbondenheid dan wel vandaan komen? We zijn toe aan een herschikking van waarden in deze samenleving: individualisme moet wat mij betreft een toontje lager zingen en empathie moet hoger gewaardeerd worden. Aandacht en belangstelling voor medeburgers moeten we cultiveren.

Maar dat wordt een moeilijke klus. Ondanks het grote geklaag in het afgelopen politieke jaar heeft Nederland het, op wereldschaal gezien, goed voor elkaar als het om materieel onderhoud van dit collectief gaat. Maar als het gaat om het immateriële onderhoud is het beroerd gesteld met dit land. Het doorgeschoten individualisme, de staatsideologie van de jaren negentig, heeft van de burger consument en van de mensen entrepreneurs gemaakt. Neurotische egotripperij, haastige assertiviteit, projectmatig engagement – de doorsnee jongeren zijn met dat soort adjectieven in de negentiger jaren volwassenen geworden. Lijdzaamheid, aandacht voor de ander en bescheidenheid klinken in onze oren als stoffige deugden uit een ver verleden. Maar in de stormachtige wereld van vandaag zijn het de onmisbare fundamenten om het oh zo onmisbare gemeenschapsgevoel weer van de grond te krijgen.

Gerelateerde artikelen