3 minuten

Column: Walrussen

Menno Hurenkamp vanuit Moskou

Izmailovsky Park, in het oosten van Moskou, is beroemd om de souvenirmarkt. Toeristen kopen er de hoeden en petten en damescorsetten van de USSR: medailles met daarop Lenin, T-shirts met Trotksi, bekers met Beria en geinige miniatuurkampjes uit Siberië.

In de winter kun je er schitterend langlaufen en schaatsen. Het park doet denken aan het Amsterdamse Bos, ongeveer even oud en groot. Het is er druk, zeker nu het een échte winter is, met krakende vorst en een stralende zon aan een blauwe hemel. Jong en oud zoeven voorbij, in hippe sportpakken of op massief houten ski’s. Zo nu en dan tref je mannen die in hun blote bast skiën, slechts gekleed in hun baard. Zolang je maar bezig blijft krijg je het niet koud.

Wie het wel koud krijgen zijn de mannen die een duik in het ijswater nemen. In een van de vijvers wordt permanent een wak van een paar vierkante meter open gehouden. Daarin kun je je even onderdompelen. Het heet gezond te zijn voor lijf en geest. Ik kijk verbijsterd naar drie of vier mannen die zich in het water laten zakken, daar een paar keer onder het oppervlak verdwijnen en zich dan doodgemoedereerd aankleden. Het is min 15 graden en in de luttele minuten tussen twee zwembeurten ontstaat alweer een dun laagje ijs op het wak. “Doen ze dit altijd?”, vraag ik aan een man die met een enorme hark het nieuwe ijs weghaalt. “Niets kan ons tegenhouden”, bast deze stoer, mij na een razendsnelle opname van voet tot kruin als weke vreemdeling classificerend.

Morzj heten deze ijszwemmers ook wel, leer ik dan. Walrussen. Snuiven, snorren, laagje spek – het klopt. Er dient zich even geen nieuwe zwemmer aan. Eenzaam sta ik aan het wak en mijmer over de weerbarstige aard van de Russische medemens. Dan zie ik vanuit een ooghoek iets uit het wak kruipen. Een muskusrat, formaat kleine hond. Hij wil zonnen. Het beest ziet mij, springt weer in het water en trekt daar humeurig even wat baantjes. Maar het verlangen naar de warmte is te groot en hij komt toch het water uit, schuiert zijn buik aan het ijs, laat zijn schouders zakken, gaat liggen en verdwijnt pas weer als ik tien medetoeschouwers heb. Met mij denken de mannen langs de kant: misschien niet ijszwemmen voorlopig. Die dag zie ik geen morzj meer in het water. Soms laten ze zich tóch tegenhouden.

Een paar dagen later kom ik weer langs het mini-zwembad. Geen ijszwemmer te bekennen. Wel is van een grote afstand al een zilveren gloed op het water zichtbaar. Pas van heel dichtbij is te zien dat honderdduizenden jonge visjes het wak vullen als een levende kurk. Het zijn er zoveel dat het lijkt alsof je op het water zou kunnen lopen. Iets heeft ze even uit hun winterslaap gewekt. Ik neem een paar honderd visjes in de kom van mijn handen om te kijken of ze wel echt zijn. Ze spartelen woedend heen en weer tot ik ze teruggooi. Daar willen die morzj dus ook al niet tussen zwemmen. Er zijn toch best wat zaken die hen tegenhouden, neem ik in stilte wraak op de stoere man met hark. En ik realiseer me dat een wal-Rus soms graag zwemt, maar nog liever op de wal staat.

Gerelateerde artikelen