3 minuten

Column: Wortels

“Als je niet weet waar je vandaan komt, weet je ook niet waar je naar toe gaat”, zegt de jonge Rotterdamse ter afronding van ons gesprek over de reis die ze maakte naar het West-Afrikaanse land waar haar grootouders leefden. Ze kijkt erbij alsof haar statement geen nadere verklaring behoeft.

In haar ogen zit er een ijzeren logica in de redenering dat ieder mens voorzien is van wortels. Die wortels ziet ze als een groot goed. Ze verbinden ons met precies dat stukje van de wereld waar onze voorouders hebben rondgescharreld en maken een dermate belangrijk deel uit van onze identiteit dat we de kans lopen volledig op drift te raken als we ze niet weten te koesteren. Zelf is ze ervan overtuigd dat ze eigenlijk dáár hoort. Du moment dat ze de vliegtuigtrap was afgedaald en haar voeten voor het eerst de Afrikaanse grond betraden waar haar roots liggen, werd ze overmand door een sterk gevoel van thuiskomen. Huilend viel ze op haar knieën, kuste de aarde en voelde zich op slag herboren. Een gevoel dat ze terug in Rotterdam zoveel mogelijk probeert vast te houden. Want: als je niet weet waar je vandaan komt, weet je ook niet waar je naar toe gaat.

Evenals de andere worteldenkers waarmee ik de laatste tijd werd geconfronteerd wekt ze de indruk geen tegenspraak te dulden. Wie zijn of haar familiegeschiedenis slechts ziet als een potentiële bron van – al dan niet sterke – verhalen, is in haar ogen een gemankeerd persoon; iemand met een zwak zelfgevoel die ongemakkelijk hinkend door het leven gaat.

De commentator in de Zuid-Afrikaanse krant die ik onlangs las is die mening ook toegedaan. Hij schreef een juichend stukje over de pas ontwikkelde mogelijkheid via DNA-onderzoek je wortels te achterhalen. Deze gouden kans op ontdekking van het stukje van de wereld waar onze voorouders lief en leed hebben gedeeld vond hij vooral erg fijn voor de nazaten van zwarte Afrikanen die ‘in de diaspora’ zijn geraakt. Bijvoorbeeld de achter-achter-achter-kleinkinderen van eens als slaaf verhandelde Afrikanen zouden er enorm van opknappen als ze een stukje bodem bij hun bloed zouden vinden. Hun identiteit zou erdoor versterkt worden, waardoor ze de rest van hun leven fier rechtop zouden lopen in de wetenschap ‘geworteld’ te zijn. Zelfs de strijd tegen allerlei sociale misstanden onder gedepriveerde zwarte Amerikanen – zoals drugsverslaving en langdurige werkloosheid – zou dankzij dat soort DNA-onderzoek een sterke impuls krijgen. Pas als je weet waar je vandaan komt, kun je überhaupt ergens heen, was het idee.

Een idee dat door velen wordt gedeeld. Onder autochtone Nederlanders zie je het terug in de opmars van de genealogie. Van Zuid-Limburg tot in het uiterste puntje van Oost-Groningen worden heel wat vrije uurtjes in archieven doorgebracht om een familiestamboom te maken die zover mogelijk terug gaat. Hoe ontevredener men is over het moderne leven, hoe sterker de zucht te achterhalen waar en hoe over-over-over-over-grootvader zijn dagen sleet.

In mijn ogen heeft die hedendaagse hang naar roots-zoekerij iets beangstigends. Leven we eindelijk in een wereld waarin het er niet meer toe zou moeten doen waar de mensen hebben gewoond met wie we per ongeluk biologisch verbonden zijn, neemt het idee hand over hand toe dat we pas lekker in ons vel kunnen zitten als we de genetische weg terug hebben afgelegd en ons onlosmakelijk verbonden weten met onze ‘etnische bodem’?

Geef mij maar de ideeën van Salman Rushdie. Als schrijver put hij regelmatig uit een rijke stroom van familieanekdotes, maar het sentimentele roots-denken is hem vreemd. “Kijk maar eens goed naar je voeten,” zei hij eens. “Daaraan groeien geen wortels! En eronder zit slechts de grond waarop je staat.”

Gerelateerde artikelen