3 minuten

Column: Wortels in omloop

Mijn Israëlische neefje is met grote verwachtingen naar Amsterdam gekomen. Hij is op zoek naar zijn Europese wortels en denkt ze bij mij aan de keukentafel te kunnen opgraven. Het leven in Israël is hij even helemaal zat en hij vraagt zich af waarom zijn vader (mijn broer) ooit heeft besloten het land van zijn voorouders te verlaten.

Ja hoor, hij weet het wel, zijn vader was aangeraakt door de gedachte in Israël meer thuis te zijn dan in Nederland. Dat deel van het verhaal heeft hij tot vervelens toe gehoord. “Er is niet veel fantasie voor nodig om te begrijpen dat joodse jongens en meisjes die kind waren in de Tweede Wereldoorlog weg wilden uit Europa,” zegt hij. Maar het was wel fijn geweest als zijn vader wat spraakzamer was geweest over de familiegeschiedenis die hij achter zich liet. En: zou het niet zo zijn dat het voor joodse jongens anno 2005 in Amsterdam stukken prettiger toeven is dan in Jeruzalem? 

Mijn grote broer was negentien toen hij in 1962 naar Israël vertrok om een handje te helpen bij de opbouw en verdediging van het joodse land. Voordat hij daadwerkelijk afreisde werd daarover bij ons thuis heel wat afgeruzied. Onze vader zag het helemaal niet zitten dat zijn enige zoon zich tot het zionisme had bekeerd. Bij hem zat er geen enkele haar op het hoofd die erover dacht Amsterdam te verruilen voor Jeruzalem. Ook al had hij het na de Tweede Wereldoorlog moeilijk gevonden opnieuw zijn draai te vinden in de stad waaruit het joodse hart was verdwenen; hij was, zoals hijzelf zei, een ‘echte Mokumer’ en wilde dat graag zo houden.

In de ogen van onze vader was Israël een soort levensverzekering; een land waar je zonder asielprocedure opgenomen zou worden als het hier opnieuw tot een jodenvervolging zou komen. Hij ging er echter van uit dat hij zoiets niet nog eens zou meemaken. Ook het idee dat hij als jood een nazaat zou zijn van mannen en vrouwen die eeuwen geleden in Israël rondscharrelden, zei hem weinig. Voor zover hij nadacht over zijn roots ging hij nooit verder terug dan zijn eigen jeugd die hij doorbracht in de oude jodenbuurt. Daarover was hij trouwens nooit erg nostalgisch, want het was armoe troef geweest daar in de Tweede Batavierdwarsstraat. Niet voor niets behoorden mijn grootouders en hun kinderen tot de grote groep Amsterdamse joden die hogere verwachtingen hadden van het socialisme dan van een gang naar Zion.   

Terwijl mijn vader de gedachte koesterde dat zijn kinderen het in het welvarender wordende Amsterdam heel wat beter zouden krijgen dan zijn vader en moeder ooit hadden kunnen dromen, koos zijn zoon voor een onzeker leven in het wat al te vaak beloofde land.

Mijn broer hebben we niet vaak teruggezien in Nederland. Over de mate waarin hij zijn emigratie naar Israël daadwerkelijk ervoer als een terugkeer uit de diaspora is hij nooit erg spraakzaam geweest, maar er is geen haar op zijn hoofd die er ooit over heeft gepiekerd zich opnieuw in Amsterdam te vestigen. Al meer dan veertig jaar woont hij in Jeruzalem, de stad waar volgens hem zijn wortels liggen, waar hij is getrouwd en waar zijn kinderen zijn geboren.

Eén van die kinderen valt mij nu lastig met allerlei vragen over grootouders, overgrootouders en betovergrootouders. Terwijl ik denk dat hij eropuit is een poosje in Nederland te blijven om aan het gestreste bestaan in Israël te ontkomen, graaft hij steeds dieper in onze familiegeschiedenis. Nu wil hij weten waar onze bet-bet-bet-bet-overgrootouders oorspronkelijk vandaan kwamen. Een vraag die mij als echt vaderskindje nooit erg heeft beziggehouden. “Ja hoor eens,” zeg ik. “als je nog verder teruggaat, zit je zo weer in Jeruzalem.”

Helaas kan hij daar niet om lachen.

Gerelateerde artikelen