12 minuten

De haat is dichtbij

Democratisering is geen panacee

De wereld is veranderd in een 'global village', maar niet een dorp van pais en vree. De haat is nog nooit zo nabij geweest. Economische ongelijkheid is een belangrijke oorzaak. Militaire dreiging is niet het beste antwoord, het opleggen van de vrije markt en democratie ook niet. 

Amy Chua is professor aan de universiteit van Yale in Amerika. Ze is een Chinese, geboren en getogen in de Filippijnen en wie de situatie in dat land kent, kent direct het milieu waarin ze opgroeide – zoals je dat ook zou weten van een blanke boerenzoon uit Zimbabwe. De Chinezen maken slechts één procent uit van de Filippijnse bevolking en ze zijn steenrijk. De Chinese minderheid controleert ongeveer zestig procent van de private sector in het land en tot voor kort aten de politici uit hun hand. Miljoenen Filippijnen werken onder supervisie van enkele Chinezen, andersom zijn er vrijwel geen Chinezen die onder een Filippijnse baas werken. Ongeveer tweederde van de tachtig miljoen etnische Filippijnen leeft van minder dan twee euro per dag. Veertig procent leidt een zwervend bestaan.

De globalisering en liberalisering van het laatste decennium hebben de Chinezen in de Filippijnen alleen maar rijker gemaakt. Als buitenlandse investeerders in de Filippijnen zaken komen doen, is dat met Chinezen. Bijna elke Filippijnse miljardair is van Chinese afkomst, terwijl alle bedienden, de seksindustrie incluis, Filippijns zijn. Alle keuterboeren zijn Filippijns en de Chinezen leven in ommuurde enclaves, waar de straten Harvard, Yale of Princeton heten. De toegangspoorten worden bewaakt door tot de tanden bewapende veiligheidsdiensten.

In september 1994 werd Amy's tante vermoord. Ze hoorde het bericht in Amerika en geschokt reisde ze terug. Haar verwanten waren overmand door verdriet maar probeerden er zo onverschillig mogelijk over te doen. De moord op haar tante past in een patroon:  honderden Chinezen, waaronder tal van kinderen, worden jaarlijks in de Filippijnen gekidnapt en vermoord, ook nadat er losgeld is betaald. De daders worden zelden of nooit gepakt. Amy's tante werd vermoord door haar chauffeur. Hij sneed haar de keel door met een slagersmes dat hij enkele uren tevoren in het bijzijn van het personeel had geslepen. Er werd nauwelijks iets gestolen, het was een moord uit pure haat. De chauffeur is nog steeds niet gevonden.

Ik verwees hierboven naar Zimbabwe. Ook daar bezit een etnische minderheid van nauwelijks één procent meer dan zestig procent van het vruchtbare land. En ook daar spoelde een door politieke machthebbers gemobiliseerde golf van haat over het land. Iets vergelijkbaars geldt voor de slachtingen in Rwanda, de pogroms tegen de Chinezen in Jakarta of de concentratiekampen in het voormalig Joegoslavië. Steeds gaat het om geweld jegens etnische minderheden die generaties lang de markt in handen en de politici in hun zak hadden, en nu plots het slachtoffer worden van felle haatcampagnes.

Dergelijke uitbarstingen waren er vroeger ook, maar sinds de jaren negentig is de positie van de etnische minderheden kwetsbaarder geworden. In haar recente boek World on fire zet Amy Chua uiteen dat de geweldsexplosies eenzelfde patroon hebben. Telkens gaat het om het op elkaar botsen van drie krachten die zich wereldwijd voordoen: economische liberalisering, democratisering en etnische haat. Onder bepaalde omstandigheden gaan deze krachten verbindingen aan, die een vernietigende werking hebben. De Ibo's in Nigeria, de Indiërs in Fiji, de blanke boeren in Zimbabwe, de Libanesen in grote delen van Afrika, de Chinezen in Zuidoost Azië, of de Kroaten in het voormalig Joegoslavië weten daarover mee te spreken. Allemaal ontdekten ze tot hun ontsteltenis dat de reeds bestaande haat een democratisch gelegitimeerde stem kreeg. Het probleem is dat economische tegenstellingen vrijwel altijd etnisch gekleurd zijn. Westerlingen denken bij economische ongelijkheid aan klassentegenstellingen, maar in de meeste gevallen worden die langs etnische lijnen uitgevochten – dat geldt inmiddels ook voor Nederland. Onder dergelijke omstandigheden kan democratie tot mobilisatie van etnische haat leiden. Democratisering zorgt in veel gevallen voor rising expectations, geeft de armen hun gevoel van waardigheid terug en schept zo een markt voor politieke onvrede die maar al te snel een etnische gedaante aanneemt. Door de economische liberalisering worden de rijken rijker, door democratisering krijgen de armen een politieke stem. 

Dorp

Op wereldschaal vormt het Westen net zo'n economisch dominante minderheid als de Chinezen in de Filippijnen. 11 September past dan ook in hetzelfde patroon. Ook westerlingen zijn het voorwerp van politieke haat geworden. Geen plek op aarde leek verder weg dan Afghanistan, maar uitgerekend daar werd de aanslag op de Twin Towers voorbereid. Als gevolg van globalisering is de wereld in een global village veranderd, maar denk niet dat het in het dorp pais en vree is. Integendeel, de haat is nog nooit zo nabij geweest.

In het besef een kleine maar machtige minderheid te vormen moet het Westen nu besluiten hoe om te gaan met de haat en de ongelijkheid. De keuze lijkt die tussen de unilaterale politiek van de Amerikaanse president Bush, of de multilaterale politiek van een aantal Europese en niet-Europese staten. Volgens de Amerikaanse politicoloog Robert Kagan leven de Amerikanen in een Hobbesiaanse wereld waarin militaire macht het middel is voor verwezenlijking van internationale doelen, terwijl Europeanen naar een Kantiaanse wereld streven, waarin regels, wetten en verdragen de basis van transnationale onderhandelingen vormen. Velen menen dat het hier een verschil van mening betreft tussen Europa en de VS, maar men vergeet dan dat een toenemend aantal vertegenwoordigers van internationale organisaties als het IMF, de OECD of de Wereldbank en de meeste ngo’s zich van de politiek van Bush afkeren. Hetzelfde geldt voor landen buiten Europa als Canada, Zuid-Afrika of Costa Rica.

Een keuze voor een Kantiaanse wereld betekent dat een beslissing over een oorlog tegen Irak een multilaterale in plaats van unilaterale verantwoordelijkheid is. Alleen dan kan een oorlog eventueel bijdragen aan de versterking van een internationale rechtsorde, waarin zowél de fysieke veiligheid van economisch dominante minderheden áls de kansen van de minst bedeelden verbeterd worden. Of het nu om migratie, de bestrijding van misdaad, de markt of het milieu gaat, staten kunnen die problemen niet langer in hun eentje oplossen. Als zelfs welvarende landen betrekkelijk machteloos staan tegenover ontwikkelingen op de wereldmarkt, dan kan men zich voorstellen hoe sterk dat voor de arme landen geldt. Alleen samenwerking tussen landen kan voor een humaan beleid en duurzame economische ontwikkeling binnen landen zorgen. Dat geldt zelfs voor een supermacht als de VS. De militaire overmacht van de VS staat buiten kijf, daarmee kunnen de VS overal in de wereld angst en ontzag inboezemen. Gezien de haat die jegens het Westen bestaat is die militaire overmacht ook hard nodig – maar dan niet slechts voor het inboezemen van angst en ontzag. Direct na 11 september kwam de Engelse premier Tony Blair tot de volgende conclusie: “Eén illusie is [door deze aanval] de bodem ingeslagen: dat we het Westerse goede leven kunnen leiden zonder acht te slaan op hetgeen zich elders in de wereld afspeelt. De drakentanden zijn gezaaid in de vruchtbare bodem van niet gecorrigeerd onrecht, van jaren voortwoekerende conflicten, van mislukte staatsvormingen, van armoede en ontbering."

Twee euro

Dit inzicht van Blair heeft de buitenlandse politiek van de rijke landen echter nauwelijks beïnvloed. Alle aandacht is gericht op de bestrijding van het internationale terrorisme. Over de ‘oorlog tegen de armoede’ hoor je bijna niets meer. Sterker nog, steeds vaker gaan in de rijke landen stemmen op voor afschaffing van de ontwikkelingshulp. Onderontwikkeling wordt volledig toegeschreven aan de 'corruptie' van de lokale machthebbers, waarmee men voor het gemak vergeet hoe westerse banken, regeringsleiders en ondernemers bij deze machthebbers altijd in de rij stonden om hun diensten aan te bieden.

Door alle aandacht voor oorlog zou men bijna vergeten dat er veel meer mensen door armoede dan door geweld omkomen. Een derde van alle doodsoorzaken in de wereld is armoedegerelateerd. Volgens cijfers van de Wereldbank is armoede de laatste jaren aan het afnemen – van 29 procent van de wereldbevolking in 1990 naar 23 procent in 1999. Dat geldt met name voor India en China. In Afrika beneden de Sahara neemt de armoede juist toe. Als de cijfers over een wereldwijde daling kloppen, zal het in dit tempo nog vele tientallen jaren duren voordat iedereen boven de twee-euro-grens leeft. Van de afspraak gemaakt in 2000 door de regeringsleiders tijdens de millenniumconferentie van de VN dat in 2015 het aantal mensen dat beneden de armoedegrens leeft gehalveerd zou zijn, komt naar het zich laat aanzien niets terecht. Terwijl de rijke landen inmiddels zo rijk zijn dat een afdracht van slechts 1,2 procent van het totale inkomen van de 'hoge inkomenslanden' – ongeveer 300 miljard euro – voldoende is om iedereen in de wereld boven de door de Wereldbank vastgestelde armoedegrens te brengen. In tegenstelling tot de communis opinio kan de armoede in de rest van de wereld worden verholpen zonder dat dit een wezenlijke aantasting vormt van de kwaliteit van leven in de rijke landen.

Verschillende critici hebben er op gewezen dat de economische recepten van het IMF en de Wereldbank tegen armoede niet goed werken. Kort samengevat luidt die: stimuleer economische liberalisering, dat is goed voor de groei en daar profiteren ook de armen van. In de praktijk is er slechts af en toe sprake van zo’n trickle down effect. De voordelen van de economische groei in de jaren negentig zijn ten goede gekomen aan de rijken, zowel binnen (arme) landen als op wereldschaal. De inkomenstegenstellingen zijn nog grotesker geworden. 

Vertrouwen

Als economische liberalisering niet leidt tot verbetering van het lot van de allerarmsten, zal het Westen – om nogmaals Blair aan te halen – de haat blijven oogsten van ‘niet gecorrigeerd onrecht’ en ‘jaren voortwoekerende conflicten’. Het vervelende is dat wat geldt voor liberalisering ook geldt voor democratisering. In een onlangs onder auspiciën van het World Economic Forum gehouden enquête blijkt dat mensen wereldwijd hun vertrouwen in de bestaande democratische instituties verliezen. Dat is het geval in Oost-Europa, Latijns-Amerika, Afrika en Azië. Democratisering blijft steken op een laag niveau; hardnekkige corruptie en machtsmisbruik doen het geloof in democratie verschrompelen. Dat geldt ongeacht cultuur of religie. Sterker nog, een van de redenen waarom mensen religie tegenwoordig zo belangrijk vinden, heeft te maken met het feit dat ze meer hun religieuze dan hun politieke of economische leiders vertrouwen.

Hiermee is niets gezegd tegen vrijemarktorde of tegen democratie. Wel tegen het soort liberalisering en democratisering. We moeten attent zijn op het feit dat er uiteenlopende vormen van kapitalisme en verschillende typen democratie bestaan. Wanneer de vrijemarktorde gepaard gaat met reguleringen van de markt die systematisch in het voordeel van de sterkste spelers uitvallen dan is het niet verbazingwekkend dat die marktorde tot onrust en instabiliteit leidt. Hetzelfde geldt voor de democratie. Zonder constitutionele garanties die goed zijn afgestemd op de situatie ter plekke is democratie een gevaarlijk middel om openheid, verantwoordelijkheid en transparantie te bevorderen. Om het verloren vertrouwen te herwinnen zijn institutionele hervormingen nodig die beter rekening houden met de lokale omstandigheden, sneller door betrokkenen herzien kunnen worden en er scherper op toezien dat de regels niet alleen door de machtigen worden gemaakt. Of het nu om eigendomsrechten, publieke of private stelsels van financiering, internationale handel, onderwijs of arbeidsmarkten gaat, de cruciale vraag blijft telkens hóe die vorm te geven (in instituties) zodat ze tot resultaten leiden die de kwaliteit van ieders leven bevorderen, niet van enkelen. 

Te vaak is economische liberalisering tot een doel op zich verheven. Het neoliberale ontwikkelingsmodel is niet zaligmakend, laat staan een panacee. In veel gevallen heeft het niet tot economische groei, maar tot stagnatie en verharding van etnische tegenstellingen geleid. Om open en stabiele samenleving te realiseren is niet alleen een beter sociaal beleid en een effectievere controle van kapitaalstromen nodig, maar dient men meer aandacht te besteden aan de juiste institutionele inbedding van democratieën en vrije markten. Simpel gezegd gaat het om de volgende vraag: hoe er voor te zorgen dat mensen zoveel mogelijk een gelijke toegang krijgen en houden tot informatie, markten, kapitaal, onderwijs, opleidingen en technologie? Dat geldt niet alleen op lokaal, maar ook op nationaal en supranationaal niveau. Daarvoor zijn nieuwe vormen van democratisering nodig. Niet alleen van de politiek, maar ook van de economie. Dirigisme vanuit Washington of New York werkt niet, net zo min overigens als staatsdirigisme. 

Replica’s

Het probleem is niet zozeer dat er economisch dominante etnische minderheden in de wereld zijn, wel dat hún welvaart onvoldoende de welvaart van állen bevordert. Economische concurrentie is prachtig, maar niet als dat verscheurend werkt en verliezers onvoldoende respect en kansen krijgen om het opnieuw te proberen. Voor stabiele ontwikkeling zijn omgevingen nodig waarin mensen elkaar kunnen vertrouwen en hen voldoende zekerheid wordt geboden om te kunnen experimenteren. Een staat of het IMF kan dat vertrouwen door een model op te dringen niet van bovenaf opleggen. Maar ze kan wel als centrum voor kennis en als intermediair functioneren, en ontwikkeling helpen financieren die aan de ene kant de armen niet uitsluiten en aan de andere kant voorkomen dat de rijken hun economische en politieke macht misbruiken.

De voorstanders van de vrije markt, de rechtsstaat en de parlementaire democratie hebben ongelijk. Niet omdat hun principes verkeerd zijn, maar omdat ze instituties voorstaan die niet overal die principes weten te realiseren. Er is niets mis met mensenrechten, verzet tegen corruptie of pleidooien voor democratie. Er is ook niets mis met het geloof in marktwerking. Integendeel. Er is alleen iets mis met de neiging die idealen in steeds dezelfde vorm te willen gieten. Soms zullen open samenlevingen niet met dezelfde, maar met andere instituties tot stand moeten worden gebracht. Als er iets irritant aan het Westen is, dan is dat wel haar geloof in institutionele convergentie. Open samenlevingen hoeven niet per se de replica's van Westerse te zijn. 

Literatuur:

Het artikel van Amy Chua, 'A World on the Edge', staat in de Wilson Quarterly, Augustus 2002, Deel 26, nummer 4, p. 62. e.v. Het artikel is een samenvatting van haar boek: World on Fire: How Exporting Free Market Democracy Breeds Ethnic Hatred and Global Instability, dat onlangs bij Doubleday is uitgekomen. Robert Kagans contrast tussen Europa en de VS is te vinden in Robert Kagan, Of Paradise and Power: America and Europe in the New World Order, Alfred A. Knopf, 2003. De cijfers over de tegenstellingen tussen arm en rijk zijn keurig op een rijtje gezet door Thomas Pogge, respectievelijk in de algemene inleiding van Global Justice, Thomas Pogge, ed., Blackwell 2001 en in World Poverty and Human Rights, Thomas Pogge, Polity Press, 2002, hoofdstuk 1. De resultaten en verantwoording van de wereldwijd uitgevoerde enquête over het vertrouwen in instituties en leiders is te vinden op de website van het World Economic Forum, www.weforum.org. Kritieken op de 'Washington consensus' zijn er legio. Voor een interessante poging de ideologie van de vrije markt te onderscheiden van het pleidooi voor open samenlevingen en een vrij verkeer van goederen, kapitaal en mensen, zie de website van het Seminar on Economic Development, www.sopde.org en de discussie aldaar.

Gerelateerde artikelen