10 minuten

De jas van GroenLinks

Een partij voor kleine kring?

Femke Halsema heeft met ‘vrijzinnigheid’ GroenLinks een nieuwe ideologische jas gegeven. Maar hoe ruim of krap is die jas? Is de GroenLinks een partij geworden voor een kleine kring? Na drie verloren verkiezingen is die vraag relevant. Een zoektocht.

Het overkomt me nog zelden dat iemand vraagt naar de ‘bloedgroepen’ in GroenLinks, maar als het gebeurt leg ik geduldig uit dat daarvan weinig tot niets meer te bespeuren valt. Daarvoor is een goede verklaring. In tegenstelling tot het CDA waarin nog steeds katholieke en protestantse bloedgroepen bestaan, zijn bij ons de bronnen van de verschillende stromingen opgedroogd. Er is geen aanvoer meer van nieuwe pacifistisch-socialisten, communisten, radicalen, evangelischen. Tegelijkertijd is er dan de vraag: wat is hiervoor in de plaats gekomen? Is GroenLinks in ideologisch opzicht een ruime jas of een krap colbertje? Met het dalende scoreverloop van drie verkiezingen achter de rug lijkt me deze vraag zeer de moeite van het bespreken waard.

Wat GroenLinks allemaal niet is, is snel op te sommen: geen pacifistische partij, geen communistische partij, geen evangelische partij. We zijn in ideologisch opzicht niet eenvoudig op klassieke wijze in te delen. Wat we wel zijn, dat is – afgezien van de vooral programmatisch te begrijpen termen groen en links – lange tijd niet zo duidelijk geweest. Toen Femke Halsema voor het eerst zei dat we ‘vrijzinnig’ zijn, gingen her en der de wenkbrauwen omhoog. Toch duidde zij op iets wat velen in de partij eigen is, namelijk een vrijheidlievende en een ondogmatische inslag. Zij zette deze tot dan toe vanzelfsprekende uitgangspunten om in een bewuste koers. Een politiek klimaat waarin het beperken van vrijheden en het aanhangen van dogma’s overheersen, geeft aanleiding tot een strijdbare vorm van vrijzinnigheid. Halsema heeft die aanleiding creatief te baat genomen.

Het zou jammer zijn als deze lijn zou worden opgevat of zou werken als een nieuw ideologisch keurslijf. Zeker voor de categorie ‘vrijzinnigheid’ zou dat een paradoxale uitkomst zijn. Ik wil hier onderzoeken voor wie de partij ruimte biedt.

Het eerste wat opvalt, is dat er in de partij geen plaats meer is voor maatschappelijke blauwdrukken. Dat is voor in ieder geval twee traditionele stromingen uit het verleden een verandering. Zowel PSP als CPN had een programma dat uit was op een socialistische maatschappij. Dat was een tamelijk concrete voorstelling van een mogelijke andere samenleving, met andere eigendomsverhoudingen, een andere rol voor de staat, een andere plaats voor de markt, een andere economische logica. Zulk modeldenken is verlaten. GroenLinks staat hierin beslist niet alleen, integendeel. Zowel in Nederland als daarbuiten is politieke organisatie op grond van de verwachting van een compleet ander maatschappijtype bijna geheel verdwenen. In de plaats van een maatschappijmodel is nu een oriëntatie op maatschappelijke waarden gekomen.

Vakbeweging

In de verkiezingsprogramma’s van GroenLinks staan vier kernwaarden centraal: sociale rechtvaardigheid, ecologische duurzaamheid, democratische openheid en internationale solidariteit. Het lijkt mij dat alle erflaters van GroenLinks zich in deze waarden kunnen terugvinden. Waarden zijn echter minder concreet dan modellen. Ze zijn minder aanschouwelijk. De vraag ‘Waar Gaan We Heen’ blijft zonder antwoord. Nu was het ooit gegeven antwoord weliswaar utopisch, maar dat doet niets af aan de functie van zo’n wensbeeld. Het voordeel van waarden boven modellen zou moeten zijn dat ze meer ruimte laten voor verschillende politieke toespitsingen. Is die ruimte er en gebruiken we haar?

In de discussie rond de vrijzinnigheid zijn twee van de vier kernwaarden aan de orde gesteld. Sociale rechtvaardigheid is rechtstreeks in het geding als het gaat om het eerlijk delen van de vrijheid. De keuze voor de outsiders op de arbeidsmarkt en dus voor de kansen op werk en goed inkomen voor laaggeschoolden en op deeltijdarbeid aangewezen jongeren, allochtonen en vrouwen, legt een verbinding tussen vrijheid en rechtvaardige verdeling. De discussie die in de partij hierover is gevoerd had in hoge mate een strategisch karakter: is de ingezette lijn haalbaar, speelt hij werkgevers in de kaart, komen we op ramkoers met de vakbeweging? Slechts een enkeling stelde vragen over het achterliggende maatschappijbeeld, met name of er niet te zeer op zelfredzame burgers wordt gekoerst. De kritiek is dat door deze keuze diegenen die de vakbeweging essentieel vinden of die een klassieke verzorgingsstaat wensen van GroenLinks vervreemd raken. Zijn de laatste sociaal-democratisch georiënteerde leden de verliezers van de discussie? Als dat al zo is, dan moeten we er urbane jongeren en deeltijdvrouwen voor in de plaats krijgen, die dan immers als winnaars uit de bus zijn gekomen.

Democratische openheid is in het geding waar het gaat om de vrijheid van meningsuiting, om het open debat, om een toegankelijk publiek domein. In het guurder wordende klimaat na Fortuyn en Van Gogh heeft de GroenLinks-fractie in de Tweede Kamer het opgenomen voor de outsiders van de publieke opinie en zich verzet tegen nieuwe terrorismewetgeving, hernieuwde schoolstrijd en verlichtingsfundamentalisme. Een zeer degelijk vrijzinnig geluid dus, dat binnen de partij aanmerkelijk minder omstreden is en zelfs grote instemming heeft gekregen. Hooguit wenste men dat de kamerfractie op dit punt meer in beeld zou zijn. Op grond van deze waardenoriëntatie zijn zeker geen mensen de partij uit gedreven.

Zowel bij sociale rechtvaardigheid als bij democratische openheid is emancipatie leidraad in het denken. Volwaardig burgerschap van iedereen is waar het om draait. Deze leidraad zal geen discussie opleveren. Dat ligt anders bij de praktische, politieke vraag: hoe geven we die participatie gestalte? Het antwoord op die vraag zal verschillen afhankelijk van waar men het zwaartepunt legt in de rolverdeling tussen staat, markt en gemeenschap. Daar kom ik op terug, maar eerst nog iets over de kernwaarden. De laatste twee kernwaarden, ecologische duurzaamheid en internationale solidariteit, hebben een minder vanzelfsprekende verhouding tot vrijzinnigheid.

Plezier

Met de waarde ecologische duurzaamheid is het groene karakter van de partij in het geding en ze zou daarom permanent object van bespreking moeten zijn. Dat is ze de laatste tijd niet, terwijl er reden genoeg is voor meer aandacht. Afgezet tegen de huidige maatschappij-inrichting is ze een zeer kritische waarde, meer dan de eerste twee. Het is gemakkelijker om onze samenleving als sociaal rechtvaardig en open democratisch te beschrijven dan als ecologisch duurzaam. Zowel de heersende productiewijze als ons consumptiepatroon zijn van dat laatste ver verwijderd. Het besef dat er sprake is van een klimaatverandering heeft recent een kleine schok opgeleverd, maar of die tot veel verandering zal leiden is de vraag. Elke ontwikkelde aardbewoner kan inmiddels zijn eigen toegestane milieuruimte becijferen plus de afwijking daarvan. Maar wat is de daarmee corresponderende leefwijze? Af en toe duikt er een pionier op die vrijwel geen verpakkingen verbruikt, water zuivert en hergebruikt en die zijn eigen uitwerpselen recyclet voor energieopwekking. Hij krijgt geen grootscheepse navolging, ook niet in onze partij. Zijn wij gewoon de groenst mogelijke partij in Nederland of valt er ook bij ons nog veel te winnen? Misschien moeten hier juist wat vrijzinnige reflexen worden bedwongen. Niet elk pleidooi voor aanpassing van onze levenswijze hoeft uit te lopen op diepgroen ascetisme of Pol Potideeën (Nederland terug naar 10 miljoen inwoners!). We kunnen nadenken over zinvolle verbanden tussen vermindering van milieudruk en ontspannen samenleven, bijvoorbeeld minder obsessie met spullen en meer aandacht voor vriendschap, of minder energie uit de grond en meer uit plezier.

Met de internationale solidariteit zijn we op klassiek terrein, maar met twee actuele uitdagingen. Ze heten antiglobalisme en Europa. De partijdiscussie over Europa, in het kader van de ‘grondwet’, ging in hoge mate over de vraag of het Europese project zelf als een vorm van anders-globaliseren kan worden begrepen en als dat niet zo is, of we het dan die kant uit kunnen duwen. Zodra het project alleen als eurocentrisch eigenbelang begrepen kan worden, is het voor heel de partij afgelopen. Maar het lijkt erop dat de belofte van een Europa dat armoede vermindert, rechtszekerheid vergroot en de internationale rechtsorde bevordert, voor GroenLinks nog steeds leeft. Als het gaat over tariefmuren (afbreken) en de mogelijkheden voor immigratie (vergroten), dan zijn we het ook snel eens. Zelfs over militaire interventies om humanitaire redenen tekent zich overeenstemming af: niet langer principiële afwijzing maar discussie over de voorwaarden waaronder. Kortom, het is onomstreden dat onze solidariteit ligt bij de armen en verdrukten in de wereld en dat we de politieke wegen en middelen zoeken om daar inhoud aan te geven.

Ik zie op geen van beide waarden krachten die leiden tot ideologische versmalling van GroenLinks en die stromingen de partij uitdrijven. Beide waarden hebben juist onderbenut potentieel, zeker in combinatie. Er is onder de noemer van duurzame ontwikkeling op internationale schaal heel veel gaande om milieubewuste economische ontwikkeling te combineren met bestrijding van armoede en bevordering van gelijke kansen. Als ‘praktisch idealisme’ een groeiend ding is, dan vindt het op deze thema’s een vruchtbare bodem.

D66

De vrijzinnige koers strookt zo te zien met de GroenLinkse waardenoriëntatie en lijkt de mentale ruimte van de partij niet te verkleinen. Toch schuilt er misschien een adder onder het gras. In het protestantisme kenmerkt de vrijzinnigheid zich niet alleen door zijn ondogmatische inslag en verdraagzaamheid, maar ook door een zekere deftigheid. Sociologisch gesproken is vrijzinnigheid een kenmerk van welgestelden. Vrijzinnigheid wordt geassocieerd met vrijblijvendheid, met gebrek aan verbinding met de harde werkelijkheid, met luxe. Het valt zo bekeken moeilijk te rijmen met een strijdbare opstelling en met verbondenheid met ‘het gewone volk’.

Wat klopt hiervan? Hebben diegenen gelijk die menen dat GroenLinks een soort D66 wordt: open en keurig maar weinig relevant? Het lijkt mij van niet. Wie bijvoorbeeld het jongste verkiezingsprogram leest en vergelijkt, ziet dat het veruit het meest radicale program is van alle partijen, linkser dan dat van D66 en progressiever dan die van PvdA en SP. “GroenLinks haalt het meest overhoop” kopte NRC Handelsblad. En zo is het.

Er is wel iets anders aan de hand. Het is weliswaar makkelijk om te zeggen van wát we de partij zijn, maar niet zo goed van wíe. GroenLinks is de partij van het milieu, en van de rechtsstaat. Maar zijn we daarmee ook de partij van iedereen die een ander landbouwbeleid wil, van degenen die het openbaar vervoer voorop zetten, van allen die leven van de vrijheid van meningsuiting, van iedereen die lijdt onder discriminatie? Concreter, zijn we de partij van conducteurs, buschauffeurs en overtuigde treinreizigers, van biologische boeren en boerinnen, van rechters, advocaten en journalisten, van kunstenaars en schrijvers, van werkende vrouwen, flexwerkers en starters op de arbeidsmarkt, met en zonder migratiegeschiedenis? Hoe zit het, kortom, met onze verbondenheden?

In het veld van markt, staat en gemeenschap kan je als individu verschillende posities innemen (waarbij ‘markt’ staat voor verschillende markten en ‘gemeenschap’ voor verschillende gemeenschappen). Ook binnen GroenLinks bestaan daar uiteenlopende opvattingen over en daar moet ruimte voor blijven. Maar minstens zo interessant als de opvattingen vind ik de feitelijke verbondenheden. Deze variëren van enerzijds de partner, de vriendenkringen en de clubs, tot anderzijds de organisaties, bewegingen en grotere gemeenschappen. Het is een wezenlijke politieke vraag hoeveel van de tweede soort we in huis hebben, en dan doel ik op sleutelfiguren en sociale praktijken. Met andere woorden, hoeveel bindingen met maatschappelijke groepen hebben we? Zoals de PvdA altijd van relaties met de vakbeweging heeft geprofiteerd en het CDA van de boerenorganisaties.

Moslims

Bij de jongste gemeenteraadsverkiezingen bijvoorbeeld bleek de PvdA electoraal sterk te profiteren van haar banden met migrantenorganisaties. Dat ze dit kon doen als een bewezen machtspartij is geen tegenargument. Eerder het tegendeel, ze is juist op zo’n manier een machtsfactor geworden. En de SP zou wel eens op weg kunnen zijn om dit te evenaren. Denk aan de positie die ze zich verworven heeft onder werkers in de zorg.

Mijn stelling is dat de ruimte voor verschillen in de partij samenhangt met de hoeveelheid externe relaties. Als we van mening zijn dat we nu te weinig variëteit aan politieke benaderingen hebben, dan hebben we een maatschappelijke strategie nodig die van GroenLinks een ruimere jas maakt. Door meer verbondenheden te organiseren en groepen binnen te halen neemt zowel onze mentale ruimte als onze politieke relevantie toe. We hoeven onszelf geen geweld aan te doen als we meer banden aanknopen met biologische boeren, met kringloopwinkeliers, met producenten van duurzame waren. We kunnen meer contact maken met progressieve christenen en linkse moslims. Er ligt nog potentieel bij de beoefenaars van creatieve beroepen en bij kunstenaars. We hebben kansen laten liggen bij migrantengroepen en bij homo’s, maar dat is te herstellen. Het vergt de inspanning van de hele partijorganisatie, dat wel. Maar als we meer invloed willen en onze electorale kansen willen vergroten, dan moeten we die weg op.

Als we de partij zijn van kleine kringen, hebben we ook de uitstraling van kleine kringen en de beperkte aantrekkingskracht die daarvan uitgaat. Als we een partij zijn van grotere groepen, bewegingen en gemeenschappen – lichte of iets zwaardere, dat doet er niet toe – dan hebben we de uitstraling van en aantrekkingskracht op groepen, bewegingen en gemeenschappen.

Gerelateerde artikelen