11 minuten

De klimaatschuld van rijk

In Afrika is klimaatverandering al overal zichtbaar. Boeren in Burkina Faso verliezen hun akkers door een overstroming, jagers in Congo moeten wegtrekken uit het gebied van hun  voorouders en overal staat de voedselproductie onder druk. Moeten arme landen desondanks net zoveel bijdragen aan beperking van CO2 uitstoot als rijke landen? Drie bijdragen over klimaatverandering uit het oogpunt van rechtvaardigheid.

Een eerlijk beleid

Augustine Njamnshi
De klimaatschuld van de rijke landen is deel van een bredere ecologische, sociale en economische schuld van de geïndustrialiseerde wereld ten opzichte van de arme meerderheid in de wereld. Die schuld moet worden betaald.

Martin Luther King Jr. zei al dat “onrecht waar ook ter wereld een bedreiging vormt voor gerechtigheid overall ter wereld.” Gerechtigheid in relatie tot klimaat betekent dat mensen overal in de wereld veilig moeten zijn voor gevaar en lijden als gevolg van klimaatverandering. Wanneer ontkend of genegeerd wordt dat dit gevaar en dit lijden wel degelijk bestaan, is er dus sprake van klimaatonrecht.

In Afrika laten talloze voorbeelden zien hoe ingrijpend klimaatverandering de levens van mensen wijzigt en hoe het hun dagelijkse strijd om te overleven bemoeilijkt. Denk bijvoorbeeld aan de veehoeder die veel langer moeten zoeken naar groen gras en water voor zijn dieren als gevolg van de oprukkende woestijn. Of aan de arme vrouw die met blote handen in het zand moet graven en uren moet wachten tot er wat water in het gegraven gat komt. Denk aan mijn oude Afrikaanse moeder die met haar zaaigoed op de drempel van haar hut staat en zich afvraagt wanneer de regen zal komen, omdat ze niet meer zoals vroeger in staat is om het weer te voorspellen. De hele traditionele en sociale structuur, die gebaseerd is op de zaai- en oogstseizoenen, is daardoor in de war. Mijn moeder moet tegenwoordig maar  gokken wanneer het best kan worden gezaaid. En als er dan geen regen komt, of te veel regen op het verkeerde moment, mislukt de oogst. Basisvoorzieningen als voedselveiligheid en onderwijs staan door klimaatverandering onder druk. Droogte in Oost-Afrika en overstromingen in West-Afrika veroorzaken verlies aan mensenlevens en veel schade, waardoor mogelijkheden tot ontwikkeling verloren gaan.  

Afrikaanse landen hebben dus alle reden om zich volop in te zetten in de internationale dialoog over klimaatverandering. Maar het gebrek aan historische verantwoordelijkheid van een aantal rijke landen geeft wel reden om te twijfelen aan het succes van de komende onderhandelingen in Kopenhagen.

Rijke landen hebben een tweevoudige klimaatschuld, namelijk een ‘emissieschuld’ vanwege hun excessieve CO2 uitstoot in heden en verleden, waardoor ze arme landen hun aandeel in de beschikbare ruimte en energie ontzeggen én een ‘adaptatieschuld’ vanwege hun onevenredige bijdrage aan klimaatverandering en de schade die dit veroorzaakt. Deze klimaatschuld maakt deel uit van een bredere ecologische, sociale en economische schuld van de geïndustrialiseerde wereld ten opzichte van de arme meerderheid in de wereld.

De basis van een eerlijk en effectief klimaatbeleid is de erkenning van deze klimaatschuld ten opzichte van ontwikkelingslanden door het Westen in Kopenhagen. Ontwikkelingslanden zullen bij de komende onderhandelingen de volgende eisen op tafel leggen:
- De rijke landen moeten hun adaptatieschuld betalen door een volledige compensatie voor de effecten van klimaatverandering voor de getroffen landen, groepen en mensen.
- De rijke landen moeten hun emissieschuld betalen door te erkennen dat zij in verleden en heden in grote mate bijdragen aan klimaatverandering en zij moeten zich daarom committeren tot de grootst mogelijke reducties in hun eigen landen.
- De rijke landen moeten technologische en financiële middelen ter beschikking stellen aan ontwikkelingslanden om de noodzakelijke beperking van CO2 uitstoot te realiseren en de vereiste aanpassingen aan het klimaat mogelijk te maken.

En terwijl klimaatonderhandelingen tussen Noord en Zuid voortduren, worden de armen allang gedwongen zich elke dag weer aan te passen aan de gevolgen van klimaatverandering. Ik sluit me daarom graag aan bij Kofi Annan, die hierover het volgende zei: “Mensen verdienen het niet te lijden als gevolg van klimaatverandering. Mensen verdienen een toekomst voor kun kinderen. Mensen verdienen leiders die de moed hebben om een oplossing te vinden voor deze crisis”. 

Dit is een vertaling en samenvatting van de presentatie van Augustine Njamnshi op drie oktober j.l. in Utrecht tijdens de klimaatconferentie ter voorbereiding op de onderhandelingen in Kopenhagen, georganiseerd door het milieunetwerk van GroenLinks.

Klimaat als verdelingsvraagstuk

Niels ten Berge en Titia van Leeuwen
Het klimaatvraagstuk is geen technisch, maar een menselijk vraagstuk met eerlijke verdeling als de kern.

De moeder van Augustine Njamnshi uit Kameroen kan door de verschuiving van seizoenen niet meer voorspellen wanneer de regen komt, zoals hij in zijn bijdrage aan de recente Kopenhagenconferentie van het milieunetwerk van GroenLinks vertelde.

Terwijl klimaatverandering in het Westen steeds meer tot een technische en politieke aangelegenheid is verworden, ervaren mensen in Afrika al dagelijks de gevolgen ervan. Toenemende watertekorten en teruglopende oogsten zijn slechts enkele voorbeelden die veel Afrikanen tot wanhoop drijven.

Deze menselijke kant van klimaatverandering en de gevolgen ervan in ontwikkelingslanden ontbreekt nogal eens in het Westerse klimaatdebat. Politici en beleidsmakers hebben dit debat in de afgelopen jaren tot een ingewikkelde spaghetti van cijfertjes en grafieken gemaakt. De klimaatcrisis is daarmee steeds meer een technocratisch boekhoudersverhaal geworden. Dat maakt het steeds makkelijker voor alle betrokkenen om zich achter complexe modellen en indices te verschuilen, of deze vanuit een andere hoek juist aan te vallen. Het klimaatdebat wordt daarmee een gevecht om getallen. Het wezen van het klimaatdebat, namelijk dat het gaat om verantwoordelijkheden, mensen en politieke keuzes, dreigt naar de achtergrond te verdwijnen.

Politici brengen tijdens internationale conferenties het klimaatvraagstuk terug tot een politiek onderhandelingsspel. Een soort kwartetten voor gevorderden. Mag ik van jou de kaart ‘zo en zoveel CO2-reductie’, dan krijg je van mij de kaart ‘zo en zoveel technologieoverdracht’. Dit spel gaat te veel voorbij aan fundamentele vragen over historische verantwoordelijkheid en morele plicht. Het is in hoge mate blind voor de werkelijke gevolgen van de klimaatverandering.

Moeras
Tijdens de eerder genoemde Kopenhagenconferentie werd van verschillende zijden benadrukt dat  klimaatverandering vooral ook een klassiek verdelingsvraagstuk is. Hoe vullen we onze verantwoordelijkheid in voor de komende generaties? Hoe vullen we als het rijke Westen onze verantwoordelijkheid in voor ontwikkelingslanden? Het is belangrijk dat we het klimaatdebat weer tot haar kern terugbrengen.

Natuurlijk ontkom je er bij het aanpakken van klimaatverandering niet aan om concrete, cijfermatige analyses, doelen en ook cijfermatige afspraken te maken die op wetenschappelijke gronden gebaseerd zijn. Afspraken over de mate waarin landen hun CO2-uitstoot terug gaan dringen en over de omvang van klimaatsteun aan ontwikkelingslanden. Maar dat mag niet de aandacht afleiden van het verdelingsvraagstuk. Anders dreigen we in een technocratisch moeras verstrikt te raken, waarbij we de menselijke kant van klimaatverandering uit het oog verliezen.

Augustine Njamnshi benadrukt hoe paradoxaal de werkelijkheid is: terwijl ontwikkelingslanden met de rijke landen onderhandelen over een effectieve aanpak van klimaatverandering, zijn de mensen in ontwikkelingslanden gedwongen om te leven met de gevolgen van de klimaatverandering. Zij hebben geen keus, want met de natuur valt niet te onderhandelen. En in diverse ontwikkelingslanden zitten de mensen in een dubbele klem, als gevolg van de ongelijke verdeling met het Westen en als gevolg van de ongelijke verdeling, zeg corruptie, in eigen land.

Als we straks in Kopenhagen tot een eerlijk klimaatakkoord willen komen, dan zullen we klimaatverandering veel meer ook als een verdelingsvraagstuk moeten zien. Dan is een fooi aan ontwikkelingslanden en een beperkte CO2-reductie, zoals de Europese Unie nu voor ogen lijkt te hebben, niet genoeg, maar moeten we echt onze volle verantwoordelijkheid nemen.

Daarbij moeten we ons goed realiseren dat hoe meer wij rijke landen ons achter cijfertjes en zwakke compromissen verschuilen, des te groter de gevolgen in ontwikkelingslanden zullen zijn. Hoe meer emissies wij de dampkring insturen, des te minder bewegingsruimte is er voor de  ontwikkelingslanden.

Mogen we helemaal niks van ontwikkelingslanden vragen? Natuurlijk wel. Al was het alleen maar omdat we ieders medewerking keihard nodig hebben. Het Westen moet echter niet van ontwikkelingslanden vragen tot gelijkwaardige reducties te komen. Het verzet van ontwikkelingslanden tegen juridisch bindende doelen, is goed te begrijpen.

Het Westen moet technologie-ontwikkeling in ontwikkelingslanden stimuleren, zodat ze zich kunnen aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering (adaptatie) en verdere klimaatverandering kunnen beperken (mitigatie).

Van rijkere ontwikkelingslanden, zoals China, mogen en moeten we vragen om de groei van emissies te beperken. Daar moet dan ook tegenover staan dat wij onze groene technologie delen en bereid zijn te investeren in duurzame ontwikkeling in deze landen.         

Met de armste ontwikkelingslanden moeten we samenwerken aan duurzame economische ontwikkeling. Met de huidige stand van de techniek is het nergens voor nodig dat zij dezelfde vervuilende economieën zouden ontwikkelen als het Westen decennia achtereen gedaan heeft. En juist bij die investeringen in technologieën moet het Westen alert zijn dat die terecht komen bij de mensen die ze nodig hebben en niet blijven steken in de handen van de rijke machthebbers in die landen.

Augustine Njamnshi verbeeldt de oude wijsheid: ‘het persoonlijke is politiek’. Dat besef is essentieel voor een eerlijk en effectief klimaatakkoord in Kopenhagen.

Bereken de verplichting per land

Inge Vianen
De klimaatcrisis kan alleen eerlijk en effectief worden opgelost als ook de ontwikkelingscrisis serieus genomen wordt.

De voortgang van de internationale klimaatonderhandelingen is treurig te noemen. Een impasse dreigt en het slagen van de Kopenhagen klimaatconferentie eind dit jaar staat op het spel. En daarmee ook de veiligheid van miljoenen mensen over de hele wereld. Aan de urgentie van het klimaatprobleem kan dat niet liggen. Het overschrijden van een stijging van de mondiale temperatuur met twee graden Celsius wordt door vrijwel alle wetenschappers en politiek leiders onverantwoord geacht gezien de grote gevolgen: overstromingen, droogten en een stijging van de zeespiegel zijn daar slechts enkele voorbeelden van.

Om de temperatuur zo min mogelijk te laten stijgen, is het noodzakelijk dat mondiaal de uitstoot van broeikasgassen teruggebracht wordt. Daaraan moeten zowel geïndustrialiseerde landen als grote ontwikkelingslanden hun steentje bijdragen. Maar wie gaat wat doen? En wie neemt het voortouw? De grote ontwikkelingslanden wachten voordat ze zichzelf ergens aan committeren op duidelijke stappen van de geïndustrialiseerde landen: stappen zowel om emissies te verminderen als om financiële steun te geven aan ontwikkelingslanden voor schone ontwikkeling. De geïndustrialiseerde landen laten op hun beurt weinig ambitie zien en proberen de lasten te verschuiven naar de ontwikkelingslanden.

De afwachtende houding van de ontwikkelingslanden is niet zo vreemd: het aanwenden van hun eigen nationale budget voor het terugdringen van emissies om de (door ons veroorzaakte) klimaatcrisis tegen te gaan, heeft op hen een hele andere impact dan op geïndustrialiseerde landen. Geen toegang hebben tot schoon drinkwater is van een volstrekt andere orde dan het niet kunnen rijden in een Hummer. De impasse die is ontstaan is dan ook terug te voeren op de onbeantwoorde vraag van ontwikkelingslanden om ruimte voor de verwezenlijking van hun ontwikkelingsaspiraties.

Drempel
De Amerikaanse denktank EcoEquity en het Stockholm Environmental Institute analyseerden de impasse in de klimaatonderhandelingen en ontwikkelden als antwoord de Responsibility and Capacity Index (RCI). Met deze index wordt de verplichting berekend van elk land ter wereld om de klimaatcrisis op te lossen terwijl het recht op ontwikkeling veilig is gesteld. De samenstelling van de index berust op twee factoren: verantwoordelijkheid en capaciteit. Voor de factor capaciteit wordt het nationale inkomen en de inkomensverdeling binnen een land bekeken. De onderzoekers leggen een ontwikkelingsdrempel aan van 7500 dollar per persoon per jaar. Alle mensen die minder dan dit bedrag te besteden hebben, worden ontslagen van de verantwoordelijkheid om het klimaat te redden. Zij hebben immers hun inkomen hard nodig om een fatsoenlijke levensstandaard te bereiken met bijvoorbeeld toegang tot onderwijs en gezondheidszorg. Door deze ontwikkelingsdrempel ontstaat een aangepast nationaal inkomen, waarin alleen de capaciteit van de ‘rijken’ wordt meegenomen om de lasten van het internationale klimaatbeleid te dragen.

Voor de tweede factor, verantwoordelijkheid, wordt uitgegaan van de cumulatieve emissies van ieder land sinds 1990. Ook hierbij wordt een ontwikkelingsdrempel aangelegd die bestaat uit de emissies per persoon per jaar die samenhangen met het bereiken van een fatsoenlijk niveau van ontwikkeling. Het basisjaar 1990 is gekozen omdat toen het eerste rapport van het IPCC, het VN-klimaatpanel, werd gepubliceerd, dat inzicht gaf in de risico’s van klimaatverandering. De RCI-benadering is bijzonder omdat door rekening te houden met de nationale inkomensverdeling de rijke elites in zowel geïndustrialiseerde landen als in ontwikkelingslanden worden aangesproken op hun verantwoordelijkheid om het klimaat te redden.

De twee factoren worden vervolgens even zwaar gewogen en vormen de basis voor de ‘RCI Index’. Nederland heeft in de index de verantwoordelijkheid voor één procent van de wereldwijde CO2 reductie. Ter vergelijking: India heeft met haar 1,1 miljard inwoners een bijna even grote verantwoordelijkheid (1,2 procent) als het veel kleinere maar veel rijkere en meer vervuilende Nederland. De VS heeft een verantwoordelijkheid voor 29,1 procent. Zuid-Afrika, een belangrijke partij binnen de klimaatonderhandelingen, presenteerde de RCI aan de rest van de wereld tijdens de klimaatonderhandelingen in Bonn begin dit jaar. De geïndustrialiseerde landen gaven geen reactie.

Op dit moment liggen de gezamenlijke reductiedoelstellingen van de geïndustrialiseerde landen ver onder wat volgens de RCI nodig en eerlijk zou zijn. Ook zijn de huidige toezeggingen een fractie van wat door het IPCC is benoemd als noodzakelijk. Zelfs als geïndustrialiseerde landen in Kopenhagen meer op tafel leggen dan wat op dit moment door onze overheden wordt bediscussieerd is er nog steeds een zeer reële kans dat de overheden van ontwikkelingslanden hun ontwikkelingsaspiraties in gevaar moeten brengen. Geïndustrialiseerde landen moeten dus niet de illusie hebben dat als zij ontwikkelingslanden vragen een klimaatakkoord mede te ondertekenen, zij hen een eerlijke of rechtvaardige deal aanbieden. Sterker nog, ze zullen hen waarschijnlijk met zowel een pistool tegen het eigen hoofd als tegen dat van hen, smeken hun roep om het recht op ontwikkeling achterwege te laten. Voor ons aller bestwil.

Gerelateerde artikelen