10 minuten

De locatie van het kwaad

De politie trekt grenzen

Met het wegvallen van de landsgrenzen is de lijn tussen wij en zij vervaagd en daarmee ook het onderscheid tussen eigen en vreemd, en goed en kwaad. Dat wordt door velen als bedreigend ervaren. De hoofdcommissarissen van politie pleiten nu voor het trekken van nieuwe grenzen om het kwaad te lokaliseren. 

“Ieder tijdvak heeft zijn eigen beginsel van beweging,” schreef Thorbecke in 1841, “laat men dat slapen dan ontstaat in het volgende tijdvak verwarring van beweging.” De laatste jaren duikt dit citaat meermalen op, vooral als waarschuwing om veranderingen die onvermijdelijk zijn vorm te geven en tijdig bij te sturen. Het is een reactie op de onzekerheid doordat de wereld radicaal groter geworden en veranderd is door het wegvallen van Europese grenzen, technologische innovaties en informatieverschaffing. Natuurlijk zullen, wanneer oude grenzen wegvallen, nieuwe grenzen worden getrokken. De grens is, in de woorden van de Russische cultuurfilosoof Yuri Lotman, een van de cultural universals van het mens-zijn. Een grens scheidt de levenden van de doden, de stad van het platteland, de conservatieven van de progressieven. Het is een (denkbeeldige) lijn, maar ook een metafoor die verwijst naar een ruimtelijke tweedeling tussen ‘binnen’ en ‘buiten’, of ‘hier’ en ‘daar’. Aan die tweedeling worden in elk sociaal-politiek-religieus systeem reeksen tegenstellingen gekoppeld die voor een deel universeel zijn. Binnen wordt bijna altijd gekoppeld aan begrippen als ‘eigen’, ‘goed’, ‘veilig’, ‘cultuur’, ‘geordend’ en ‘onveranderlijk’; buiten is bijna altijd gekoppeld aan ‘vreemd’, ‘kwaad’, ‘gevaarlijk’, ‘natuur’, ‘chaotisch’ en ‘veranderlijk’. Deze binaire opposities zitten verankerd in ons denken en sturen de manier waarop we de wereld waarnemen.

In allerlei onderdelen van de samenleving, zoals landinrichting, wetgeving, geschiedschrijving en opvattingen over veiligheid en cultuur, wordt gebruik gemaakt van territoriale en/of symbolische grenzen om de wereld inzichtelijk te maken, en al die grenzen verwijzen naar elkaar: ze beïnvloeden, weerspiegelen, legitimeren of weerspreken elkaar, groeien naar elkaar toe of raken van elkaar vervreemd. Als sommige van die grenzen gaan verschuiven of gedeeltelijk wegvallen heeft dat een destabiliserend effect: als iets verschuift, gaat de rest ook schuiven – en soms in tegengestelde richting. Het openen van grenzen leidt tot uitbreiding, maar ook tot terugtrekking, tot nieuwsgierigheid en afscherming, tot innovatie en conservatisme.

Chaos

Dat een dergelijke situatie als verwarrend en bedreigend wordt ervaren, komt niet zozeer door het doorbreken van ruimtelijke grenzen, maar door wat die doorbraak teweegbrengt, namelijk het wegvallen van de symbolische grens tussen wij en zij. Wie is vriend en wie is vijand als wij en zij niet meer duidelijk (lees: ruimtelijk) gedefinieerd zijn? Wie hoort er wel en niet tot de kring van mensen die je in principe kunt vertrouwen? Verschuiving, doorbreking of vervaging van ruimtelijke grenzen leidt tot ontmoetingen met mensen die zich voorheen buiten het eigen territorium bevonden. Deze ontmoetingen ondergraven in eerste instantie de eigen culturele identiteit, maar vaak versterken ze die uiteindelijk ook. Als grenzen tussen wij en zij vervagen, worden ze, in reactie daarop, vaak weer heel sterk getrokken. Zo vindt in een cultuur die aan verandering onderhevig is een herwaardering van het eigen verleden plaats, worden cultuurgrenzen sterker gedefinieerd of neemt de behoefte toe om het vreemde opnieuw te definiëren of te categoriseren. Dit gebeurde bijvoorbeeld in Europa in de tijd van koloniale expansie, een periode waarin de ruimte waarin men zich bewoog, enorm uitdijde. De grenzen van Europa kregen nu betekenis, omdat Europa vertrouwder was dan de wereld daarbuiten. De wereldbevolking werd in rassen opgedeeld volgens een evolutionair model dat orde probeerde te scheppen in de verwarrende hoeveelheid informatie die het contact met verre landen en volken had opgeleverd. Maar deze en andere pogingen om de chaos om te zetten in een hiërarchische ordening konden niet voorkomen dat de kennismaking met de buitenwereld ook binnen Europa leidde tot existentiële onzekerheid.

Politie

Die onzekerheid kenmerkt ook deze tijd, dankzij de veranderingen van de laatste decennia. Ze duikt op in de meest onverwachte hoeken. Zoals bijvoorbeeld in de beleidsnota Politie in ontwikkeling. Visie op de politiefunctie (2005), geschreven door een projectgroep onder voorzitterschap van de Amsterdamse hoofdcommissaris Bernard Welten in opdracht van de Raad van Hoofdcommissarissen. De nota heeft als motto het aangehaalde citaat van Thorbecke: “ieder tijdvak heeft zijn eigen beginsel van beweging.” Opening van grenzen, globalisering, anonimisering, immigratie, georganiseerde misdaad en terreur hebben, zo vat de projectgroep samen, geleid tot een toegenomen gevoel van dreiging en kwetsbaarheid bij de Nederlandse burgers en tot politisering van het veiligheidsvraagstuk. Die veranderingen leidden op hun beurt bij de politie tot interne spanningen en tot wrijvingen met publiek en bestuur. De politie bevindt zich in een identiteitscrisis; ze voelt zich ondermijnd in haar gezag en gekoloniseerd door de politiek. Hieruit volgde de noodzaak en behoefte om de eigen taken en identiteit te herformuleren: “de beste manier om met verandering om te gaan, is die verandering zelf te bewerkstelligen”, besluit Bernard Welten in het voorwoord.

In Politie in ontwikkeling wordt een poging gedaan de identiteit van de politie te herformuleren en machtsrelaties in balans te brengen, onder meer door de ruimte waarin de politie opereert opnieuw te benoemen en in te delen. Dat is logisch, het benoemen van ruimte is een manier om controle uit te oefenen. Door een ruimte te benoemen wordt die (opnieuw) geordend; ze wordt ingericht en begrensd.

In de beleidsnota worden twee soorten ruimte tegenover elkaar geplaatst: place of spaces, bestaand uit statische ruimtes met min of meer stabiele, geregistreerde groepen mensen (woonwijken, verenigingen) en space of flows, een beweeglijke, open ruimte waarin personen, goederen en informatie zich voortdurend en vaak anoniem verplaatsen. Deze ruimtes worden in de tekst niet waardevrij beschreven. Ze worden (onwillekeurig) gekoppeld aan de reeks van tegengestelde kwalificaties die hierboven is genoemd: space of flows wordt gekoppeld aan verandering, kwaad, buiten, vreemd, chaos; space of places wordt gekoppeld aan stabiliteit, goed, binnen, bekend, orde. In de in principe veilige, onveranderde space of places is de bekende wijkagent op z’n plaats, die sinds de jaren tachtig optreedt als vriend of scheidsrechter. De toegenomen onveiligheid en het belang om de rol van de politie te veranderen, zou vooral voortkomen uit de space of flows, een ruimte die het effect is van globalisering en anonimisering, en waarin moeilijk traceerbare, vaak internationale criminele activiteiten zich kunnen ontplooien. Een woord als ‘kwaad’ wordt alleen gebruikt in relatie met deze ruimte (pag. 90), en gekoppeld aan andere begrippen uit dezelfde reeks. Elders wordt gezegd dat het kwaad zich ‘buiten’ de maatschappelijke orde bevindt (= in de chaos; pag. 36). Het is een “destabiliserend” soort kwaad dat ervoor kan zorgen dat “afspraken” (lees: orde) worden “gemarginaliseerd”, waardoor binnen (d.w.z. volgens de maatschappelijke orde) opeens niet meer binnen is, maar een randverschijnsel. “Dreiging is onderdeel” geworden van het bestaan (pag.26). Oftewel: het gevaar is binnen.

Heilzaam

Nauwelijks genoemd in de nota, maar onmiskenbaar onderdeel van deze reeks binaire opposities én van de heersende werkelijkheid, zijn de migranten. Migranten horen over het algemeen, zeker in periodes van verwarring en verandering, niet thuis in het rijtje ‘hier’, ‘eigen’, ‘goed’, ‘geordend’ en ‘onveranderlijk’, maar in het rijtje ‘daar’, ‘vreemd’, ‘slecht’, ‘chaotisch’ en ‘veranderlijk’. Er bestaat een oeroude vete tussen nomadische en gevestigde samenlevingen; tussen zigeuners en burgers, veehoeders en landbouwers, allochtonen en autochtonen. Sinds mensenheugenis kleven er voor gevestigde Europeanen negatieve connotaties aan mensen die zich verplaatsen. Ze zouden gewelddadig, ongeciviliseerd en wetteloos zijn, onbetrouwbaar en subversief. Nu terreuraanslagen, grootschalige globalisering en grensoverschrijdend gebruik van techniek gevoelens van onveiligheid en onzekerheid oproepen, worden die gevoelens geprojecteerd op een groep mensen die van oudsher geassocieerd wordt met de bekende negatieve reeks: buiten, vreemd, verandering, gevaar.
De nota Politie in ontwikkeling spreekt over het inzetten van middelen en mankracht om de criminaliteit die de space of flows met zich meebrengt, tegen te kunnen gaan. Daarnaast wordt er gepleit voor een voortzetting van de dicht-bij-de-burgeraanpak op wijkniveau en een uitbreiding van die functie naar andere communities, zoals verenigingen, culturele organisaties of de Consumentenbond. De agent in de wijk krijgt dan een ander, vriendelijker gezicht dan de agent op Schiphol, en ook de verschillende communities zullen op diverse manieren tegemoet getreden worden. In de beweeglijke, anonieme wereld buiten de wijk en vereniging zal de politie niet als ‘vriend’, of scheidsrechter optreden, maar als strenge controleur en bestrijder van het ‘kwaad’. Hiermee zou voorkomen kunnen worden dat in de publieke ruimte verstrekte ‘forten’ ontstaan als compensatie voor het wegvallen van andere grenzen.

De schrijvers lijken daarbij echter over het hoofd te zien dat symbolische ruimtes net zo invloedrijk zijn als geografische ruimtes. In de visie die Politie in ontwikkeling tentoonspreidt, is sprake van een symbolische fortificatie door onderscheid te maken tussen een ruimte met burgers die door de politie moet worden beschermd en een ruimte met kwade indringers tegen wie de politie moet optreden. Nu de landsgrenzen haar (symbolische) functie lijken te hebben verloren, wordt er binnen die landsgrenzen opnieuw een binnen- en een buitenruimte gecreëerd waardoor goed en kwaad weer een eigen locatie krijgen. Het onbedoelde gevolg kan echter zijn dat de polarisatie tussen bevolkingsgroepen toeneemt: degenen die met de kenmerken van de ‘nomadische’ buitenruimte geassocieerd worden, worden door deze tweedeling bijna als vanzelf ‘gecriminaliseerd’, of in elk geval meer dan voorheen als buitenstaander beschouwd.

Ook wordt niet onderkend dat de space of flows, zeker in symbolisch opzicht, voor veel burgers misschien wel meer functioneert als een thuis dan de woonwijk of de Consumentenbond. Niet alleen bevinden zich dagelijks vele forenzen en reizigers in treinen en vliegtuigen, er is bovendien – en dit is inherent aan de globalisering die plaatsvindt – een groeiende groep mensen die haar identiteit niet meer koppelt aan de plek waar ze woont, maar veeleer aan een virtuele of symbolische ruimte. Globalisering gaat over “deterritorialization of social identity that challenges the hegemony of nation-states and their claim to exclusive citizenship” (Rosi Braidotti: Transpositions. On nomadic ethics; 2006). Merolla en Ponzanesi spreken over migratie als ruimte die bewoond wordt, een ruimte van hybriditeit en grensoverschrijdingen, waar “newness enters the world” (in Migrant cartogrophies. New Cultural and literary spaces in postcolonial Europe; 2005). Deze newness is natuurlijk niet in wezen negatief, en al helemaal niet per definitie crimineel, en de burgers die hun identiteit aan deze ruimte ontlenen hebben recht op eenzelfde behandeling als ieder ander. Bovendien: hoe meer de locatie van mobiliteit en grensoverschrijding als een in principe criminele buiten-locatie wordt bestempeld, des te meer het ook een locatie van verzet tegen de bestaande orde kan worden.

Een dergelijke polarisatie kan worden voorkomen door het unheimliche, datgene wat als ordeverstorend en ongrijpbaar en dus als bedreigend wordt ervaren, niet te zien als iets dat van buiten komt, maar als iets dat onvervreemdbaar onderdeel is van iedere samenleving, hoewel het onder bepaalde omstandigheden tijdelijk kan worden bezworen. Niet bezweren levert uiteindelijk meer op dan bezweren. Meer dan een bron van angst en ongemak is het unheimliche uiteindelijk heilzaam.

Betrouwbaar

Hoewel verandering in beginsel door de schrijvers van Politie in ontwikkeling lijkt te worden erkend en geaccepteerd, blijkt uit de manier waarop zij met verandering en de bijbehorende onzekerheid omgaan dat verandering – en alles wat daarmee wordt geassocieerd – tegelijkertijd in een negatief daglicht staat. De kans bestaat dat heersende gevoelens van onveiligheid daardoor uiteindelijk alleen maar worden versterkt. Het verdwijnen van geografische grenzen ondergraaft, volgens de nota, de Nederlandse veiligheid en de identiteit van de politie. De logische, geruststellende tweedeling tussen binnen en buiten is erdoor verdwenen, de rol van de politie verandert en wordt onduidelijk. Om opnieuw duidelijkheid te scheppen wordt er in de ruimte die voorheen in zijn geheel ‘binnen’ en veilig leek (namelijk Nederland) een statische, veilige binnenwereld tegenover een beweeglijke, onveilige buitenwereld geplaatst, waarbij de laatste gekoppeld wordt aan verandering (informatietechnologie), vreemd (migranten), kwaad (georganiseerde criminaliteit), chaos (mobiliteit) en onbetrouwbaarheid (terreurdreiging). Door de ruimte aldus in te richten en haar eigen, gedifferentieerde rol daarin te definiëren, probeert de politie de tegenstellingen waar zij in verstrikt zit op te lossen en het gevoel van veiligheid te brengen waar de politiek om vraagt en de burger behoefte aan heeft.

Het gevolg is echter dat de spagaat waarin ze zich bevindt geconsolideerd wordt en de angst van de burger bevestigt: de ruimte waarin we ons bevinden wordt in tweeën gedeeld op grond van precies dezelfde opposities die ten grondslag liggen aan het gevoel van onveiligheid van de burger, en met de ruimte ook de bevolking en de politie zelf. In de ene ruimte wil de laatste net als vroeger betrouwbaar, integer, onpartijdig, vredelievend, hulpvaardig en gezaghebbend zijn, en in de andere streng en afstandelijk om tegelijkertijd effectief, professioneel, zelfstandig, doeltreffend en verantwoordelijk te kunnen zijn. Hoewel dit misschien tegemoet komt aan een behoefte van politiek en publiek, zal de veiligheid, of op z’n minst het gevoel van veiligheid, op de lange termijn met deze tweedeling niet zijn gediend. Beleidsmakers zullen de zo menselijke tegenstellingen moeten proberen te overstijgen en te overbruggen. Zoals Thorbecke zei: “Ieder tijdvak heeft zijn eigen beginsel van beweging.” Om voor iedereen veiligheid te creëren, zal deze beweging en alles wat daarbij hoort in beginsel omarmd moeten worden – niet buitengesloten. En zal juist de politie onderscheid moeten kunnen maken tussen dat wat gevaarlijk is, en dat wat angst oproept.

Overige literatuur:

- Robin Cohen, Global diasporas: an introduction. London, UCL press, 1997.
- Jacques Derida, Spectres of Marx. The state of the debt, the work of mourning, and the new international, 1994.
- Yuri Lotman, Universe of the mind. A semiotic theorie of culture,1990.
- George Lakoff & Marc Johnson. Metaphors we live by, 1980.

Gerelateerde artikelen