8 minuten

De luiken open!

Internationale samenwerking voorop

Progressieve politici moeten de aanval kiezen in het debat over ontwikkelingssamenwerking en daarbij uitgaan van de samenhang tussen mondiale problemen. Echte internationale samenwerking houdt niet op bij de grenzen van ontwikkelingssamenwerking.

President Barack Obama opent zijn presidentschap met de opmerking dat de wereld is veranderd, dat wij moeten veranderen, en dat hij echte aandacht gaat geven aan internationale samenwerking. Een Amerikaanse president die hiermee aansluit bij het internationale debat over de toekomst van onze planeet en haar inwoners. Een debat waarin de mondiale uitdagingen en oplossingen centraal staan, waar de relaties tussen de financiële crisis, voedselcrisis, klimaat- en milieucrisis, watercrises en tot voor kort de energiecrisis in samenhang worden bezien met armoede, instabiliteit en onveiligheid en gebrek aan menselijke waardigheid. Een geïntegreerd debat, met concrete acties en leiderschap. De uitdagingen zijn enorm.

En wat gebeurt er in Nederland? We lopen allemaal weg met deze nieuwe president en zijn aanstekelijk elan en ambitie, maar tegelijkertijd blijven we steggelen over allerlei triviale zaken van viskommen en paddo’s tot inbraken bij ministeries in een ver verleden of onderzoeken naar oude oorlogen. Geen navolging van Obama en dus geen intensieve debatten over de toekomstige aanpak van mondiale problemen behalve de economie. De simpele discussie over ontwikkelingssamenwerking in de media in Nederland is exemplarisch voor deze armoede aan integrale visie en gevoel van urgentie.

De publieke opinie wordt gedomineerd door ronkende uitspraken van vooral conservatieven als “de hulp helpt niet” en “halvering OS-budget”. Aan de legitimiteit wordt weer eens getwijfeld, een terugkerend fenomeen. Opvallend dat dergelijke twijfel bijvoorbeeld nooit bestaat over ons infrastructuurbeleid. Dat heeft gefaald volgens dezelfde redenering van rechts, want de files rijzen de pan uit. Maar nee, een noodwet, nieuw geld en extra wegen is het antwoord. Het debat over ontwikkelingssamenwerking moet dan ook geen welles-nietes- spelletje worden over legitimiteit. Progressieve deelnemers in de discussie moeten juist de aanval kiezen en een proactief debat voeren dat veel ambitieuzer is dan de huidige ontwikkelingssamenwerking, en zich richten op volwaardige internationale samenwerking. Een internationale samenwerking die erkent dat veel mondiale problemen onderling nauw verbonden zijn, veelvuldig een voedingsbodem kennen in armoede en slecht bestuur, en alleen in samenhang kunnen worden opgelost.

Heilige huisjes

De vermindering van armoede en ontwikkelingssamenwerking blijven in een dergelijk debat erg belangrijk, want een oplossing voor armoede is vaak ook een oplossing voor andere problemen. De huidige ontwikkelingssamenwerking is alleen wel toe aan een frisse wind en reflectie. We moeten enkele fundamentele aspecten weer eens onder de loep nemen, zoals ook geprobeerd door het Wetenschappelijk Bureau van GroenLinks met het pamflet De falende staat van ontwikkelingssamenwerking. Over de achterliggende oorzaken van armoede, de redenen voor verschillen in succes tussen continenten, de rol van religie en cultuur, het effect van echte zeggenschap bij ontwikkelingslanden, de macht van opkomende landen als China en instrumenten van ontwikkelingssamenwerking is zoveel meer te zeggen en om te zetten in beleid.

De discussie moet open zijn en linkse Heilige Huisjes moeten niet worden gespaard. Het eeuwige geloof in projecten en het ongeloof in begrotingssteun is aan verandering toe, want overheden moeten juist een kans krijgen om hun eigen middelen te plannen en te beheren. De idealisatie van maatschappelijke organisaties en het wantrouwen jegens de overheid, zowel hier als daar, is aan herziening toe, want beide zijn echt noodzakelijk voor een dynamische samenleving. De overtuiging dat het Westen en zijn instituties de oorzaak zijn van alle armoede, en ontwikkelingslanden slechts een slachtoffer, heeft zelfs perverse gevolgen voor beleid gehad, zoals de kwijtschelding van miljarden aan schulden van ontwikkelingslanden, zelfs van corrupte landen als Nigeria (20 miljard euro). Het ontwikkelingsbeleid en de uitgave van 5 miljard euro kan hierdoor beter, effectiever en relevanter worden om mondiale problemen echt op te lossen.

Dit debat moet echter niet blijven hangen bij een discussie over betere ontwikkelingssamenwerking, want met onze jaarlijkse 5 miljard en de internationale 100 miljard worden de mondiale armoede en andere mondiale problemen niet opgelost. Daarvoor is veel meer nodig. Echte internationale samenwerking houdt namelijk niet op bij de grenzen van ontwikkelingssamenwerking. Het gaat over het gehele overheidsbeleid, de private sector en maatschappelijke organisaties. De afgelopen decennia is dit helaas onvoldoende gebeurd. De Nederlandse solidariteit en morele verontwaardiging over mondiale armoede en andere problemen werden geparkeerd bij een aparte minister voor Ontwikkelingssamenwerking met een beschermd budget. Dit werd aangevuld met kleine initiatieven buiten ontwikkelingssamenwerking om mondiale problemen op te lossen, zoals een beetje inzet voor de armste landen in de WTO, een handvol politieagenten en enkele tientallen mariniers naar Afrika, veel grote woorden maar weinig nieuw geld rondom de klimaatproblematiek, stevige kritiek op mensenrechtenschenders uit kleine landen en andere beperkte pogingen.

Verlicht eigenbelang

Het moet veel ambitieuzer met veel meer visie, vanuit de hele overheid en het liefst gedragen door Europa. Dan heeft een geïntegreerde aanpak van mondiale problemen een echte kans van slagen. Zo’n aanpak moeten we niet alleen doen voor arme mensen in ontwikkelingslanden, maar ook gewoon voor onszelf. Wij hebben direct baat bij een stabiel klimaat, minder boevenstaten die drugs, mensensmokkelaars en terroristen voortbrengen of internationale afspraken die de globalisering reguleren. Verlicht eigenbelang is en blijft daarom cruciaal om voldoende draagvlak te krijgen voor ambitieuze internationale samenwerking en meer te kunnen doen dan een minister voor Ontwikkelingssamenwerking en zijn budget.

Ministeries, bedrijven en andere organisaties moeten prioriteit geven aan deze doelstelling, vrijwillig of gedwongen. De internationale agenda moet de nationale agenda gaan domineren, en niet met woorden, zoals nu te vaak het geval is, maar met inzet van mankracht en geld. Internationaal beleid moet gaan gelden als topprioriteit en niet als leuk exotisch extraatje. Dat geldt trouwens ook voor Kamerleden die veel te veel nationaal zijn georiënteerd.

De verandering van zo’n visie zal vooral een mentaliteitsverandering moeten betekenen bij Economische Zaken en Landbouw. Zij moeten veel meer pro-ontwikkelingslanden worden en minder strikt opkomen voor Nederlandse sectoren. Een pro-armoede standpunt in WTO en bij landbouwhervormingen in de EU is een eerste stap voor de aanpak van mondiale armoede. Het tegengaan van overbevissing via stopzetting van slechte visserijverdragen met ontwikkelingslanden moet hoger op de agenda. Harder optreden tegen fout hout en meer bescherming van internationale biodiversiteit en tropisch regenwoud is essentieel in verband met klimaatverandering. Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen in alle facetten moet eens echt serieus worden genomen binnen de burelen van Economische Zaken.

Justitie heeft ook een belangrijke bijdrage te leveren door Nederlandse ondernemingen die zich schuldig maken aan corruptie in OS-landen te vervolgen, ondersteuning te bieden aan landen als men vermoedt dat zwart en corrupt geld is doorgesluisd naar Nederlandse banken of bedrijven, en door oorlogsmisdadigers vaker te vervolgen. Diplomatie moet veel meer ingezet worden voor alle mondiale problemen in plaats van vrede en veiligheid en de relaties met de VS. De financiële stimuleringspakketten van Financiën moeten aansluiten bij een mondiale Green New Deal. En de Nederlandse nationale en internationale inzet tegen klimaatverandering zouden zo ambitieus moeten zijn dat het een wenkend perspectief vormt voor anderen. Het zijn slechts enkele voorbeelden van een ambitieuze internationale samenwerking die ook prima zijn te vinden bij de andere ministeries en zelfs provincies of gemeentes. 

En ook hier moeten enkele progressieve heilige huisjes eraan. Internationale samenwerking gericht op bestrijding van mondiale armoede en andere problemen kan niet zonder een goed functionerend leger, politiemacht en civiele ondersteuning. Veel van de landen aan de onderkant van de ladder van welvaart zitten in conflict, komen er net uit of dreigen terug te vallen. Deze landen verdienen stabiliteit en dat kan ons leger helpen brengen. Het zal dan veel minder gericht moeten zijn op de bescherming van onze landgrenzen, en veel meer op inzet in landen als Afghanistan, maar ook in DR Congo en Somalië, en bij nieuwe conflicten in West-Afrika of Azië. Deze keuze zal natuurlijk gevolgen hebben voor het materieel, type personeel en training, en het grotere aantal risicovolle missies zal mogelijk gepaard gaan met meer verlies van levens. En ja, dat zou allemaal best eens meer geld kunnen kosten dan de huidige 7 miljard. De schotten tussen Defensie en Buitenlandse Zaken moeten ook worden opgeheven. De politie valt ook gewoon onder Binnenlandse Zaken en zo zouden onze militairen moeten vallen onder Buitenlandse Zaken.

Institutioneel en financieel is ook verandering nodig, want de huidige opzet is te gedateerd voor de toekomst. De minister van Buitenlandse Zaken moet worden omgevormd tot een minister van Internationale Samenwerking met zeggenschap over de belangrijkste onderdelen van internationale samenwerking. Deze minister wordt ondersteund door een staatssecretaris voor Ontwikkelingssamenwerking (voorheen minister), een staatssecretaris voor Defensie (nieuwe functie) en een staatssecretaris voor Internationale Handel (voorheen Economische Zaken). In een dergelijk set-up moet ook veel creatiever worden nagedacht over financiering en dus ook ontschotting tussen ontwikkelingssamenwerking en de rest van het beleid voor internationale samenwerking. We moeten afstappen van het symbool van onze solidariteit, de OS-norm van 0,8% BNP. Het onderscheid tussen officiële ontwikkelingssamenwerking en andere uitgaven is vaak moeilijk aan te brengen en eigenlijk niet zo relevant om problemen aan te pakken om een duurzame en stabiele wereld te realiseren. De inzet van militairen in Congo valt officieel niet onder ontwikkelingssamenwerking, maar begrotingssteun en politieagenten wel. Beide zijn essentieel. De technologische ondersteuning van China is wel ODA, maar vloeit voort uit ons eigen belang rondom het klimaat. Deze schotten passen niet langer bij een ambitieuze internationale samenwerking, weg ermee. 

Progressief Nederland moet de aanval kiezen in het debat over ontwikkelingssamenwerking. Met een open vizier, breder en dieper dan voorheen, en niet alleen gebaseerd op solidariteit en morele verontwaardiging maar ook vanuit een verlicht eigenbelang. Essentieel is dat alle onderdelen van de overheid, de private sector, vakbonden, milieuorganisaties, kerkelijke instanties en vele andere maatschappelijke partners moeten volgen, zodat de discussie niet alleen tussen de eeuwige insiders maar zeer breed gevoerd wordt, met de luiken open en op zoek naar een echt geïntegreerd beleid voor internationale samenwerking.

Gerelateerde artikelen