9 minuten

De politiek van de uitgestoken hand

Tijd voor linkse samenwerking

Onlangs verscheen het boek Van de straat naar de staat? waarin twintig jaar GroenLinks besproken wordt. Naar aanleiding hiervan stelt Marius Ernsting zich de vraag naar de toekomst van links: hoe komen we zo snel mogelijk door de bittere kou van rechts populisme heen?

Toen ik half november terugkwam van een rondreis door zuidelijk Afrika, waar vaak het allernoodzakelijkste niet beschikbaar is en de politieke leiders zich weinig aantrekken van de noden van de bevolking, was het eerste bericht waar mijn oog op viel de melding dat de Tweede Kamer per amendement had besloten de rollator, een ding dat zonder veel moeite voor veertig euro op marktplaats te krijgen is, alsnog in het verzekeringspakket te laten. Daarna kon ik meteen meegenieten van het feit dat de PVV, steunpilaar van het VVD-CDA kabinet, bleek te bestaan uit figuren met van alles en nog wat op hun kerfstok. Vervolgens kwamen de berichten over het hak- en breekwerk van de club van Rutte zelf: uitgaven voor lopende programma’s voor natuurontwikkeling, het nationaal historisch museum, de kunsten: streep erdoor. Rutte zei het plastisch, met dat typisch rechtse anti-overheids vocabulaire: “de geluksmachine stopt met draaien”.  Ik kon niet anders dan nog eens constateren dat de verkiezingen van begin juni inderdaad het ergst denkbare resultaat hadden opgeleverd: het was geen boze droom, het was echt. De combinatie die er nu zit, maar vooral ook de motivatie eronder, is meer dan een gewoon rechts kabinet, het is de ultieme afrekening met zo’n beetje alles waar progressieve en linkse partijen en bewegingen de afgelopen veertig jaar voor hebben gestaan en wat ze hebben bereikt.

Hergroepering

Alle reden dus om na het likken van de wonden de vraag te stellen: wat moeten we doen om het verloren terrein terug te winnen, om een wending de goede kant op te bewerkstelligen. De vraag zo stellen geeft al aanleiding voor schrik en een eerste overpeinzing: progressief/links was er toch altijd voor om dingen die er nog niet zijn te bereiken, zoals vrijheid, sociale rechtvaardigheid en democratie? En links was er toch voor om dingen die er wel zijn te bestrijden, zoals uitbuiting, machtsmisbruik en discriminatie? Wij zijn toch van de politiek die moet koersen op wenkende perspectieven, op idealen, op utopieën? Denk maar aan de favoriete uitspraak van Bobby Kennedy “many people see things as they are and ask why, I dream of things that never were and ask why not?”. Bevinden we ons nu in een positie dat we eigenlijk moeten verdedigen wat is en voorkomen dat het erger wordt? Zijn we letterlijk behoudend geworden? Het antwoord moet luiden: inderdaad, want in het verleden behaalde resultaten op het gebied van sociale politiek en mensenrechten, tolerantie, duurzaamheid en mondiale solidariteit geven geen garantie voor de toekomst. De slogan van het manifest uit 1991 GroenLinks, een plaatsbepaling luidde veelzeggend “Het gaat erom de wereld te veranderen om haar te behouden”. Er is in twintig jaar GroenLinks veel veranderd, er is dus veel om te behouden… 

Een volgende overpeinzing gaat over onze linkse/progressieve partijen: PvdA, SP, GroenLinks en D66, samen nu goed voor 65 zetels. In de zeven verkiezingen sinds het ontstaan van GroenLinks in 1989 zaten we alleen in 1998 samen dicht bij een meerderheid: 75 zetels. Bij alle andere verkiezingen kwamen de vier partijen niet verder dan 65 tot 68 zetels, met uitzondering van de ‘Pimdip’ in 2002 (49 zetels!). Het aandeel van GroenLinks schommelt tussen de vijf en de elf zetels. Wordt het nu niet eens tijd dat gegeven onder ogen te zien en werkelijk de handen ineen te slaan, zowel om effectief weerwerk te kunnen bieden tegen het triomfalisme van rechts (nota bene pal na het echec van de vrije markt in 2008 en de nog immer daaruit voortwoekerende financiële crisis), als om een werkelijk reëel uitzicht te openen op een meerderheid voor humane, duurzame en solidaire politiek. Ik pleit dus voor een serieus debat over hergroepering ter linkerzijde, waarbij de vorming van GroenLinks in 1989 de inspiratie biedt: GroenLinks was als zodanig nooit bedoeld als eindstation, maar als een stap op weg naar bestuursverantwoordelijkheid “vanuit een radicaalreformistische kijk op maatschappelijke verandering” (slotzin van “GroenLinks, een plaatsbepaling”).

Voordat nu alom alarmbellen gaan rinkelen: ik heb het niet over fusies, gezamenlijke lijsten, schaduwregeringen of wat dies meer zij. Dat zijn immers vormen, en de ervaring leert dat de boel al snel vastloopt op machtsspelletjes en dubbele agenda’s zodra het debat over vormen gaat. Ik heb het over een hergroepering op inhoud.

Want elke discussie over politieke hergroepering hoort te beginnen met de vraag: hergroepering langs welke lijnen? Anders gezegd: laten we beginnen met opnieuw te doordenken en benoemen wat voor de komende tien jaar wezenlijke markeringslijnen zijn voor de positie van GroenLinks en andere partijen die zich links of progressief noemen. En laten we vervolgens proberen na te gaan waarom er eigenlijk vier (en misschien wel meer) partijen zijn die zich binnen die markeringslijnen bevinden, en waar die elkaar met het oog op de toekomst zouden moeten kunnen vinden.

Identiteit

Wat zijn die wezenlijke punten, van belang voor de hoofdkwesties die in de komende jaren gaan spelen? Welke lijnen onderscheiden ons van het gedachtegoed dat nu de boventoon voert? En wat voor correcties moeten we mogelijk aanbrengen op de lijnen uit het verleden?

Ik zie in elk geval vier punten:

1.  Wij zijn fundamenteel internationaal georiënteerd, in tegenstelling tot het benauwende nationale dat de PVV en de VVD kenmerkt. Let wel, dit gaat niet alleen over Europa, maar ook over het klimaat, de energie, het water en de handelsverhoudingen. Het is niet voor niets dat rechts nooit heeft bedacht dat je ontwikkelingshulp in principe kan afschaffen als ook de landbouw- en exportsubsidies worden beëindigd.  

Tegelijk hebben we in onze ijver voor mondiale rechtvaardigheid misschien te weinig oog gehad voor het gevoel van ontheemding, dat met het verlies van de zuilen, de landsgrenzen, de gulden en de instroom van nieuwe culturen gepaard ging. We zullen serieus de discussie moeten aangaan over het bevorderen van culturele identiteit en de verankering daarvan, als tegenhanger van een terugval op vermeende nationale identiteit.

2.   Wij zijn duurzaam! Tegenover een politiek van economische groei op korte termijn door middel van kapitaalinjecties en verder aangejaagde consumptie stellen wij de noodzaak van economische ontwikkeling gebaseerd op vermindering van uitstoot van schadelijke stoffen en van energieverbruik en verantwoorde consumptie met het oog op betere gezondheid en het tegengaan van uitputting.

Tegelijk zou het voor de geloofwaardigheid en aantrekkelijkheid van dit nobele streven goed zijn onze neiging om dit streven gepaard te laten gaan met profetische onheilsboodschappen (“Kopenhagen is de laatste kans!”) stevig te onderdrukken. Mensen laten zich geen schrik aanjagen door het aankondigen van het einde der tijden, maar laten zich wel overtuigen door een reëel uitzicht op een beter leven, ook voor de generaties na ons.

3.    Wij geloven in de veerkracht van mensen, ook als het ze economisch of sociaal (tijdelijk) minder gaat. In plaats van een sociaal zekerheidsstelsel dat hen gevangen houdt in hun tegenspoed stellen wij alles in het werk om ze met gerichte onderwijsprogramma’s en ondersteuning terug te brengen in het maatschappelijk leven en het arbeidsproces.

Deelname aan maatschappelijke organisaties is daarbij essentieel: het bevordert het vertrouwen in de medemens en in de instituties, en dat is onontbeerlijk voor de wil om te participeren.

Tegelijk zullen we meer oog moeten hebben voor dat deel van de bevolking dat het ondanks deze inspanningen niet redt, gewoon omdat ze niet kunnen of ook omdat ze niet willen. Die laatste categorie, waarvan iedereen wel voorbeelden kent, heeft de bereidheid tot solidariteit aangetast, evenals de politiek die dat op zijn beloop heeft gelaten. Daarom moeten we echt aan de harde boodschap: “degenen die wel kunnen maar niet willen kunnen het schudden!”.

4.   Wij zijn vrijzinnig. De basis van ons denken is geworteld in de vrije mens, die in vrijheid kiest voor zijn levensovertuiging, voor de inrichting van zijn leven, voor het aangaan van sociale verbanden en voor een overheid die hem daartoe de ruimte verschaft. Dit is een wezenlijk notie, die zich principieel afzet, tegen zowel een almachtige overheid als tegen de alles doordringendheid van de zogenaamde vrije markt, waarin de koopkracht en de winst regeert. De civiele samenleving, waaraan in de komende tijd door een verder terugtredende overheid meer en meer verantwoordelijkheden worden toegekend of overgelaten, kan zijn verantwoordelijkheid alleen dragen als die gebaseerd is op een vrije keuze van de burgers en de verbanden waartoe zij willen behoren. Wij verzetten ons tegen moralistische oproepen en maatregelen om die burgerzin te versterken dan wel te herstellen.

Tegelijk moeten we wel onderkennen dat er een spanning zit tussen de burger en de sociale samenleving als die vrije burger niet geneigd is om “het goede te kiezen”, oftewel lekker voor zichzelf gaat ‘en de rest bekijkt het maar’. Vrijzinnigheid zonder continue overdracht van noties van het goede leven en het belang van maatschappelijke verplichtingen ontaardt in een samenleving waarin samen is verdwenen en het leven eenzaam wordt.

Met het bovenstaande is tevens aangegeven op wie wij ons als linkse en progressieve partijen willen richten, welke burgers wij welbewust willen vertegenwoordigen: de wereldburger, de vrije, verantwoordelijke en actieve burger. Overigens zonder miskenning van de onzekerheden en frustraties die alle burgers kennen: over onze identiteit, over het ecologische doemdenken, over onmaatschappelijkheid en egocentrische hufterigheid.

Olijfcoalitie

Bovenstaande punten vormen geen digitale meetlat, in de zin nul of één. Elk punt kent een zekere glijdende schaal van laten we zeggen nul tot vijf: de ene partij zal zich wat meer thuis voelen bij het vrijzinnige, de ander bij het duurzame en weer een andere bij het internationale. Waar het om gaat is dat deze (en wellicht nog andere) punten samen inderdaad constituerende elementen zijn voor een links/progressieve positiebepaling anno 2010, en als zodanig erkend worden door de partijen die van die gezamenlijkheid op inhoud deel willen uitmaken. Hoe dan ook: politieke hergroepering zal moeten beginnen met een eerlijke toetsing van de afzonderlijke politieke programma’s aan bovenstaande punten. Alleen zo kan een overtuigde en overtuigende poging worden gedaan om de dingen die we samen vinden ook samen te doen, dat wil zeggen in het politieke proces tot gelding te brengen. Elke andere insteek zal stranden in tactische omtrekkende bewegingen, oppoetsen van vermeende identiteiten en veronderstelde imagoschade als gevolg van het geassocieerd worden met een andere partij.  

Als we het erover eens zijn dat bovenstaande punten de zaken zijn die er echt toe doen, en dus al het overige in principe onderhandelbaar is, dan is de vraag aan de orde hoe dat in politieke representatie vertaald kan worden. Oftewel, als meerdere politieke partijen het erover eens zijn dat dit voor hen de fundamenten zijn onder hun politieke positiebepaling, dan ligt bij hen de uitdaging om uit te leggen waarom zij eigenlijk niet gezamenlijk optrekken. De bewijslast wordt omgekeerd! Ik zou zeggen: waarom niet eens goed gekeken naar de voors en tegens van een Nederlandse variant van een ‘olijfcoalitie’, zoals eerder in Italië en recenter in België. Ik doel dan op een coalitie van partijen die zich verenigen op een kernprogramma dat gezamenlijke inzet bij de verkiezingen wordt, en dat in de aparte partijprogramma’s verder aangevuld kan worden. Of dat ook meteen gepaard moet gaan met een gezamenlijke lijst zal bekeken kunnen worden, maar het hoeft niet persé. Het gaat primair om de wezenlijke inhoud waaraan deelnemende partijen zich committeren. Wel is het zo dat de deelnemende partijen als coalitie na de verkiezingen gaan onderhandelen over regeringsdeelname: het gezamenlijke programma moet ook tot gezamenlijke macht leiden, anders is de kiezer blij gemaakt met een dode mus.

Ik zou zeggen: als het bovenstaande hout snijdt, als we snel door de bittere kou van rechts populisme heen willen, als we dat verlangen positief willen invullen door gezamenlijk de vraag te beantwoorden wat in de komende tijd wezenlijk is en waarvoor we ook samen willen gáán, en daar een lichte vorm bij bedenken die niet vrijblijvend is, dan blijft er maar één vraag over: wanneer beginnen we?

Gerelateerde artikelen