10 minuten

De populistische uitdaging

GroenLinks moet haar simplistische afkeer van het populisme laten varen en kritischer worden over het verschijnsel van de politieke partij. De partij moet haar koudwatervrees voor de personendemocratie overwinnen.

“Ik vind dat de kiezer voortaan moet bepalen wat er in de VVD gebeurt”, aldus Rita Verdonk tijdens haar (mislukte) couppoging vanuit het Haagse café Plein XIX. Zojuist was bekend geworden dat zij haar eigen lijsttrekker Mark Rutte met 620.522 voorkeursstemmen (goed voor tien Kamerzetels) tegen 553.200 had verslagen. Er moest volgens Verdonk dan ook worden nagedacht over “de cultuur van de partij”. Al eerder, tijdens de nipt verloren strijd om het lijsttrekkerschap, was gebleken dat zij het beter deed bij de gewone VVD-leden dan Rutte, die gold als de kandidaat van de partijtop. Ook ditmaal speelde Verdonk de populistische kaart van “43 procent van de VVD-kiezers tegen 40 partijbonzen” vol bravoure uit – maar opnieuw zonder succes. Het was het bizarre sluitstuk van een sterk persoonsgerichte verkiezingscampagne, waarbij Verdonk tot ongenoegen van het partijbestuur een eigen campagneteam, een eigen website (stemrita.nl) en een eigen tourbus met dezelfde slogan had ingezet. Overigens had ze al bij herhaling laten weten ‘populist’ geen vies woord te vinden: het kwam immers van het Latijnse woord voor ‘volk’, en haar ambitie was om van de VVD weer een echte volkspartij te maken.

Mediakanon

De escapade van Verdonk kan gemakkelijk worden afgedaan als het zoveelste bewijs van de risico’s van een populistische ‘dramademocratie’, die de politiek reduceert tot plat vermaak, vorm zonder inhoud, mannetjes- en vrouwtjesmakerij en ‘u vraagt wij draaien’. Maar die reactie is te gemakkelijk. Het voorval richt de schijnwerper op een aantal dilemma’s die alle politieke partijen parten spelen en die het hart raken van de parlementaire politiek onder de nieuwe condities van de mediademocratie. Zijn politieke partijen het ‘eigendom’ van hun leden of van hun kiezers, of is er geen sprake van een tegenstelling tussen beide? Welke spanningen bestaan er tussen het klassieke ideaal van de democratische ledenpartij en de groeiende praktijk waarbij partijen optreden als catch-all stemmenmachines op permanente campagne? Niet eerder was het effect van de persoonlijke voorkeurstem zo groot dat een tweede geplaatste de lijsttrekker wist te passeren. Het toenemend gebruik en gewicht van voorkeurstemmen laat zien dat kiezers geïnteresseerd zijn in een meer persoonlijke identificatie met politici. Andersom zijn politici zelf steeds meer geïnteresseerd in persoonlijk contact met hun electorale achterban, in het voeren van een persoonlijke campagne en het verwerven van een persoonlijk kiezersmandaat.

Er bestaat een duidelijk verband tussen de praktijk van de moderne campagnepartij en de tendens tot personalisering van de politiek. Anders dan voor een klassieke ledenpartij met zijn ‘vast programma’ en zijn ‘vaste klanten’ is er voor een campagnepartij geen andere manier om te communiceren met de diffuse massa van potentiële kiezers dan via de media. De medialogica zorgt weer voor een verdere personalisering van de politieke communicatie. Fortuyn liet zien dat er voor een ‘mediakanon’ allerlei mogelijkheden zijn om het gevestigde partijenstelsel buitenom te passeren. In zijn spoor hebben de nieuwe rechtse partijen, vanaf de LPF tot en met de PvdV, zich vooral gemanifesteerd als persoonsgerichte campagnemachines zonder noemenswaardig ledenbestand. Maar zoals de verkiezingscampagne van afgelopen november opnieuw liet zien, is tegenwoordig geen enkele partij in staat om zich aan de voortgaande mediatisering te onttrekken, ook niet de partijen die het personalisme zeggen te schuwen en benadrukken dat het niet om de poppetjes gaat maar om idealen en inhoud, zoals de SP, GroenLinks, de ChristenUnie en het CDA.

Ook waar zij op staatkundig vlak werd geblokkeerd (zie de ‘burgemeesterscrisis’ van maart 2005 en de inkapseling van Pechtold als minister van Bestuurlijke Vernieuwing), baant het personalisme zich een weg binnen het gevestigde politieke bestel. Opvallend is dat bijvoorbeeld de burgemeesters, vooral die van de grote steden, zich een steeds sterker persoonlijk profiel aanmeten en, ongeacht hun politieke kleur, voorstander zijn van directe verkiezingen.

Intimiteit

De onweerstaanbare opmars van emailnieuwsbrieven, persoonlijke weblogs, podcasts, Hyves-contacten en semi-autobiografische campagneboeken draagt sterk bij aan de verdere individualisering van de politieke boodschap. Ook organiseren steeds meer politieke partijen rechtstreekse (leden)verkiezingen voor functies zoals die van lijsttrekker en partijvoorzitter, en veranderen daardoor tot op zekere hoogte in ‘plebiscitaire’ partijen (Voerman 2005).

Misschien is het overdreven om te spreken over een ‘crisis’ van de politieke partij (Koole 2006). Maar er is wel degelijk reden om ons af te vragen wat de personaliseringstendens betekent voor de toekomst van partijen, zowel wat betreft hun inwendige structuur als hun functie in het bredere stelsel van democratische vertegenwoordiging. In hoeverre is de personendemocratie een concurrerend beginsel van politieke representatie dat de klassieke partijendemocratie onder druk zet? De persoongerichte politiek lijkt zowel in technologisch als sociologisch opzicht meer up to date dan meer traditionele vormen van politieke vertegenwoordiging. De emotionele directheid van de televisiedemocratie en de grotere zichtbaarheid van individuele politici schept een nieuw soort intimiteit op afstand: die van vrienden en kennissen die men niet ‘echt’ kent maar alleen via de media (Thompson, 2005). Waar partijen hun traditionele functies van mobilisatie van kiezers en van programmatisch debat verliezen, zorgt de mediapolitiek voor nieuwe identificatiemogelijkheden met ‘programmatische personen’: politieke leiders die bepaalde thema’s in een persoonlijke stijl belichamen en juist door die combinatie van inhoud en vorm kiezers aan zich kunnen binden.

Frisse afkeer

GroenLinks heeft deze dilemma’s tot nu toe vooral van zich af gehouden. De partij belijdt een frisse afkeer van elke vorm van populisme en politiek personalisme: zaken die ten onrechte op één hoop worden gegooid. Samen met de PvdA en de SP hield men de gekozen burgemeester in de Eerste Kamer tegen, en veroorzaakte zo mede de val van D66-minister Thom de Graaf. Behalve van het referendum en de republiek moet GroenLinks weinig van de kroonjuwelen van D66 hebben. De partij wantrouwt de republikeinse en plebiscitaire elementen in het denken der Democraten, houdt vast aan de klassieke grondslagen van de parlementaire democratie en gruwt van rechtstreekse verkiezingen van bestuurders, personendemocratie en dualisme. Zij zweert bij een monistische opvatting van de volkssoevereiniteit waarvan de parlementen (gemeenteraad, provinciale staten, de Tweede Kamer) de voornaamste afspiegeling vormen en uitvoerende gezagsdragers van die ‘hoofdmachten’ afhankelijk zijn. Het concept-verkiezingsprogramma wilde de burgemeester zelfs helemaal afschaffen, maar die wilde gedachte werd op het verkiezingscongres weer ingeslikt.

Een goede vindplaats voor dit anti-populistische sentiment is Femke Halsema’s recente interviewboek Over de Linkse Lente. Volgens haar bestaat het populisme uit een aantal misleidende mythes: dat de wil en de belangen van het volk volstrekt eenduidig zijn; dat besturen vooral een kwestie is van willen, doorpakken en simpele oplossingen, en dat die oplossingen voor de grote meerderheid geen nadelen hebben. Zij die niet in de ‘volkseenheid’ passen worden uitgesloten en/of gedwongen tot assimilatie. Populistische politici doen net alsof ze er niet bij horen en geven graag af op ‘de politiek’. Maar die anti-politieke pose is uiteindelijk onhoudbaar en ongeloofwaardig.

Geneuzel

Halsema vindt het debat over democratische vernieuwing dan ook vaak ‘modieus geneuzel’. Uit angst voor het populisme zijn veel politici de afgelopen jaren gaan ‘dwepen’ met het staatkundig programma van D66. Maar voorstanders ervan kunnen zelden duidelijk maken waarom hun voorstellen een remedie zijn voor de veronderstelde kwaal. Tegenover het geklaag over de ‘kloof’ tussen burgers en bestuur, dat wordt gevoed door het idee van een ondeelbare volkswil, verdedigt Halsema dat het juist een probleem is dat er geen kloof bestaat. Politici gaan steeds meer lijken op gewone mensen. Er is juist behoefte aan politici die zich onderscheiden door hun onafhankelijke opstelling, die staan voor hun zaak en die zich minder fixeren op de ‘volkswil’. Daarnaast wantrouwt zij plannen die teveel macht leggen bij direct gekozen bestuurders. Een rechtstreeks gekozen burgemeester kan bijvoorbeeld moeilijk door de gemeenteraad worden gecontroleerd of naar huis worden gestuurd. Dat is geen democratie, maar ‘hoort bij het populistische verlangen naar macho-politiek’.

Maar het populisme zit ingewikkelder in elkaar en stelt grotere uitdagingen aan het bestaande democratische systeem dan Halsema erkent. Ook het meest democratische systeem brengt politieke elites voort met een zelfstandige functie en macht (een ‘eigen verantwoordelijkheid’), die altijd kunnen vervallen tot oligarchisch en regentesk gedrag. Juist daarom is het zaak om de tegenstelling tussen buitenstaanders en gevestigden (de afstand tussen politieke leken en professionals) serieuzer in te bouwen in het bestaande representatieve bestel. Die ‘populistische spanning’ houdt niet alleen de elites bij de les maar biedt ook een structurele opening aan politieke buitenstaanders en vernieuwers. Omdat de kloof zowel positieve als negatieve effecten heeft, moet de wisselwerking tussen politici en burgers ‘over de kloof heen’ levendig en scherp worden gehouden. Dat vraagt om een meer pluralistische democratie met nieuwe vormen van vertegenwoordiging en nieuwe checks and balances.

Koudwatervrees

Door GroenLinks voorgestane vernieuwingen zoals het referendum, het burgerinitiatief en de extra stem op de gewenste regeringscoalitie zijn belangrijke mechanismen om die wisselwerking te intensiveren. Daarom is het jammer dat andere manieren om machten en tegenmachten te balanceren in de democratie in de ban worden gedaan. GroenLinks moet niets hebben van de dualisering van het openbaar bestuur en keert zich nog feller tegen voorstellen om dit dualisme te markeren met behulp van zelfstandige mandaten voor direct gekozen bestuurders zoals de burgemeester, de minister-president of de voorzitter van de Europese Commissie. Zij verzet zich tegen deze vormen van personalisering van de politiek, omdat personen per definitie niet in staat worden geacht de verschillen in de bevolking adequaat te reflecteren en omdat individuele politici niet te veel macht moeten krijgen.

Maar in die gedachtegang wordt veronachtzaamd dat juist een aanscherping van het dualisme via directe verkiezingen van bestuurders de bevolking extra mogelijkheden tot vertegenwoordiging en afrekening geeft (een extra stem op de macht, naast de stem op de controleurs van de macht), en dat daardoor een nieuwe machtenscheiding en wisselwerking wordt geïnstalleerd in het politieke bedrijf zelf. Dat een dergelijke ‘opbreking’ van de volkssoevereiniteit GroenLinks niet zint, laat zien dat zij nog teveel onder invloed staat van dezelfde oerdemocratische (populistische!) eenheidsmythe waartegen zij juist ten strijde trekt. Daarom identificeert zij de vertegenwoordigende democratie met een ‘afspiegeling’ door collectieve organen zoals parlementen en partijen. Vertegenwoordigende democratie is partijendemocratie: politici moeten worden gekozen op basis van het gedachtegoed van een partij. Waar blijft hier het door GroenLinks geroemde individualisme en het recht op anders-zijn?

De ironie is dat sterk partijgerichte partijen zoals de SP en GroenLinks minstens even sterk zijn gefixeerd op de persoon van de lijsttrekker als partijen met minder koudwatervrees voor leiderschap en mediaroem. Bovendien onderschat men hoezeer de politieke partijen in ons huidige systeem een betrekkelijk gesloten elite vormen met trekken van een oligarchie. Ook dit element van de populistische kritiek moet serieuzer worden gewogen. We worden immers niet zozeer door volksvertegenwoordigers als wel door partijvertegenwoordigers geregeerd. De politieke partijen monopoliseren via hun kandidatenlijstjes de selectie van politici. Het partijlidmaatschap functioneert nog steeds als een informeel entreebewijs voor tal van hoge functies in de publieke sector (Baakman 2004). Ook in de vertegenwoordigende organen viert het collectivisme hoogtij en werkt de coalitie- en fractiedwang vaak verlammend op uitingen van politiek individualisme.

Koningin

Mijn stelling is dan ook dat GroenLinks haar simplistische afkeer van het populisme moet laten varen, (zelf)kritischer moet worden over het verschijnsel van de politieke partij, en haar koudwatervrees voor de personendemocratie moet overwinnen. Het districtenstelsel kunnen we daarbij gevoegelijk schrappen (ook D66 horen we daar nauwelijks meer over), want het stelsel van evenredige vertegenwoordiging biedt voldoende mogelijkheden voor persoonlijke profilering, met name via het (verder) verzwaren van de voorkeurstem. Directe verkiezingen van gezagsdragers zoals burgemeesters, Commissarissen der Koningin, de minister-president (en de koningin zelf!) passen bovendien goed in het anarchistische, anti-autoritaire en individualistische erfgoed van GroenLinks. Zij voeden zowel de onafhankelijke opstelling van politici ‘tegenover’ het volk als het ‘volkse’ wantrouwen jegens het altijd dreigende elitisme van politici. Zij ondergraven het monopolisme van politieke partijen en verrijken op die manier de vertegenwoordigende democratie. Daarom kan GroenLinks een afgepaste dosis populisme goed gebruiken om dit anti-establishment-denken nieuw leven in te blazen.

Moet de kiezer dan voortaan bepalen wat er in GroenLinks gebeurt? Dat is een overdreven conclusie. Maar er is wel aanleiding om het democratisch ‘basisme’ en de vanzelfsprekende soevereiniteit van de leden enigszins te relativeren. Ook het Burgerforum Kiesstelsel bepleit een versterking van de rol van de kiezer ten opzichte van politieke partijen door de voorkeursdrempel te laten vervallen. Partijen vormen zelf politieke elites ten opzichte van de groeiende massa van partijloze, zwevende kiezers. En de elite van die elite, het politieke leiderschap van de partij, moet tegenwoordig voldoen aan specifieke, door de medialogica gedicteerde kenmerken, om effectief met dat diffuse kiezerspubliek te kunnen communiceren. Partijen als GroenLinks moeten daarom niet langer vrezen voor een duidelijker (media)profilering van het politieke leiderschap.

Vertegenwoordigende democratie is méér dan partijendemocratie. Andersom gezegd: ook de personendemocratie is een vorm van vertegenwoordigende democratie. Maar het is een vorm van vertegenwoordiging die meer ruimte maakt voor het politieke individualisme van zowel politici als kiezers.

Literatuur:

- N. Baakman, ‘De nomenklatoera in Nederland. Over het verschijnsel van partijpolitieke benoemingen’, in G. Voerman (red.) Jaarboek DNPP 2003.
- Ruud Koole, Politiek en tegenpolitiek in de Nederlandse democratie, Oratie Universiteit Leiden, 8 december 2006.
- John Thompson, ‘The New Visibility’, Theory, Culture and Society, 2006, 22(6).
- Gerrit Voerman, ‘Plebiscitaire partijen? Over de vernieuwing van de Nederlandse partijorganisaties’, in idem (red.) Jaarboek DNPP 2004.

Gerelateerde artikelen