10 minuten

De ramp die meeviel

6 boeken over 2002

Over het politieke rampjaar 2002 verscheen inmiddels een flinke stapel boeken, ook van de hand van betrokken politici zelf. Menno Hurenkamp las er een aantal en werd vol in het gelaat getroffen door de van de pagina's spetterende ijdelheid der hoofdpersonen.

“Bijzonder dit keer is dat de SP binnenkort tot de grotere partijen gaat horen.(...). Het is even wennen voor die partijen die sinds jaar en dag gewend zijn onderling na verkiezingen de poppetjes en de knikkers te verdelen. Maar die tijden zijn over – en dat is maar goed ook. Bij verkiezingen moet er iets te kiezen zijn en het is erg plezierig dat veel kiezers momenteel aangeven meer te voelen voor onze koersvoorstellen dan voor de oude politiek die VVD, CDA en PvdA sinds 1977 gebroederlijk hebben gevoerd.”

Het liep anders. Het in de peilingen lang succesvolle 'nieuw optimisme' van SP-leider Jan Marijnissen werd door kiezer uiteindelijk ondergeschikt geacht aan het gevecht om de macht. De verfoeide oude politiek veerde op volle kracht terug van De Dreun van 15 mei vorig jaar. PvdA, CDA en VVD verzamelden op 22 januari 2003 samen 114 zetels, bijna tweederde van het totaal. Niet dat daarmee de oude glorie hersteld is. Veel mensen hebben er al op gewezen dat diezelfde kiezers die nu ‘los’ zijn met evenveel plezier over een half jaar weer een andere kant op rennen. De dwingende combinatie van opiniepeilingen, elkaar snel en oncontroleerbaar opvolgende media-gebeurtenissen en charisma van de lijsttrekkers veranderen tijdens verkiezingstijd de bodem onder de Nederlandse politieke orde langzaam in drijfzand. 

Maar betekent dat ook dat de democratie niet meer functioneert? Tussen de twee verkiezingen in hebben een aantal journalisten, politici en ex-politici, verslag gedaan van hun avonturen in het politieke rampjaar 2002. Dat gebeurt niet zoveel in Nederland en daarom is het de moeite waard er nota van te nemen. Misschien werpen de boeken een licht op die vraag. Jammer genoeg zijn de schaarse boeken die hier verschijnen ook nog eens altijd geschreven door verliezers – de mannen en vrouwen die sneuvelen in het Haags geweld. Verongelijktheid vertekent daardoor de (geschreven) bespiegelingen, en hoewel je kunt argumenteren dat dit een wezenskenmerk van politici is, moeten de uiteenzettingen toch worden corrigeren voor een zekere door persoonlijk drama gewekte wanhoop. 

Chaos

Want mis is het allemaal! Iemand die het allemaal “zeker weten” heeft zien aankomen is Bram Peper, voormalig burgemeester van Rotterdam, voormalig minister van Binnenlandse Zaken en sinds kort weer gewoon hoogleraar, dit keer aan de Universiteit Nijenrode. In de tijd dat Paars zich realiseerde de greep op de gebeurtenissen kwijt te zijn geraakt, maakte Peper naam met een essay waarin hij het tanende gezag van de politiek aan de orde stelde. Dat essay heeft hij nog maar eens bij de hand genomen om zijn oratie Een dolend land op te stellen, die nu als publicatie is uitgegeven.

Teloorgang van politieke ideologieën en hun voertuigen, de politieke partijen, voortschrijdende emancipatie van de burger, technologische vooruitgang, globalisering, horizontalisering en decentralisatie van het bestuur zetten het bestel van Nederland onder druk, is de analyse van Peper. De politiek verliest zijn greep op de bureaucratie. Er is wel veel beleid, maar weinig sturing, en het is daarom niet gek dat de boosheid van de burgers toeneemt. Gezag heeft geen gezicht meer. Peper wil meer politieke medewerkers voor ministers die zich uitdrukkelijk minder als bestuurder en meer als politicus moeten gedragen door zich met maatschappelijke discussies te bemoeien, en hij pleit voor een parlement dat met een districtenstelsel gekozen wordt.

Een dolend land blijft een hoofdzakelijk politieke oriëntatie op de democratie. Peper houdt maar weinig rekening met het feit dat veel van de boze burgers zich niet alleen niet gerepresenteerd voelen, maar domweg buitengesloten, van de mooie baantjes, van de mooie scholen. Boze burgers die niet alleen zitten te wachten op echte leiders die hun taak “met kloten” uitoefenen, maar ook op gerichte (al dan niet terechte) hulp om hun schijnbaar onoverbrugbare afstand tot de gegoede middenklasse te overbruggen. Dat gezag ook teloorgaat door het aanrichten van chaos in de publieke boekhouding, is iets wat Peper nergens noemt. Dat hij zo achteloos voorbijgaat aan zijn eigen carrière als lid van de PvdA nomenklatoera die zich minstens een decennium lang weinig aantrok van het publieke onbehagen, is dan ook een gemiste kans om zijn bestuurlijke oefening op een hoger, inspirerender plan te tillen. Het zelfreinigend vermogen van de politiek is, ondanks alle niet mis te verstane signalen dat het anders moet, niet groot, zo bevestigt Peper ongewild.

Als je over dat navelstaren meer wilt weten, biedt De Achterkamer van de Parooljournalisten Schulte en Soetenhorst ruim 200 pagina’s inkijk in de zwarte ziel van de PvdA, met als hoogtepunten de unanieme verkiezing van Ad Melkert als nieuwe lijsttrekker en de even unanieme verklaring van iedereen in de PvdA dat zij altijd al hadden gezegd dat het dom was om Ad nummer een te maken. Veel meer dan van een worsteling met het multicultureel drama blijken de sociaal-democraten last te hebben van groupthink waardoor het zicht op de buitenwereld verloren ging. Ook de Strijd om de macht van ex-PvdA spindoctor Jacques Monasch is in dat opzicht instructief, al wordt vooral duidelijk hoe groot de krokodillentranen zijn die politici plengen over de groeiende rol van de media in de politiek. Om een krant of tv-zender van publicatie te weerhouden of juist daar toe aan te zetten worden in verkiezingstijd de meest ruige intimidatiestrategieën ingezet, niet altijd met succes maar wel steevast met veel overtuiging dat dáár de winst te boeken valt.

Pedant

Eduard Bomhoff mankeert het net zo als bovengenoemde heren aan zelfinzicht, met dit verschil dat deze professor wél geestige tikken uitdeelt aan zijn tegenstanders en dat maakt Bomhoffs Blinde ambitie tot een leesbaar boek. Het-is-tragisch-dat-ik snel-weg-moest-want-ik-was-goed-bezig, dat is de boodschap van zijn politieke testament. Afgaande op het boze vernuft waarmee hij de zichzelf verrijkende medisch-specialisten te lijf gaat, kun je je inderdaad slechtere bewindslieden voorstellen. Maar vooral de politici verantwoordelijk voor zijn val moeten er van lusten. “Tegenover mij zaten negen harde werkers en Herman Heinsbroek”, noteert Bomhoff aan het begin van het boek, om geserreerd pagina na pagina hele en halve blunders van de voormalige platenbaas op te dissen. Ook Balkenende deugt niet, want een pedanterik en een slechte crisismanager, en Piet Hein Donner deugt niet, want te lang aan het woord over dingen waar hij geen benul van heeft. Ondertussen feliciteert Bomhoff zichzelf herhaaldelijk met zijn bescheidenheid.

Wat de beschaafde econoom – die Maarten ’t Hart ooit tijdens een wandeling op het Engelse platteland verbood tegen een boom te plassen – naar de grotebekkenpartij LPF bracht, blijft raadselachtig. Zelf houdt hij het er op dat de gezondheidszorg op de schop moest en dat het uitgesloten was dat een andere partij dit zou aandurven. (Bomhoff sloeg in 1994 een uitnodiging van Bolkestein af om minister van Financiën te worden voor de VVD; dat werd toen Gerrit Zalm.) Maar wie het boek goed leest weet beter: Bomhoff had ingeschat dat hij de baas kon worden van de LPF. Dom – al was hij in sommige opzichten wel Fortuyns waardige opvolger, met zijn pleidooien voor vraagsturing, marktwerking en het afrekenen van mensen op hun verantwoordelijkheden. Maar dat streven naar deregulering en ontbureaucratisering stond en staat op zeer gespannen voet met het verlangen van veel burgers naar bescherming en eerste hulp bij ongevallen. Bomhoff zwijgt hier over, en hoe weinig er van dit streven naar ‘nieuwe politiek’ is overgebleven moge blijken uit de LPF van nu, die van veiligheid haar hoofdthema heeft gemaakt.

Anders dan Bomhoff en Peper blijft Jan Marijnissen in Nieuw Optimisme dicht bij zijn eigen biografie. De rookworst-jongen uit Oss neemt het nog altijd onversaagd op tegen het kapitalisme. Hij anticipeert in zijn boek op de verkiezingsoverwinning die niet kwam. Op de achterflap prijzen PvdA-intellectuelen de SP zelfs als de echte sociaal-democratische partij. Marijnissen wil “rechtbreien wat in jaren scheef groeide”. Door betrokkenheid te combineren met overspannen verwachtingen toont hij zich een politicus van het ideaal. Zou het niet mooi zijn als iedereen gelijk behandeld werd, zo luidt de kern van Marijnissens verhaal, waarmee hij min of meer bewust voorbijgaat aan het politieke probleem met welke instrumenten hij dit wil realiseren. Hij laat nog eens zien hoe het marktliberalisme in jaren negentig te ver doorschoot en polemiseert daarbij meer dan dat hij analyseert. Het is in retrospectief makkelijk oordelen dat Marijnissen in zijn boek feitelijk nog oppositie voert tegen Paars, terwijl de radicale scheiding der sociaal-democratische en liberale geesten zich door de nieuwe omstandigheden al had voltrokken - en hij dus vecht tegen een schaduw.

Ophoepelen

Echt fascinerend is alleen het boek over de opkomst en ondergang van Pim Fortuyn. In de ban van Fortuyn, van NRC Handelsblad-journalisten Jutta Chorus en Menno de Galan, verweeft de complexe persoonlijkheid, de merkwaardige politieke agenda en de toevallige omgeving van Fortuyn in zijn laatste jaren op subtiele wijze. Chorus en de Galan schreven een portret dat hem voor je inneemt, niet omdat hij plotseling deugt, maar omdat je hem in zijn onalledaagsheid meemaakt. Hoe hij bij alles wat hij deed va banque speelde. Relaties, vriendschappen, zaken – telkens zoekt Fortuyn de mogelijkheden op om aan zijn dichtstbijzijnden te vragen: steun je me of hoepel je op? Het werd vaak ophoepelen. Zijn succes wordt ook verklaarbaar als je ziet hoe merkwaardig congruent hij is met zijn politieke agenda. Ergernis over omzichtig behandelde kwesties als het migrantenvraagstuk, over gebrek aan erkenning door de gevestigde orde, is zowel Fortyuns persoonlijke brandstof als zijn electoraal kapitaal. Hij zet daarmee de bestaande politieke orde op scherp, maar voor hij tot daden kan over gaan is hij dood. Zijn erfenis lijkt inmiddels niet groter dan de wetenschap dat je je met moed, geld en timing een weg kunt banen door de gevestigde politieke orde. En biedt en passant een legitimatie voor botte taal over migranten. Hij heeft de zwakke plekken van het systeem blootgelegd – maar verder niets.

Het politieke debat is levendig, er dient zich een nieuwe generatie leiders aan, het systeem gedraagt zich responsief, de kiezers lijken in redelijke mate betrokken. In de crisis van de democratie die zich al sinds de herhaalde afkondigingen van het einde van de ideologieën (1960, 1989) voordoet tekenden zich in het rampjaar 2002 geen nieuwe grote ontwikkelingen af. Het populisme maakte met de LPF zijn definitieve entree, maar stijl en inhoud van de vier-wielen-goed, één-kleurtje-slecht partij zijn niet wezenlijk verschillend van de bestaande partijen. Je zou op basis van deze boeken kunnen concluderen dat 2002 eerder een bestuurlijke agenda heeft neergezet dan een sociale. In zijn vele interpretaties lijkt de opdracht de werkwijze van overheid en de politieke partijen te vernieuwen een stuk inzichtelijker dan het vormgeven van het door links en rechts heensnijdende verlangen naar veiligheid én vrijheid.

Je kunt de politieke partijen sinds 15 mei vorig jaar ál te responsief noemen, alleen nog maar bezig met de volkswil. Je kunt je zorgen maken om de kiezer die blijkbaar wel betrokken is, maar alleen bij zijn particulier belang, en niet verantwoordelijk voor de consequenties van zijn verlangens – maar 2002 was eerder een vergrootglas dat even boven langerlopende maatschappelijke ontwikkelingen werd gehouden dan een wezenlijk keerpunt. Misschien hing het vergrootglas wel te dicht op de maatschappij om een echt brandpunt te laten ontstaan, misschien was Fortuyn té excentriek, de boosheid over paarse missers té overdreven, en was de nieuwe politiek té hol, en had juist een iets minder brandbaar mengsel van volksgevoel en mediaslimmigheden een grotere verandering teweeggebracht. Herman Tjeenk Willinks al jaren oude observatie dat de overheid moet terugtreden én optreden is het fundamentele dilemma dat op 15 mei 2002 nogal hard aan de orde kwam. Dat is nog altijd niet opgelost en blijft het daadwerkelijke probleem van de politiek.

Wie ondanks alles naar overeenkomsten of zelfs een uitweg uit de netelige situatie zoekt in de analyses van Eduard Bomhoff, Jan Marijnissen, Jacques Monasch, Pim Fortuyn en Bram Peper, wordt vol in het gelaat geraakt door de spetterende ijdelheid van de verschillende hoofdpersonen, en het daarmee samenhangende vermogen de steven snel te wenden, het verleden te vergeten, en altijd naar voren te kijken. Dat improvisatietalent is een belangrijk kenmerk van de politiek, die immers voor alles 'de boel bij elkaar moet houden', en zo bezien zit dat voorlopig nog wel goed in dit dolend land.

Literatuurlijst:

 - Eduard J. Bomhoff: Blinde Ambitie. Mijn 87 dagen met Zalm, Heinsbroek en Balkenende; Balans, Amsterdam 2002, 176 pagina's
- Jutta Chorus en Menno de Galan: In de ban van Fortuyn. Reconstructie van een politieke  aardschok; Mets en Schilt, Amsterdam 2002, 344 pagina's
- Jan Marijnissen: Nieuw Optimisme; Aspekt, 2003, 137 pagina's
- Jacques Monasch: De strijd om de macht. Politieke campagnes, idealen en intriges; Prometheus Amsterdam, 2002, 327 pagina's
- Bram Peper: Een Dolend Land. Over de politieke architectuur van Nederland; Bezige Bij, 2002, Amsterdam, 101 pagina's
- Addie Schulte en Bas Soetenhorst: De achterkamer. Het drama van de PvdA 1998-2002; Van Gennep, Amsterdam, 2002, 214 pagina's

Gerelateerde artikelen