9 minuten

De tegenaanval

Adviezen voor links uit Denemarken

In Denemarken is al sinds 2001 een rechts minderheidskabinet aan de macht met gedoogsteun van de populistische Deense Volkspartij. De progressieve partijen willen nu eindelijk uit de woestijn, maar welke kant is dat op?

Dit artikel gaat niet over de verschrikkelijke politieke ontwikkelingen uit de afgelopen negen jaar waarin het ‘Deense model’ toonaangevend was. Het gaat niet over de tientallen beperkingen die zijn opgelegd aan buitenlanders, plus hun partners en gezinnen. Ook gaat het niet over de toenemende privatisering van de gezondheidszorg en de steeds groter wordende sociale ongelijkheid na negen jaar conservatief beleid, met bijbehorende belastingverlagingen. Het gaat wél over de manier waarop progressieve partijen zich eindelijk proberen op te richten, zodat ze in 2011 wellicht een kans hebben om de Deense parlementsverkiezingen te winnen.

Wat hebben de progressieven geleerd van hun jarenlange tocht door de woestijn, en hoe hebben ze vooruitgang geboekt? Na negen jaar oppositie kun je rustig zeggen dat het progressieve volksdeel hunkert naar een nieuwe richting. Kostbare jaren zijn verloren gegaan door een gebrek aan binding met de kiezers en het gebrek aan een overtuigende gemeenschappelijke boodschap.

Eerst zal ik ingaan op de schok die volgde op de machtswisseling in 2001. Daarna komt het belang van coalitievorming aan bod, en tenslotte de concrete initiatieven die op dit moment worden ontplooid. Voor progressief Nederland is het zinvol zich te verdiepen in de langdurige crisis van progressief Denemarken, al zijn er uiteraard veel verschillen tussen beide landen. Zo is Nederland in politiek opzicht gefragmenteerder en liberaler.

Draconisch

Anders Fogh Rasmussen werd in 2001 premier na een politieke vloedgolf waarbij zijn partij Venstre (vergelijkbaar met de VVD) aan macht won, net als de Deense Volkspartij (vergelijkbaar met de PVV). Deze verkiezingen werden sterk gedomineerd door de onderwerpen buitenlanders en migratie, waardoor de Deense Volkspartij er in slaagde stemmen van links te winnen. Maar ook Venstre won met soortgelijke opvattingen zeer veel stemmen onder laagopgeleide werknemers.

Sinds 2001 heeft de regering een aantal duidelijke stempels op het land gedrukt: vijftien amendementen op de immigratiewetten, actieve militaire deelname in Irak en Afghanistan, initiatieven op het gebied van privatisering in de gezondheidszorg en belastingverlagingen voor de hoogste inkomens.

Op ideologisch gebied heeft de regering verschillende succesvolle pogingen ondernomen om media, wetenschappelijk onderzoek en cultuuruitingen van progressieve signatuur te bestrijden. Hierdoor heeft het publieke debat een andere vorm aangenomen. Ten eerste werd de geldkraan dichtgedraaid bij meer dan tweehonderd adviesorganen van de regering (en ook bij andere onafhankelijk organisaties). Ten tweede werden de publieke media aangevallen vanwege hun nieuwsgaring en ten derde ging de regering haar eigen deskundigen financieren uit de publieke middelen. Na draconische bezuinigingen op het Ministerie van Milieu creëerde de regering een speciaal fonds voor de ‘klimaatscepticus’ Bjørn Lomborg, en in 2007 waren er al 257 nieuwe adviesorganen die bemand werden door regeringsgezinde deskundigen.

De ideologische strijd met de ‘oude’ deskundigen, media en culturele instellingen bracht bijna geen verlies aan politiek kapitaal met zich mee. De rechtse regering concludeerde terecht dat dit het bewijs was dat sommige van deze gevestigde instellingen weinig steun hadden onder de bevolking.

Tijdens de eerste jaren van de rechtse regering verzwakte links, wat veelal werd toegeschreven aan de populistische agenda van de Deense Volkspartij. Maar er werd angstwekkend weinig gedaan om deze partij te bestrijden. In plaats dat er nieuwe ideeën en beleidsplannen werden ontwikkeld om de steun van het volk terug te winnen, dachten veel mensen dat de kiezers vanzelf zouden terugkomen.

In de eerste vier jaar van de rechtse regering werden vaak stellingen gehoord in de trant van: “Als de Deense Volkspartij instemt met nieuwe bezuinigingen op de sociale zekerheid, zullen de kiezers snel terugkomen bij links, waar ze ook thuishoren.” Op dit moment zijn dergelijke argumenten ook te horen onder Nederlandse progressieven, nu het kabinet Rutte heeft aangekondigd dat er voor achttien miljard euro zal worden bezuinigd. Eén van de dingen die veel progressieven hierbij over het hoofd zien is dat bezuinigingskabinetten het vaak goed doen bij verkiezingen, zoals tijdens de twaalf jaar van conservatieve Deense regeringen in de jaren tachtig. Meer recente voorbeelden zijn Letland en Groot-Brittannië, waar regeringen die willen bezuinigen aan de macht zijn gekomen.

En, ruimer gezien is het natuurlijk erg onproductief om gewoon te wachten op electorale verschuivingen in plaats van aan het werk te gaan om nieuwe progressieve antwoorden te bedenken. In Denemarken zijn er weinig vraagstukken waarbij de meningsvorming onder progressieven zo moeizaam is verlopen als bij het onderwerp immigratie. De erkenning dat dit thema in 2001 de verkiezingsnederlaag veroorzaakte, leidde tot een volledige capitulatie van links. En ook negen jaar later hebben progressieven nog steeds moeite om tot gemeenschappelijke opvattingen te komen.

Migratie en islam zijn ongetwijfeld de belangrijkste redenen voor de afkalvende invloed van links. De rechtse coalitie heeft deze onderwerpen met succes (en buitensporig vaak) gebruikt voor politiek winstbejag. Sinds 2001 is de migratiewetgeving vijftien keer aangescherpt en elke keer als het onderwerp in de belangstelling stond, verloren progressieve partijen (vooral de sociaaldemocraten) kiezers aan rechts.

Negen jaar nadat de rechtse regering aan de macht kwam is migratie voor progressieven nog steeds een grote politieke splijtzwam. Rechtse kiezers hebben zich steeds geschaard achter harde standpunten over allerlei onderwerpen, van halalvlees op kleuterscholen tot flexibiliteit bij religieuze feestdagen. Hierbij was het linkse electoraat permanent gespleten. Dit politieke dividend heeft de rechtse regering in 2005 en 2007 verkiezingsoverwinningen opgeleverd.

Nieuwe kiezers

Ik zou een aantal voorbeelden willen geven van succesvolle pogingen om de progressieve politiek weer op gang te krijgen. Deze verhalen hebben één ding gemeen: een toekomstige progressieve regering kan alleen tot stand komen als de beweging zich uitbreidt door actief nieuwe kiezers aan te spreken.

Samenwerking: In 2006 besloten de sociaaldemocraten en de groenen om de banden aan te halen. Een belangrijk resultaat van deze alliantie was een gemeenschappelijke opvatting over migratie, die in wezen weinig verschilde van het regeringsstandpunt. Hoewel deze actie omstreden was in progressieve kring zou ik willen stellen dat dit samenwerkingsverband een sterker en eenduidiger verhaal heeft opgeleverd. Samen zijn deze partijen nu in staat om het regeringsbeleid aan te vallen, terwijl de regering voorheen steeds kon wijzen op de linkse verdeeldheid over migratie als argument voor een nieuwe regeringsperiode.

Jongeren: Toen de rechtse regering in 2001 aantrad, had de jongerenafdeling van Venstre een cruciale rol gespeeld bij het mobiliseren van jonge campagnevoerders. Mede hierdoor was de partij de grootste van het land geworden. Tegenwoordig is het echter vooral de jeugdafdeling van de Deense Groene Partij die aantoont dat je kiezers kunt winnen door het organiseren en mobiliseren van jongeren. Met meer dan drie duizend leden hebben de Groenen de grootste jongerenafdeling van alle partijen (en in totaal omvat deze beweging een derde deel van alle Deense politieke jongerenafdelingen). De jongeren zijn vooral gericht op onderwijsinstellingen: van beroepsopleidingen tot universiteiten. De beweging kan nu al een politieke katalysator worden genoemd, omdat enkele leden in het parlement zijn gekozen en de afdeling een sleutelrol speelt in de algehele mobilisatiecampagne van de partij. Dit vormt een sterk contrast met jongerenafdelingen van andere partijen, die vooral dienen als bescheiden kweekvijver voor nieuwe partij-adviseurs. De jonge Groenen beseften dat ze moesten kiezen: kiezers benaderen, of blijven hangen in een exclusieve club. Andere progressieve partijen zouden eveneens een dergelijke afweging moeten maken.

Laagopgeleiden: Eén van de meest voor de hand liggende taken voor progressieven is het rechtstreeks aanspreken van nieuwe kiezers, vooral laagopgeleiden aan de onderkant van de arbeidsmarkt. Sinds 2001 heeft de Deense Volkspartij juist in deze groep een sterke positie. Het is vaak moeilijk om progressieve kandidaten te vinden met een dergelijke achtergrond. Maar al te vaak hebben progressieve partijen vers afgestudeerde politicologen naar dunbevolkte gebieden gestuurd, waar de industriesector nog steeds de belangrijkste bron van inkomsten is. Meer dan enige andere politieke partij in Denemarken is de Deense Volkspartij erin geslaagd om kandidaten te werven met een niet-academische achtergrond.

Hoewel progressieven zeker waarde hechten aan diversiteit onder de kandidaten qua etniciteit en geslacht, is het gebrek aan vertegenwoordigers van niet-academici in Denemarken pas onlangs aan de orde gesteld. Dat is jammer, en mogelijk ook een electoraal nadeel.

Landelijk: Hoewel de aanhang van de Deense Volkspartij tamelijk gelijkmatig verdeeld is over het hele land, valt op dat de partij met name populair is in de zuidelijke Jutland-regio. Ook in regio’s buiten de grote steden met een bescheiden industriële productie heeft de Deense Volkspartij verhoudingsgewijs meer aanhang. De economische crisis heeft nog eens extra de aandacht gevestigd op de toenemende spanningen tussen landelijke, industriële gebieden en stedelijke diensteneconomieën. Als gevolg hiervan lijken Deense progressieven tegenwoordig steeds meer te beseffen dat geen enkel deel van het land verwaarloosd mag worden.

Hierbij kan het nuttig zijn om terug te grijpen op sommige onderdelen van Obama’s verkiezingscampagne. Achter de hype van Obama’s gebruik van sociale media zat een gedetailleerde en intensieve strategie om overal onder de mensen te komen, zelfs in districten waar weinig kans was om te winnen. Het idee is simpel: elke kiezer moet worden blootgesteld aan het gezicht van de partij, en geen enkel gebied mag worden overgeslagen. In Noorwegen hebben progressieve partijen onderzoek uitgevoerd waaruit bleek dat de deur-tot-deur-benadering in de wijken ten eerste bevorderlijk was voor de opkomst bij verkiezingen, en ten tweede de omvang van het progressieve electoraat vergrootte.

In organisatorisch opzicht dwingt dit de progressieven om veel werk en financiële middelen te steken in pogingen om kiezers buiten de eigen kring te bereiken. Winnen in Limburg of zuidelijk Jutland is niet makkelijk, en kan niet in één verkiezingscyclus worden bereikt. Er zijn goede plaatselijke politici nodig en de partijleiding moet absoluut luisteren naar de kiezers en kandidaten uit deze gebieden.

Maar zonder een dergelijke langdurige inspanning, lopen progressieven in heel Noord-Europa het risico dat ze uiteindelijk worden gereduceerd tot partijen van hoogopgeleide stedelingen uit de publieke sector.

Politieke campagnevoerders: Ondanks het feit dat jonge afgestudeerden overwegend progressief zijn, hebben de linkse partijen in Denemarken jarenlang geleden onder een gebrek aan jong talent met praktische vaardigheden. Dit komt voor een deel door de politieke fixatie op consultants, waarbij elk beleidsterrein zijn eigen deskundigen en pleitbezorgers had. Progressieve partijen hebben op dit moment het meest behoefte aan jonge organisatoren die plaatselijk campagne kunnen voeren.

Sinds de jaren negentig hebben de slimste progressievelingen zich vooral gericht op internationale banen in ontwikkelingssamenwerking, de advocatuur en het lobbycircuit, en veel minder op progressieve politieke partijen. Hierdoor bleven deze partijen achter met een schamele pool van kandidaten. Het is de vraag of het immense potentieel van jonge campagnevoerders het best op zijn plaats is in NGO’s, en de huidige linkse politici moeten zich afvragen hoe ze deze mensen kunnen betrekken bij de politiek. De financiering van de NGO’s brokkelt af en de komende jaren van bezuinigingen op ontwikkelingssamenwerking en cultuur zullen bij veel progressieven zeker alarmbellen doen rinkelen.

De progressieven moeten de slimste jonge mensen zien terug te veroveren en daarbij het volgende argument overtuigend in stelling brengen: “Als je op lange termijn de financiering van de ontwikkelingssamenwerking of het milieubeleid wilt veiligstellen, moet je niet bij de NGO’s zijn, maar bij de politieke partijen die uiteindelijk de progressieve politiek in Nederland zullen waarborgen.”

Over grenzen: Met de opkomst van de Deense Volkspartij, de Noorse Fremskridtpartiet en de Nederlandse PVV lijkt het duidelijk dat menings- en beleidsvorming over de grenzen heen grote kansen biedt. De Deense Volkspartij was de eerste die zich sterk ging richten op ouderen, een politieke strategie die de PVV heeft overgenomen. Op dezelfde manier is het voorstel van de PVV om de kosten van migratie en allochtonen te berekenen omhelst door de Deense Volkspartij. Deze coördinatie van politieke beleidsdoelstellingen is volkomen logisch. Wat verbazing wekt, is het feit dat er aan de linkerzijde geen ervaringen worden uitgewisseld met landen in dezelfde regio die zich geplaatst zien voor gemeenschappelijke politieke vraagstukken.

Kortom: in plaats van te klagen over hoe rechts ideeën ontwikkelt, moeten progressieven veel meer de discussie aangaan over de omgang met migratie en een comeback plannen om uit de crisis te komen.

Uit het Engels door Michiel Nijenhuis.

Gerelateerde artikelen