9 minuten

De toekomst van links is groen

Solidariteit en diversiteit vraagt om meer dan linkse politiek, namelijk groene politiek. Het ecologisme biedt een antwoord, omdat het draait om de verbondenheid van de mens met zijn omgeving.

Een poosje terug adverteerde duurzame bank Triodos met een filmpje met als slogan ‘klein is het nieuwe groot.’ Afleidend uit het aantal keer dat ik dat spotje langs zag komen in mijn timeline raakte het een snaar – in ieder geval bij het links-progressieve sociale media segment waarin ik me overwegend bevind. Dat is opvallend, want de toon en beelden (ontspannen mensen in een groene omgeving, nadruk op grassroots verbondenheid) van het spotje sluit duidelijker aan bij de groene politieke traditie dan bij wat traditioneel onder links wordt verstaan. Dat biedt een interessant perspectief  op de toekomst van linkse politiek.

Antropoceen
De grondslag voor de groene politiek traditie ligt in de politieke filosofie van het ‘ecologisme,’ met als praktische vaandeldragers groene partijen en politici. De kern van het ecologisme ligt in een perspectief op de mens in verbondenheid met de natuur. Met andere woorden: ecologisme beschouwt de mens als onderdeel van een breder ecosysteem en richt zich vanuit dat perspectief op bloei en ontplooiing. Hiermee wordt een brede invulling aan solidariteit gegeven: ook de natuurlijke omgeving en toekomstige generaties spelen een belangrijke rol. De normatieve agenda van ecologisten stelt daarom ruimte voor (bio-)diversiteit en solidariteit van onderop centraal. Hiermee biedt het ecologisme niet alleen een zeer aantrekkelijk, maar ook een hoogst noodzakelijk toekomstperspectief voor linkse politiek. Solidariteit vraagt om meer dan linkse politiek, het vraagt om groene politiek.
De opkomst van het ecologisme laat zich verklaren door een structurele verandering in het begrip van de verbondenheid van mensen (of om preciezer te zijn: de mensheid) met hun natuurlijk omgeving. In de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw begon duidelijk te worden dat de mensheid een impact begon te hebben op de fysieke staat van de gehele aarde, via grootschalige milieuvervuiling en klimaatverandering. Hiermee werd een nieuw geologisch tijdperk binnengetreden, waarvoor de klimaatwetenschapper Paul Crutzen de term ‘antropoceen’ populariseerde. Dit tijdperk startte met de Industriële Revolutie en het bijbehorende verbruik van fossiele brandstoffen (Crutzen & Stoermer, 2000). In het ecosysteem is het antropoceen terug te zien in een voortdurende afname van biodiversiteit als gevolg van menselijke oorzaken zoals ontbossing.

Uitruil
Paradoxaal genoeg betekent het antropoceen dat terwijl ‘de mens’ nog nooit zoveel invloed had op de aarde, individuen juist steeds minder grip hebben op hun eigen omgeving. Het is nieuw dat de mens niet alleen onderworpen is aan natuurkrachten, maar ook aan overweldigende krachten die een menselijke oorzaak hebben. Er is een zekere uitruil tussen wat de mensheid vermag, en wat het individu vermag. Een lokale gemeenschap kan van alles doen om een bijzonder ecosysteem te behouden, maar kan het niet beschermen tegen klimaatverandering. In sociaalwetenschappelijke termen wordt dit wel een afname van de agency – het handelingsvermogen – van het individu genoemd.
Als we het antropoceen niet vanuit geologisch maar vanuit maatschappelijk perspectief   bekijken, dan valt het samen met het ontstaan van een mondiale economie en de exponentiele groei die deze met horten en stoten doormaakte. Sinds de jaren tachtig zien we weer een intensivering van de economisering (‘commodificatie’) door het afbreken van handelsbarrières en liberalisering van kapitaal- en goederenmarkten. Het verminderen van de rol van de staat in de markt heeft echter in allerlei sectoren tot machtsconcentraties geleid. In de financiële sector krijgen de grootste partijen een too-big-to-fail subsidie en bemoeilijken daarmee de bloei van alternatieve en kleinschalige vormen van bankieren. In de voedselindustrie streven een handjevol grootbedrijven zoals Monsanto voedselstandaarden na die het kleine producenten lastiger maken om lokale variëteiten te kweken en op de markt te brengen. Dit heeft misschien geleid tot een enorm en goedkoop aanbod in de supermarkt, maar ook tot een sterke wereldwijde homogenisering en concentratie van markten. Adam Smith  waarschuwde al dat in een vrije markt bedrijven ernaar streven de markt groter te maken en de diversiteit van concurrentie kleiner (widen the market, narrow the competition).

Tegenbeweging
Al in de jaren veertig van de vorige eeuw wees de beroemde Hongaarse politiek econoom Karl Polanyi erop dat de tendens naar economisering van de samenleving leidt tot een tegenreactie: waar mensen steeds meer blootgesteld worden aan de woeste baren van de markt komt een tegenbeweging op gang vanuit de samenleving. Hij noemde dit de double movement. In de context van de opkomende mondiale economie is zowel een conservatieve als een progressieve tegenbeweging te zien: de (rechts-)nationalistische politieke stroming (bijvoorbeeld CD en CP’86, Vlaams Blok, Front National) en het ecologisme (bijvoorbeeld GroenLinks, Agalev, Les Verts).
Rechtsnationalisten streven ernaar om individuen grip te geven op hun omgeving door zich terug te trekken binnen de eigen natiestaat en de eenheid daarbinnen te versterken door diversiteit af te wijzen. Milieuproblemen zoals klimaatverandering worden vaak simpelweg ontkent of gebagatelliseerd. Daarmee biedt deze variant van de double movement op de langere termijn geen serieuze bescherming aan de samenleving. Hier is meer over te zeggen, maar gezien de beperkte ruimte ga ik hier vooral in op het ecologisme.
Het ecologisme biedt bescherming tegen economisering door diversiteit en solidariteit van onderop te omarmen. Deze groene politieke filosofie kan dus gezien worden als de progressieve variant van de double movement, en daarmee ook als een toekomstperspectief voor linkse politiek.

Intrinsieke waarde
Het ecologisme kwam op onder invloed van de invloedrijke boeken van bijvoorbeeld Rachel Carson en de Club van Rome en het diverse gedachtegoed van denkers als Herman Daly, Andrew Dobson, James Lovelock en Arne Naess. Een cruciale ontwikkeling hierbij was het steeds betere begrip van de werking van ecosystemen en de menselijke invloed daarop.
Het meest onderscheidende kenmerk van het ecologisme is dat het de mens in verbondenheid met zijn omgeving ziet. Omdat de mens wordt gezien als een integraal onderdeel van het ecosysteem wegen groene politici bij het maken van politieke keuzes niet alleen de effecten op mensen, maar ook de effecten op het ecosysteem. De verbondenheid van mensen met de natuurlijke omgeving gaat op meerdere niveaus van analyse op: soms speelt de verbondenheid zich op mondiale schaal af (de plastic soup in de oceaan, het klimaat), soms regionaal (hormoonverstorende stoffen in oppervlaktewater) en soms lokaal (stankoverlast, verlies van groen in de woonwijk).
Door de verbondenheid tussen mens en omgeving krijgt niet alleen de mens, maar het ecosysteem een intrinsieke waarde. Daarmee gaan ecologisten een stap verder dan een louter utilitaristische benadering van het ecosysteem als natuurlijke hulpbron (liberalen) of de mens als rentmeester (christendemocraten). Dit schept een morele basis voor menselijk handelen om de diversiteit van het ecosysteem te beschermen, om solidariteit te tonen met de natuurlijk omgeving. In de leefstijl van ecologisten draait het niet alleen om relaties met medemensen, maar ook de relatie met de natuurlijke omgeving. Dit kan bijvoorbeeld geuit worden in een bewuste omgang met voedsel. Het handelingsvermogen van toekomstige generaties mag niet ingeperkt worden doordat nu onomkeerbare roofbouw op ecosystemen wordt gepleegd. Uit de intrinsieke waarde van ecosystemen en de verbondenheid tussen mens en natuurlijke omgeving kan dus een normatieve agenda afgeleid worden die bestaat uit ruimte bieden aan (bio-)diversiteit en solidariteit van onderop.

Diversiteit
Het ecologisme stelt ruimte bieden aan diversiteit centraal in haar normatieve agenda. Vanwege de intrinsieke waarde van het ecosysteem, maar vanuit menselijk perspectief ook vanwege de schoonheid van (bio-)diversiteit. Huidige en toekomstige generaties moeten de mogelijkheid hebben te genieten van een grutto in de wei. Door culturele diversiteit te koesteren kun je de ene dag wegdromen bij de Kaapverdische folk van Cesária Évora en de andere dag opgeladen worden door de mathmetal van The Textures. Een meer praktische reden om ruimte te geven aan diversiteit is de noodzakelijkheid van diverse ecosystemen voor de kwaliteit van leven. In het ideaalbeeld van ecologisten komen zowel de mens als zijn omgeving tot bloei, en hiervoor zijn gezonde, diverse ecosystemen nodig. Daar is ook het menselijk bestaan van afhankelijk. Tot slot is diversiteit belangrijk voor het handelingsvermogen van huidige en toekomstige generaties. Enkel in een diverse samenleving wordt ook ruimte geboden aan de ontplooiing van mensen met een meer ‘excentrieke’ levensstijl.
Ruimte bieden aan diversiteit fungeert als tegenbeweging tegen economisering omdat het ook de ruimte biedt aan menselijke interacties waarin niet het mondiale marktmechanisme de boventoon voert. Onder invloed van economische mondialisering zijn steeds meer vormen van menselijke interactie met elkaar en de natuurlijk omgeving tot een markt verworden (‘commodificatie’). Door ruimte te bieden aan wat de Fransen zo mooi l'économie sociale et solidaire noemen kunnen alternatieve vormen van samenleven van onderop voortbestaan.

Solidariteit
Uit de verbondenheid met de omgeving volgt solidariteit als tweede centraal punt op de ecologistische normatieve agenda. Ecologisme gaat daarbij verder dan de traditionele conceptualisering van solidariteit door het begrip te verbreden naar het ecosysteem nu én in de toekomst. Daar zijn een aantal redenen voor. Deze bredere solidariteit is noodzakelijk om inderdaad de ruimte te bieden aan diversiteit. Een bloeiend biodivers systeem vraagt om solidariteit met de elementen van het systeem die onder druk staan. Daarnaast is in het antropoceen solidariteit tussen mensen in het hier en nu niet meer voldoende om de uitdagingen voor de mensheid het hoofd te bieden. Alleen als we ook solidair zijn met het bredere ecosysteem (met andere woorden: onze levensstijl aanpassen aan de draagkracht van het ecosysteem) behouden we een goede leefomgeving op de lange termijn. Solidariteit helpt te beschermen tegen de schokken die gepaard gaan met een mondiaal geïntegreerde markteconomie en is daarom onderdeel van de tegenbeweging. Door het begrip te verbreden zoals ecologisten doen, krijgt het hernieuwde relevantie in een economie die momentele nog grotendeels gebaseerd is op roofbouw op het ecosysteem, op fossiele brandstoffen en op andere natuurlijke ‘hulpbronnen.’ Negatieve effecten op de kwaliteit van leven van toekomstige generaties (die het zonder olie zullen moeten doen) worden onderdeel van het politieke debat.
De normatieve agenda van het ecologisme biedt een belangrijk antwoord op het economische model van roofbouw en machtsconcentraties in grote multinationale ondernemingen. Verbondenheid met de natuurlijk omgeving biedt een aanleiding tot ingrijpen, terwijl internationale solidariteit het handelingsvermogen kan vergroten door vanuit de overheid macht terug te pakken op de markt (bijvoorbeeld door samenwerking binnen de EU). Door machtsconcentraties te verminderen ontstaat er ruimte om onderlinge solidariteit ‘van onderop’ te waarborgen.
Met de normatieve agenda waarin diversiteit en solidariteit van onderop centraal staan biedt het een interessant toekomstperspectief voor linkse partijen. Het ecologisme is daarnaast een uitgesproken progressieve filosofie: het accepteert de huidige machtsverhoudingen en sociale structuren niet als een gegeven, maar is bereid die te veranderen. Bijvoorbeeld door de gevolgen voor het ecosysteem in de politieke besluitvorming te betrekken. Juist daarom is het een voorbeeld van de tegenweging die een positieve politieke agenda biedt om doorgeslagen economisering aan te pakken. Zeker als links deze agenda ook zou omarmen zou van klein wel eens echt het nieuwe groot gemaakt kunnen worden.

Literatuur
B. Baxter, Ecologism: an introduction, Edinburgh University Press 1999.
P.J. Crutzen & E. Stoermer, The “Anthropocene”, IGBP Newsletter  2000, nr. 41.
K. Polanyi, The great transformation, Beacon Press 1944.

Gerelateerde artikelen