10 minuten

De Unie slaat terug

Een reactie op het populisme

Na bijna elf jaar in het Europees Parlement maakt Joost Lagendijk de balans op. Van de spectaculaire val van de Europese Commissie en de triomf van GroenLinks in 1999 tot de opkomst van populisme en scepsis in het debat over Europa. Hij pleit voor een Europese Unie die nationale verschillen respecteert en tegelijk Europa een helderder stem op het wereldtoneel geeft.

Veel spectaculairder had ik mijn start als volksvertegenwoordiger niet kunnen verzinnen. Drie maanden nadat ik op 1 september 1998Nel vanDijkwas opgevolgd als enige lid van het Europees Parlement (EP) namens GroenLinks barstte de bom in Brussel. Via de Groene fractie in het EP brachtPaul vanBuitenen, op dat moment ambtenaar bij de Europese Commissie (EC), dossiers naar buiten die bevestigden wat financieel deskundigen in het EP al lang bevroedden: dat er binnen de EC sprake was van vriendjespolitiek en een schrijnend gebrek aan controle en verantwoordelijkheidbesef. Toen de boodschapper hardhandig tot de orde werd geroepen was de maat vol voor een meerderheid van het EP. Begin 1999 struikelde de EC onder leiding van de Luxemburger Jacques Santer van het ene schandaal naar het volgende onthullende rapport. Het EP liet zien dat het niet dat tandeloze parlement was waar veel Europese media en burgers het voor aanzagen en beet door. Voor het eerst in de geschiedenis van de Europese Unie zag het dagelijks bestuur van de EU zich gedwongen af te treden. Het was ook een eerste persoonlijke kennismaking met de invloed van de media en de kracht van beeldvorming. In het publieke debat bleek ieder lid van de EC schuldig tot men het tegendeel kon bewijzen. Iedere nuance verdween en al snel kwam niet alleen de EC maar ook het EP in een kwaad daglicht te staan door gesjoemel met reis- en andere onkostenvergoedingen. Brussel werd in de perceptie van velen één pot nat waar iedereen boter op zijn hoofd heeft. Terugkijkend ben ik nog steeds blij dat toen de misstanden in de Europese instellingen aangepakt werden. Maar het idee dat je tijdens die schoonmaak zelf als EP of als aanklagend parlementariër ongeschonden uit de strijd kunt komen was naïef. Ook ik werd tijdens de campagne voor de Europese verkiezingen van een paar maanden later tijdens debatten aangesproken op mijn vermeende dubieuze declareergedrag en moest me verdedigen tegen de aantijging een zakkenvuller te zijn.

Schoon en eerlijk

Een deel van de kiezers maakte gelukkig wel onderscheid. Onze grootste concurrent de PvdA werd geassocieerd met de ondoorzichtige praktijken in Brussel. Dat gold in mindere mate ook voor D66. De SP was haar opmars nog maar net begonnen en speelde in de campagne voor de Europese verkiezingen van juni 1999 geen grote rol. Met de leus Schoon en Eerlijk speelden wij slim in op de rol van GroenLinks bij het aanklagen van de Brusselse misstanden. Paul Rosenmöller was op dat moment de populairste Haagse politicus enPaul van Buitenen de held van veel Nederlanders. Met z’n drieën riepen we op GroenLinks te stemmen en het resultaat was een ongekende 12%. Met dank ook aan een historisch lage opkomst vanwege het slechte imago van EU en EP.

Het was de meest populistische campagne die de GroenLinks ooit gevoerd heeft. Populistisch in de zin van inspelen op het ongenoegen van veel Nederlanders met het ‘oude’ Europa waar wij als relatieve buitenstaander claimden niet bij te horen. De feiten verdraaien, zoals later in andere campagnes door andere partijen zou gebeuren, deden we niet en we presenteerden ons niet als anti-Europees. Maar ook wij wilden graag gezien worden als de onschuldige Calimero die het opnam tegen de grote boosdoeners. Dat was een succesvolle en verdedigbare electorale strategie. Maar hij speelde wel gedeeltelijk in op de zelfde onlustgevoelens die een paar jaar later door andere partijen met veel succes zouden worden geëxploiteerd om het hele Europese project aan te vallen.

Ouderwetse vrede

In het parlement vroeg de situatie op de Balkan in 1999 alle aandacht. In de lente van dat jaar viel de NAVO Servië aan om verder bloedvergieten in Kosovo te voorkomen. GroenLinks en andere groene partijen waren tot op het bot verdeeld over de merites van deze interventie. Ik was voorstander van ingrijpen omdat het Bosnië-drama me nog helder voor ogen stond. Honderdduizenden vermoord terwijl Europa verdeeld toekeek. De EU bleek zijn les geleerd te hebben. Na afloop van de oorlog in Kosovo stak Europa miljarden euro’s en veel politiek kapitaal in de wederopbouw van de hele Balkan. Vrede en stabiliteit bleken opeens niet alleen volgens velen ouderwetse motieven voor Europese eenwording te zijn. Miljoenen Europeanen snakten er naar en door daadkrachtig optreden van de EU kon die wens beslissend beïnvloed worden. Aan de talloze bezoeken aan de regio bewaar ik nog steeds zeer goede herinneringen. Met collega’s uit alle fracties probeerden we mensen weer bij elkaar te krijgen en keken we erop toe dat al dat Europese geld snel en goed besteed werd. De EU sprak eindelijk met één stem, het ging ergens over en scepsis was een luxe artikel waar niemand behoefte aan had.

In diezelfde jaren werd in talloze Brusselse vergaderzalen in alle openbaarheid en tot in detail de toetreding voorbereid van acht landen die na de val van de Muur terecht aanspraak maakten op het lidmaatschap van de EU. Het woord ‘historisch’ wordt vaak misbruikt, maar de toetreding van landen als Polen, Hongarije en Tsjechië was een historische noodzaak. De vraag voor politici en beleidsmakers was nooit óf, maar wannéér die landen lid zouden worden. De werkelijkheid buiten de vergaderzalen was echter een andere. Toen het op 1 mei 2004 zover was bleek dat de overgrote meerderheid van ‘oude’ EU-inwoners geen idee had wat hen te wachten stond. Het idee vatte al snel post dat de uitbreiding van de EU richting Midden- en Oost-Europa de Westeuropeanen door de strot was geduwd. Veel mensen voelden zich overvallen en zouden een jaar later de eerste de beste gelegenheid aangrijpen hun ongenoegen daarover tot uitdrukking te brengen tijdens het referendum over de Europese Grondwet. Het was ook een typisch voorbeeld van de gapende kloof tussen politici die terecht aangeven dat iedereen alles had kunnen weten als men beter had opgelet en burgers die niet weten hoe men aan al die informatie moet komen of er simpelweg niet in geïnteresseerd waren tot het moment dat de uitbreiding zich aandiende.

Bijna drie jaar later, begin 2007, zou de toetreding van Bulgarije en Roemenië een fatale klap toebrengen aan het idee dat uitbreiding van de EU de meest succesvolle politiek is geweest om democratie en stabiliteit in Europa te verspreiden. Het probleem is dat de stelling aantoonbaar juist is maar dat de perceptie door veel burgers in de oude EU-landen een geheel andere is. In het geval van Bulgarije en Roemenië is dat eerlijk gezegd ook wel begrijpelijk. Binnen de Groene fractie heb ik me sterk gemaakt voor die uitbreiding en voor het geven van een kans aan bijvoorbeeld de nieuwe Roemeense regering in 2005 die net begonnen was met het aanpakken van corruptie tot op het hoogste niveau. Wat voelde ik me bekocht toen een paar maanden na toetreding van Roemenië in 2007 de mensen die mij hadden overtuigd vóór toetreding te stemmen van het politieke toneel werden verwijderd. Vervangen door vertegenwoordigers van een politieke klasse die blij was dat men in de EU was binnen geraakt en absoluut niet van plan een einde te maken aan oude praktijken. Zo dreigt de toetreding van Turkije en de landen van de Balkan het belangrijkste slachtoffer te worden van de nog steeds onverwerkte uitbreiding uit 2004 en de foute inschattingen uit 2006.

De macht van het populisme

De referendum-campagne voor de Europese Grondwet in 2005 was om meerdere redenen een keerpunt. Onverschilligheid en apathie hadden in de bejegening van de EU plaats gemaakt voor scepsis en soms ronduit afkeer. Aangewakkerd door een agressief populisme dat in de campagne werd gekenmerkt door leugens en verdraaiingen die in de strijd voor Tweede-Kamerzetels snel door goed geïnformeerde media en burgers zouden worden doorgeprikt. Maar als het gaat om Europa fungeren dat soort corrigerende mechanismen niet. Dat hadden ze bij de SP goed gezien. Wat GroenLinks volstrekt verkeerd had ingeschat was de kracht van populistische argumenten als de inzet een ingewikkeld verdrag is vanmeer dan300 pagina’s dat niemand helemaal leest en waar zelfs de grootste voorstander passages in kan ontdekken waar hij het niet mee eens is. Wat mij betreft is de les uit die campagne dat ingewikkelde teksten over een onbekend onderwerp nooit meer in een referendum worden voorgelegd. Een andere les is dat de tegenstanders van de Grondwet soms ook heel goede argumenten hadden die moeilijk te weerleggen waren. Meestal hadden die te maken met voorbeelden van Brusselse bemoeienis waarvan ook de voorstanders van de Grondwet moesten toegeven dat die te ver ging. Na uitgebreide exegese van de tekst kon wel worden beargumenteerd dat die bemoeienis zou afnemen als gevolg van aanname van de Grondwet maar in een debat op TV of in een zaal heb je het dan al verloren. Die irritatie over onzinnig gedetailleerde wetgeving en het onbegrip over onnodige harmonisatie in een EU van (toen nog) 25 totaal verschillende lidstaten verdienen het serieus genomen te worden. In het nieuwe verdrag van Lissabon gebeurt dat deels maar het kan nog veel beter.

Meer en minder Brussel

Om de EU werkbaar te houden en publieke steun terug te winnen zal door alle betrokkenen veel duidelijker dan tot nu toe is gebeurd moeten worden aangegeven waar de EU wel over gaat en waarover vooral niet. Een scherpere taakverdeling tussen de EU en de lidstaten is nodig om tegenwicht te kunnen bieden aan de toegenomen scepsis en vijandigheid jegens het Europese project. Dat vereist een omslag in het denken in Brussel en in de lidstaten. Vijf aanbevelingen:

  1. Maak duidelijk dat de bemoeienis van de EU met voor veel burgers belangrijke zaken ook in de toekomst marginaal zal zijn. Het gaat dan om de traditionele prioriteiten van veel kiezers: sociale zekerheid, gezondheidszorg, pensioenen, onderwijs en integratie. Op al die terreinen zullen de belangrijke beslissingen genomen blijven worden door de nationale politiek. Soms zal vanuit de EU aanvullend beleid worden geformuleerd of zal de afstemming tussen lidstaten worden bevorderd. Dat is niet buigen voor populisme maar erkennen dat in een EU van 27 of meer lidstaten de onderlinge verschillen simpelweg te groot zijn om te blijven streven naar verdergaande harmonisering.
  2. Maak tegelijk duidelijk dat op een aantal andere terreinen er geen alternatief is voor verdergaande bevoegdheden voor de EU. Weinigen, ook onder de sceptici, zullen ontkennen dat Europa het enige effectieve niveau is om zaken aan te pakken als: klimaatverandering, energievoorziening, eerlijke wereldhandel, migratie, terrorismebestrijding, buitenlandse politiek en veiligheidsbeleid. Op een aantal van die gebieden spreekt de EU al met één stem. In de toekomst zal dat geleidelijk aan ook op andere moeten gebeuren. Omdat zelfs de grootste lidstaten te klein zijn om tegenspel te kunnen bieden in onderhandelingen met giganten als de VS of China.
  3. Als besloten is om zaken op Europees niveau te regelen dient dat ook zo democratisch mogelijk te gebeuren. Dat betekent het afschaffen van veto’s van lidstaten en het geven van volledige instemmings-bevoegdheden aan het EP. Wetgeving dient plaats te vinden op hoofdlijnen in de wetenschap dat de uitvoering in Finland net iets anders zal en mag zijn dan in Griekenland.
  4. Het echte democratische gat in de Europese besluitvorming zit op dit moment niet in Brussel maar in veel hoofdsteden. Ministers kunnen doen en laten wat ze willen als ze overleggen met hun collega’s uit andere landen omdat bijna geen enkele parlementariër weet wat ‘zijn’ minister daar inbrengt. Zonder een ingrijpende verbetering van de controle in nationale parlementen op de door regeringen ingenomen standpunten zullen veel burgers het idee blijven houden dat ze geen greep hebben op de Europese besluitvorming.
  5. Redt de uitbreiding door aan te geven waar de uiteindelijke geografische grenzen van de EU liggen. De komende tien jaar heeft de EU de handen vol aan de onderhandelingen met Turkije en de landen van de Balkan. Potentiële leden als de Oekraïne, Wit-Rusland, Moldavië en de landen in de Zuidelijke Kaukasus zullen geduld moeten hebben en zich intussen zelf met hulp van de EU moeten ontwikkelen tot democratieën die werkelijk een kans maken ooit lid te worden.

Alleen een Europese Unie die helder is over zijn eigen grenzen, fysiek en qua bevoegdheden, zal in staat zijn een overtuigend weerwoord te formuleren tegen de populisten van links en rechts die zullen blijven proberen de angst en de onzekerheid te exploiteren die onvermijdelijk zijn in een globaliserende wereld. Slechts door zichzelf opnieuw de definiëren kan de EU weer een deel van de oplossing worden en ophouden een deel van het probleem te zijn.

Gerelateerde artikelen