8 minuten

De vergrijzing van GroenLinks

De ideologie wordt fletser

Niet de leden maar de ideologische keuzes van GroenLinks vergrijzen. Het fel rode en groene vervaagt en wordt vervangen door een nog niet erg uitgewerkt ‘democratisch radicalisme’. Het is de vraag of daar toekomst voor is.

Bij ‘vergrijzing’ denken we doorgaans aan de toename van het aantal ouderen in de samenleving die gepaard gaat met een daling van het aantal jongeren. ‘Grijs’ staat dan voor ouderdom: grijze haren, grijsaards. Het is het tegendeel van ‘groen’, de kleur die geassocieerd wordt met jeugd en onrijpheid. Grijs kan echter ook ontstaan als we zwart en wit of de kleuren blauw, geel en rood mengen. Wanneer we het over politieke opvattingen hebben, duidt ‘vergrijzing’ op een verschuiving naar het midden, waar compromissen worden gesloten en waar geen ruimte is voor ‘zwart-wit denken’ noch voor felle kleuren als rood (socialisme), blauw (liberalisme) of groen (ecologisme).

De titel van dit artikel heeft dan ook een dubbele betekenis. De vraag is niet alleen of het aantal grijsaards binnen GroenLinks toeneemt, maar ook of de politieke opvattingen in de partij naar het midden verschuiven en dus minder ‘rood’ en/of ‘groen’ zijn geworden. Beide vragen trachten we te beantwoorden aan de hand van schriftelijke enquêtes onder partijleden, gehouden in 1992 en 2002. De uitslag van de laatste verkiezingen lijkt de gevonden trend te bevestigen.

Arbeiderszelfbestuur

Het aantal ‘grijsaards’ – hier gedefinieerd als mensen van 50 jaar en ouder – binnen GroenLinks nam tussen 1992 en 2002 toe van 25 procent tot bijna 40 procent. Dit kwam vooral doordat de talrijke babyboomers, oftewel de generatie die tussen 1945 en 1955 geboren is, anno 2002 voor een groot deel de vijftig gepasseerd waren. Vergeleken met de hele Nederlandse bevolking anno 2002 telde GroenLinks relatief weinig jongeren en relatief veel veertigers onder haar leden, terwijl vijftigplussers slechts licht oververtegenwoordigd waren. De vergrijzing van het GroenLinkse ledenbestand houdt dus vrijwel gelijke tred met de demografische verschuiving binnen de bevolking van Nederland. Bij de grote partijen (CDA, PvdA, VVD) bedroeg het aandeel van de grijsaards in 1999 al meer dan 60 procent, zo bleek uit onderzoek van de Leidse politicologen Ruud Koole en Joop van Holsteyn.

Verschuivingen in de politieke opvattingen van de ondervraagde leden van GroenLinks blijken uit hun reacties op een zestal uitspraken die zowel in 1992 als in 2002 voorgelegd werden. In 1992 bleken uitgesproken ‘rode’ of socialistische en ‘groene’ of ecologische opvattingen een meerderheid van de leden aan te spreken. In dat jaar toonde 32 procent zich voorstander van nationalisatie van alle belangrijke grote bedrijven, en 62 procent verlangde naar arbeiderszelfbestuur, wat als een vorm van libertair of ecologisch socialisme beschouwd kan worden. In 2002 deden dat slechts 17 procent, respectievelijk 27 procent. Een overweldigende meerderheid van 81 procent steunde in 1992 de invoering van een basisinkomen voor iedereen, losgekoppeld van arbeid – een principiële zaak voor veel groenen. In 2002 was nog steeds 66 procent voor een basisinkomen – toch een daling van 15 procent. De bereidheid om autogebruik fors duurder te maken duidt eveneens op een ‘groen’ of ecologisch gedachtegoed, het houdt immers een lastige keuze in voor milieubelang en tegen de belangen van grote groepen consumenten en ondernemers. Deze bereidheid daalde bij de ondervraagde leden van 71 procent naar 55 procent. Afkeer van de NAVO kenmerkt pacifisten maar ook socialisten, die het in de Koude Oorlog gesloten bondgenootschap met de Verenigde Staten over het algemeen opvatten als verdediging van het kapitalisme tegen het socialisme. In 1992 vormden de tegenstanders van de NAVO nog een royale meerderheid (63 procent), tien jaar later een bescheiden minderheid (22 procent). 

Afscheid

De leden van GroenLinks dachten in 2002 dus duidelijk veel genuanceerder oftewel ‘grijzer’ over deze kwesties als in 1992. Het lijkt erop dat de socialistische en pacifistische stroming in deze tien jaar tot een vrij kleine minderheid geslonken is. Het ecologische gedachtegoed sprak in 2002 nog steeds een meerderheid van de leden aan, getuige hun opvattingen over autogebruik en basisinkomen, maar die meerderheid was wel geslonken.

De conclusie ligt voor de hand dat GroenLinks naar het politieke midden is opgeschoven. Hiermee in tegenspraak lijkt echter de plaats die de leden zelf op het politieke spectrum kiezen. Die is in 2002 namelijk nauwelijks anders dan in 1992: in beide gevallen een positie duidelijk links van het midden (op een schaal van: 0 = uiterst links tot 10 = uiterst rechts, gemiddeld 2,3 respectievelijk 2,2). Een verklaring van deze paradox zou kunnen zijn dat het hele spectrum in Nederland naar rechts geschoven is.

Oude en jonge leden van GroenLinks blijken niet of nauwelijks van mening te verschillen over genoemde kwesties. Oud-leden van CPN en PSP toonden in 2002 meer sympathie voor arbeiderszelfbestuur en opzegging van het NAVO-lidmaatschap dan nieuwe leden, maar ook binnen deze groep had een meerderheid afscheid van de oude idealen genomen. Oud en jong, voormalige communisten en pacifistisch-socialisten en nieuwelingen, ze dachten in 2002 allemaal minder socialistisch en ook iets minder ecologisch dan in 1992. De ideologische vergrijzing heeft dus niets te maken met de demografische vergrijzing. GroenLinks ging gewoon met haar tijd mee.

Democratisch radicalisme

Sinds de enquête in 2002 zijn inmiddels ruim vier jaar verstreken. GroenLinks heeft er in die tijd ongeveer 6000 leden bij gewonnen – en dat is ‘netto’, na aftrek van de leden die intussen vertrokken of overleden zijn. Mag men de hier gevonden trend doortrekken? Zonder een nieuwe enquête kunnen we daarover niets met zekerheid zeggen, maar er zijn wel aanwijzingen voor.

In november 2002 droeg Paul Rosenmöller het politiek leiderschap van GroenLinks over aan Femke Halsema. In de daaropvolgende jaren zwengelde de nieuwe leider een discussie aan over de ideologie van de partij. In 2004 noemde ze in GroenLinks Magazine, GroenLinks ‘de laatste links-liberale partij’. In 2005 verweet ze haar partij ‘collectivisme’ en ‘staatspaternalisme’ in sociaal-economische zaken. Samen met fractiegenote Ineke van Gent – afkomstig uit de PSP, en als voormalig vakbondsbestuurder boegbeeld van de linkervleugel – formuleerde ze achttien ‘vrijzinnige voorstellen voor sociale politiek’ die vervolgens hun weg vonden naar het verkiezingsprogram. Enkele voorstellen sneuvelden weliswaar op het partijcongres in Zwolle, maar het merendeel werd (vaak met ruime meerderheid van stemmen) aangenomen. Op het congres waren opvallend veel jongere leden aanwezig. GroenLinks wil anno 2006 een gedeeltelijk basisinkomen voor werkenden, steun voor kleine en startende ondernemers, kortere ontslagprocedures zodat ‘outsiders’ betere kansen krijgen, participatiecontracten van werklozen met hun gemeente en een persoonsgebonden budget voor kinderopvang. Dat heeft weinig te maken met socialisme – maar daarom is het nog niet liberaal. Het is een niet erg uitgewerkte ideologie die ‘democratisch radicalisme’ genoemd zou kunnen worden. 

Halsema

Deze ideologie is in feite ouder dan het socialisme: ze gaat terug op Jean-Jacques Rousseau en de Jacobijnen van 1793. Kernbegrippen van democratisch radicalisme zijn: individuele autonomie en emancipatie, participatie en democratie. Burgers wensen en worden ook geacht zoveel mogelijk te participeren in de politieke besluitvorming, maar ook in het maatschappelijk leven, als werknemer, ondernemer of als vrijwilliger. Daarbij gaat de radicaal ervan uit dat burgers rationeel en autonoom genoeg zijn om hun lot in eigen hand te nemen, zowel collectief als individueel. Terwijl liberalen doorgaans veel begrip tonen voor het streven naar winst en materiële welvaart, ook als dat gepaard gaat met enig egoïsme en hedonisme, vrezen democratische radicalen dat dit streven ten koste zal gaan van gemeenschapszin en politieke participatie. Ze wijzen kapitalisme en vrije markteconomie niet per definitie af, maar willen die veelal wel aan banden leggen. Van de GroenLinks-leden vond in 2002 slechts een minderheid van 15 procent dat “de particuliere onderneming het beste middel is om de economische problemen van Nederland op te lossen”.

In de loop van de negentiende eeuw werd dit democratisch radicalisme platgedrukt tussen socialisme en liberalisme, maar met het verval van het socialisme kon het weer opleven. In Nederland vinden we democratisch radicalisme vooral bij D66 (zij het vermengd met sociaal liberalisme) en de PPR (gecombineerd met wat ecologisme), en via Nieuw Links ook wel een beetje bij de PvdA. GroenLinks heeft de erfenis van de PPR overgenomen, maar trachtte aanvankelijk democratisch radicalisme te combineren met een libertair soort socialisme. Het Program van Uitgangspunten weerspiegelt dat compromis, met name in de artikelen over markteconomie en planning. Geleidelijk zijn de socialistische elementen verdwenen. Halsema ruimt in feite de laatste resten daarvan op. Ze loopt daarbij misschien iets voor de troepen uit, maar niet erg ver.

Droeve lot

Of ze hiermee veel kiezers trekt, is een andere vraag. Er zijn nogal wat kapers op de kust. D66 stelt misschien niet veel meer voor, maar PvdA en vooral SP doen steeds meer democratisch radicalisme bij hun socialisme, terwijl zelfs de VVD in haar nieuwe Liberaal Manifest een typisch radicaal idee als het referendum heeft omhelst. De partij van Marijnissen opent haar verkiezingsprogramma met voorstellen voor een ‘betere democratie’, die nog iets verder gaan dan die van GroenLinks (naast volksinitiatief en correctief referendum ook nog een referendum om het kabinet terug te roepen en verkiezingen af te dwingen). Het democratisch radicalisme van de SP heeft echter een duidelijkere rode, sociale kleur terwijl dat van GroenLinks veeleer groen gekleurd is – althans in de ogen van het electoraat. Sociale kwesties zijn voor de meeste kiezers doorgaans belangrijker dan natuur en milieu. De deelnemers van de internetenquête ‘21minuten’ maakten zich (september en oktober 2006) vooral zorgen over de kosten van levensonderhoud (31 procent), gezondheidszorg (29 procent) en criminaliteit (29 procent), meer dan over het milieu (13 procent). Democratie werd niet apart genoemd.

Misschien wekken alarmerende berichten over stijgende waterspiegels meer belangstelling voor het milieu, maar het is natuurlijk niet te hopen dat GroenLinks moet wachten tot het water ons letterlijk tot de lippen stijgt. In 1998 won de partij 11 zetels zonder ecologische rampen – maar wel in een periode van economisch hoogtij, een regering met de PvdA en een vaag ‘post-materialistisch’ onbehagen. In 2006 lijkt het daar nog niet op. GroenLinks heeft op 22 november waarschijnlijk wel wat kiezers van D66 en PvdA gewonnen, maar meer kiezers aan de SP verloren. Dat heeft ongetwijfeld te maken met de verschuiving naar het midden. Alle partijen rond het midden verloren kiezers. Natuurlijk, bij de volgende verkiezingen zou dat weer anders kunnen gaan. Niettemin lijkt het raadzaam de ideologische vergrijzing niet voort te zetten, indien GroenLinks zich het droeve lot van D66 wil besparen.

Gerelateerde artikelen