9 minuten

De wil tot (w)eten

De boulimische samenleving

In december wordt veel en liefst lustvol gegeten. Maar na het genieten komt het grote lijnen. Volgens Ilja Fase bevindt onze samenleving zich in een boulimisch continuüm. Weten we hoe we eten, of dienen we al consumerend de belangen van staat en markt? Een visie op eten in het perspectief van de Franse filosoof Michel Foucault (1926-1984).

Vleeseters zijn dierenbeulen. Sushi-eters zijn yuppen. Veganisten zijn enge mensen. Magere vrouwen hebben anorexia. Dikke mensen zijn ongedisciplineerd en zouden hogere verzekeringspremies moeten betalen! En kun je het niet opbrengen om constant op je eten te letten, dan laat je maar een maagband plaatsen of slik je eetlustremmers! Hoe komt het dat identiteit, discipline en controle zo nauw verbonden zijn met de westerse eetgewoonten? En wat is de rol van de kapitalistische markt en consumptiecultuur in dit alles?

Hoe mensen zich voeden en voortplanten is van essentieel belang voor de kracht van de natiestaat en precies daarom, stelt Foucault in 1976, is de manier waarop eenieder gebruik maakt van seks de kern geworden van de moderne westerse identiteit. Bijvoorbeeld: seks tussen mannen bestaat sinds mensenheugenis, maar homoseksualiteit wordt pas een identiteit in de negentiende eeuw. Net als bij seks gaat het bij eten om het bevredigen van een lichamelijke lust. En net als bij seks speelt eten een belangrijke rol in de reproductie van de soort en het individu. Reden genoeg om Foucaults Geschiedenis van de Seksualiteit I (1976) toe te passen op de relatie tussen identiteit en eetlust.

Foucault en biomacht

Met de natiestaat ontwikkelt zich vanaf de zeventiende eeuw een staatsraison waarbij onder regeren wordt verstaan: het versterken van de staat op basis van kennis over hetgeen geregeerd moet worden, de populatie. Individuen zijn alleen interessant voor de staat in zoverre ze relevant zijn voor de kracht van de staat. Voor de ontwikkeling van het kapitalisme, en later de industrialisering, was het nodig dat de populatie door middel van demografische processen werd afgestemd op de eisen van de economie. De bevolking moest toenemen, maar burgers moesten tegelijkertijd nuttig en volgzaam zijn.

Zo ontstond de moderne machtsvorm die Foucault biomacht noemt: macht over het biologische leven, een machtsuitoefening over zowel het individuele als het sociale lichaam (de populatie) door disciplinering en regulering. Via het onderzoeken van individuen werd kennis vergaard over de populatie (het geboortecijfer, ziektecijfer, de levensduur, vruchtbaarheid, gezondheidstoestand, kindersterfte, voedingsgewoonten, woonomstandigheden, etc.). Op basis hiervan werden normen opgesteld, bijvoorbeeld ter verbetering van de gezondheidstoestand. Deze normen fungeerden vervolgens weer als leidraad tijdens onderzoeken, bijvoorbeeld door de huisarts. Foucault onderscheidt drie disciplinaire machtstechnieken, het toezicht, de confessie (bijv. enquêtes ) en het examen, die tegelijkertijd kennis opleverden en disciplineerden. Een voorbeeld hiervan zijn de woninginspecties eind negentiende eeuw. Wanneer de bewoning beneden het gewenste niveau was, hielpen opzichteressen de huisvrouw hierin verandering te brengen, maar in het uiterste geval kon huuropzegging volgen.

Seks is van alle tijden, maar seksualiteit ontstaat vanaf de zeventiende eeuw met de moderne natiestaat. Biomacht draait vooral om kennis over de seksualiteit, omdat seks cruciaal is voor de reproductie van de populatie. Foucault spreekt daarom wel van het macht-weten-lust-regime van biomacht.

De seksuele disciplinering begon in de achttiende eeuw bij de opkomende burgerij die zichzelf van een klassenidentiteit wilde voorzien. Daarvoor had zij een gezond, vruchtbaar en hygiënisch lichaam nodig. Een 'gezonde' heteroseksualiteit werd bepalend voor de bourgeoisie. Al het discrete gefluister over seks was niets anders dan een confessionele techniek die zelfdisciplinering diende. Plantte het volk zich eerder vanzelf wel voort, in de loop van de negentiende eeuw werd ook de industriële arbeidersklasse het doelwit van seksuele disciplinering. Dit was een gevolg van het ontstaan van allerlei problemen rondom hun gezondheid en voortplanting, prostitutie, geslachtsziekten en de bevolkingsdichtheid.  Consultatiebureaus, politie, huisartsen en pedagogen onderwierpen de arbeidersklasse  in toenemende mate aan disciplinerende procedures.

De disciplinering als een normalisering van de seksualiteit vond plaats rondom vier thema’s: de hysterisering van het vrouwelijk lichaam waarbij hysterie (hystera is Grieks voor baarmoeder) duidde op een onderstimulering van de baarmoeder, de pedagogisering van de kinderlijke seks (Handen Boven de Dekens!), de socialisering van het voortplantingsgedrag (gezinsplanning) en de psychiatrisering van de perverse lusten met homoseksualiteit als belangrijkste perversiteit. Zo werd de moderne samenleving een disciplinaire samenleving die normaliseerde door middel van seksualiteit: de ‘wil tot weten’ over de eigen seksualiteit werd bepalend voor de persoonlijke identiteit.     

Een 'burgerlijk' lichaam

Ook eten speelde een belangrijke rol in de zelfdisciplinering van de opkomende burgerij. In de loop van 18e eeuw ontstond een burgerlijke zorg om gezonde voeding. Bijvoorbeeld, de Schotse arts en medische pionier George Cheyne (1671-1743) zocht de oorzaken van ziekte bij de bourgeoisie in hun overvloedige maaltijden. Zijn motto was: hoe minder bereiding, hoe minder de trek werd gestimuleerd, hoe natuurlijker en hoe gezonder. Zijn aanbevolen diëten bestonden uit melk en groenten. Daarnaast ontstond in de achttiende eeuw een campagne tegen de gewoonte om kinderen uit welgestelde families te laten voeden door een min. Vrouwen werden door pamfletten aangespoord of zelfs door wetten gedwongen hun kind zelf de borst te geven. En in de negentiende eeuw wordt anorexia nervosa als ziektebegrip en onderdeel van hysterie in de medische literatuur opgenomen (anorexia kwam toen alleen in burgerlijke kringen voor). Voeding stond net als seksualiteit in dienst van een gezond, 'burgerlijk' lichaam.

Pas later werd de disciplinering van het eetgedrag van het proletariaat ingezet. Broodopstanden braken uit en vormden een onderdeel van de algehele West-Europese sociale onrust omstreeks het revolutiejaar 1848. Stedelijke armoede, inefficiënte arbeid en het dieet van de arbeidersklasse werden onderwerp van debatten en wetenschappelijke studies. De huishoudscholen deden hun intrede waarin toekomstige moeders leerden efficiënt en sober maar gezond te koken, waardoor de levensomstandigheden van de arbeidersklasse verbeterden en de sociale onrust afnam.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog dreigde ondervoeding voor een groot gedeelte van de Nederlandse bevolking. Het Voorlichtingsbureau voor de Voeding werd opgericht en verstrekte adviezen over hoe men zich ondanks het tekort toch kon voeden, ondermeer recepten voor de bereiding van tulpenbollen of in het wild gevangen bevers. Na de oorlog bleef het Voorlichtingsbureau vanwege het vitaminetekort van veel mensen voortbestaan en het introduceerde in dit kader in 1953 'de schijf van vijf'. Inmiddels heet het bureau Voedingscentrum, en houdt het zich bezig met de dreiging van een nieuw gevaar: overvoeding. Momenteel worden allerlei projecten gelanceerd om dikke kinderen te leren eten (Handen Af Van Eten!). En mensen worden in toenemende mate gewezen op hun sociale verantwoordelijkheid voor hun eetgedrag, bijvoorbeeld door hen vanwege hun omvang meer voor hun vliegtickets te laten betalen.

Net als een wil tot weten over seksualiteit heeft de moderne mens een wil tot weten over eten ontwikkeld die bepalend is voor de identiteit. De vier eerder genoemde normaliserende ontwikkelingen hysterisering, pedagogisering, socialisering en psychiatrisering blijken, naast seks, ook belangrijk voor de disciplinering van het eetgedrag door de tijd heen. En zeker nu de overvloed van de consumptiemaatschappij toenemend tot gezondheidsproblemen bij de populatie leidt, neemt de urgentie van een disciplinering van het eetgedrag toe. 

Van discipline naar controle

Onder invloed van globalisering verkeren de natiestaat en zijn instituties in een crisis. Gilles Deleuze denkt hierover na in het spoor van Foucault. Hij constateert dat de erosie van de natiestaat en zijn kenmerkende instituties (gezin, school, fabriek, gevangenis) tot gevolg heeft dat de disciplinering buiten de oevers van deze instituties treedt en de vorm aanneemt van permanente controle. De disciplinaire maatschappij is veranderd in wat Deleuze een controlemaatschappij noemt. Waar de discipline op lange termijn werkt, discontinu en beperkt is, daar beoogt de controle het kortetermijneffect en is zij altijd en overal aanwezig, in plaats van alleen binnen de muren van de instituties. De disciplinerende procedures zijn niet meer afhankelijk van de instituties die de procedures inzetten. De procedures zijn veralgemeniseerd en geïntensiveerd. Denk aan 'een leven lang leren', thuiswerken, toezichtcamera’s, elektronische detentie, mobiele telefoons, internet, etc. De controle doorbreekt de grenzen tussen het private en het publieke.

Het verminderen van de invloed van de centrale autoriteit van de staat en zijn instituties heeft te maken met de opkomst van de vrije markt, die steeds meer aspecten van het persoonlijke leven commercialiseert. In plaats van een staatsraison domineert nu een marktraison. Marketing zorgt ervoor dat traditionele normen en betekenissen vervagen. Slechts één norm speelt de hoofdrol in reclameboodschappen, namelijk: geniet! De paradox daarbij is dat, om te kunnen genieten, je niet mag genieten. Om optimaal te kunnen genieten heb je een fit en sexy lichaam nodig en daarvoor moet je lijnen, trainen en pijn lijden, zoals de filosoof Žižek heeft opgemerkt. Het gevolg is dat de marktraison van consumptie onlosmakelijk verbonden is met haar schijnbare tegendeel, namelijk (zelf)discipline. De spanning tussen productie en consumptie, jezelf inhouden en jezelf laten gaan, is typisch voor een controlesamenleving. Vanuit de markt krijgen we constant tegenstrijdige signalen: eet, eet, eet, maar ook: dieet, dieet, dieet. Net als de voedselindustrie gaat het de dieetindustrie om winsten op korte termijn. Het gaat niet om een dieet als duurzame discipline, maar om een kortstondig inhouden waarna er weer geschranst kan worden. Of mensen echt gezonder gaan leven zal de dieetindustrie worst wezen. Mensen laten zich dan weer gaan en houden zich dan weer in. Nu een stuk kaas, maar dan straks wel een half uur joggen. Vanavond zuipen, morgen ontgiften. Nu een koekje, straks een boterham minder.

Veel westerlingen bevinden zich op een boulimisch continuüm met aan de uiteinden de anorecten en de obesen. Boulimiapatiënten zijn overgeleverd aan een afwisselend patroon van vreten en kotsen/laxeren, anderen worden heen en weer geslingerd tussen eten en niet-eten; uitvluchten zijn jezelf dood eten of doodhongeren. Grofweg twee mogelijkheden dienen zich aan om jezelf tegelijkertijd te  handhaven en te weren tegen deze oscillatie: een wil tot weten over eten waarbij je jezelf 'ouderwets' disciplineert op basis van kennis over voeding, of een wil tot eten zonder weten waarbij je je lichaam voorziet van directe controles zoals de maagband of eetlustremmers. De uitdaging is gelegen in de eerste mogelijkheid door je eigen wil tot weten over eten te hanteren zonder al te veel schuldgevoelens en gezondheidsproblemen: het verheffen van eten tot levenskunst zonder daarmee de belangen van de staat of markt te dienen.

Literatuur:

- I. Fase, De Wil tot (W)Eten. Een Aanzet tot een Geneaolgie van de Nutricialiteit, doctoraalscriptie  Erasmus Universiteit Rotterdam 2006.
- M. Foucault, De Wil tot Weten. De Geschiedenis van de Seksualiteit I. Nijmegen: SUN 1976.
- G. Deleuze, "Postscript on the Societies of Control", October 59, Cambridge: MIT Press 1992,  3-7.
- G. Keller, Melk, Macht en Maatschappij, Doctoraalscriptie UVA, 2006.
- A. de Regt, Arbeidersgezinnen en beschavingsarbeid. Ontwikkelingen in Nederland 1870-1940, Amsterdam: Boom,1995 [1984].
- W. Schinkel, Denken in een Tijd van Sociale Hypochondrie. Aanzet tot een theorie voorbij de Maatschappij, Kampen: Klement 2007.
- B.S. Turner, The Body and Society. Explorations in Social Theory. London: Sage Publications 1996.
- VPRO (2005) Lijnen, Andere Tijden.
- S. Žižek, The Parallax View, Cambridge: MIT Press 2006.

Gerelateerde artikelen