9 minuten

Democratie in Afrika

Vijftig jaar onafhankelijkheid

Rond 1960 werden veel Afrikaanse landen onafhankelijk. Na het tijdperk van kolonisatie volgde het tijdperk van zelfbestuur. De bemoeienis van het Westen bleef, waarbij invoering van vrije verkiezingen dikwijls een voorwaarde voor hulp was. Wat heeft vijftig jaar democratisering Afrika gebracht?

Het lijkt erop dat reguliere verkiezingen met meerdere politieke partijen een vaste plek heeft gekregen in de meeste van de 53 Afrikaanse landen. Wat dat betreft staat de Afrikaanse democratie er redelijk goed voor.

Maar als je beter kijkt, rijzen er vragen. In Zuid-Afrika bijvoorbeeld, de grootste economische macht van het continent, heeft maar één partij een reële kans om de landelijke verkiezingen te winnen. Hierdoor krijgt de democratie een vreemde bijsmaak en gaat de aandacht gaat uit naar bepaalde groepen binnen het regerende African National Congress en naar de enige provincie met een sterke oppositiepartij, de Westkaap. Veel mensen vragen zich onwillekeurig af wat het ANC zou doen als het ooit de macht zou dreigen kwijt te raken. Zou het dezelfde weg inslaan als het buurland Zimbabwe, waar president Mugabe de laatste tien jaar bij alle verkiezingen heeft gefraudeerd, en waar hoge militairen bang zijn om gestraft te worden voor hun misdaden als ze ooit de greep op het land zouden kwijtraken?

In veel andere Afrikaanse landen dienen verkiezingen meer als een formele bevestiging van elite-afspraken dan als een eerlijke toets van de publieke opinie. Presidenten die eenmaal zijn geïnstalleerd, blijven vaak decennia lang aan de macht. Machtige families domineren doorgaans het politieke systeem: formeel kent Afrika maar drie monarchieën (Lesotho, Marokko en Swaziland), er zijn echter maar liefst vier constitutionele republieken (Botswana, Congo, Gabon en Togo) waar zoons hun vaders hebben opgevolgd als staatshoofd. Hetzelfde zou spoedig kunnen gebeuren in Egypte, Libië, Senegal en nog een paar andere landen. Aan de andere kant zijn er nog maar een handvol ouderwetse politiestaten, waar een autoritaire president regeert op basis van de steun van het leger en de politie. De meeste van dergelijke landen liggen in Noord-Afrika, waarbij Tunesië waarschijnlijk de meeste effectieve politiestaat is van het hele continent.

De koloniale erfenis

Afrika is een gigantisch continent. Het is niet alleen groter dan Europa, maar kent ook een grotere culturele diversiteit – sommige delen verschillen meer van elkaar dan bijvoorbeeld Ierland en Rusland. Eén van de weinige zaken die voor heel Afrika gelden is dat elk land ooit de kolonie was van een Europees land, uitgezonderd Liberia, waar in 1847 de republiek werd uitgeroepen toen een kleine groep zwarten uit Amerika zich er vestigde (overigens was Ethiopië van 1936 t/m 1941 bezet door Italiaanse troepen, maar dit land is nooit algemeen beschouwd als kolonie). Afrikaanse nationalisten geloofden altijd dat het overnemen van de formele macht van de buitenlanders automatisch zou leiden tot de bevrijding van het hele continent, maar het wordt steeds duidelijker dat emancipatie niet zo eenvoudig is. Niemand denkt dat Afrika als geheel zijn potentieel heeft vervuld in de halve eeuw die verstreek nadat de kolonialen waren vertrokken en de meeste landen zelfstandige, soevereine staten waren geworden.

Ruwweg zijn er twee gangbare verklaringen waarom de zaken niet zijn gelopen als gepland. Eén visie is dat Afrika’s vooruitgang is belemmerd door slecht leiderschap, met name door het falen van de politieke elite. Volgens een andere opvatting is Afrika in zijn ontwikkeling belemmerd door imperialisten en profiteurs van buiten. De achterliggende vraag is: hebben de Afrikanen het vooral aan zichzelf te wijten dat ze het potentieel van hun continent niet hebben verwezenlijkt, of komt het door de buitenstaanders?

Het debat hierover heeft niets gebracht. Een frisse blik is nodig op de vraag hoe Afrika is gekomen waar het nu is. Daarbij moeten we vooral de opinies onder de loep nemen over de vraag wat het kolonialisme gebracht heeft. In het grootste deel van Afrika was de koloniale heerschappij van korte duur, niet meer dan drie of vier generaties. Het belang ervan moet niet worden overdreven, anders raken we blind voor belangrijke factoren die hebben bijgedragen aan Afrika’s politieke evolutie op lange termijn. Ten eerste omvatte de koloniale heerschappij, vooral in kustgebieden, maar een klein deel van een veel langere periode van interactie met externe krachten. Grote delen van de westkust werden voor het eerst opgenomen in de wereldeconomie door de slavenhandel met Noord- en Zuid-Amerika, die zo’n vier eeuwen duurde. Maar delen van Oost-Afrika waren zelfs al veel eerder betrokken bij de handel met het Midden-Oosten en India. Ook hier was slavenhandel een onderdeel van de handel, al is die veel minder bekend dan de Atlantische variant. Deze oude banden, die zelfs onder het koloniale bewind nooit helemaal verdwenen, beleven nu een wederopstanding met de opkomst van China en andere Aziatische machten. Of het nu om het Oosten of het Westen gaat, de langdurige handelsbetrekkingen zorgden voor een sterke verankering in de wereldeconomie, lang voordat Afrika werd gekoloniseerd.

Een tweede en even belangwekkend punt is dat veel van de typische kenmerken van Afrika’s politieke economie totaal geen verband houden met de dekolonisatie van het continent. De verbijsterende bevolkingsgroei in Afrika – de snelste uit de wereldgeschiedenis –  begon in de eerste helft van de twintigste eeuw en gaat sindsdien door. De dekolonisatie had hier geen invloed op. Iets dergelijks geldt voor hulp en schulden, twee van de belangrijkste mechanismen waardoor Afrika afhankelijk is geworden van de rijke delen van de wereld. In de meeste gevallen kan het begin van de schuldenlast worden teruggevoerd op het tweede kwart van de twintigste eeuw. In de jaren vijftig en zestig werden de schulden gestaag groter, toen veel landen hun soevereine status verwierven. Ook hier is sprake van een probleem dat niet begon of eindigde met de dekolonisatie.

De belangrijkste veranderingen in Afrika’s relatie met de rest van de wereld na de Tweede Wereldoorlog vonden waarschijnlijk plaats in de jaren zeventig en tachtig. In die periode veranderde de positie van Afrika in de wereld door de grote financiële omwentelingen die volgden op de ontkoppeling van de dollar van de goudprijs in 1971 en de daaropvolgende inflatie in dat decennium.

Fragiele staten

Sinds het laatste deel van de twintigste eeuw zijn veel Afrikaanse landen verworden tot wat tegenwoordig ‘fragiele staten’ heten. In de praktijk beschouwen internationale diplomaten en zakenmensen slechts een handvol landen ten zuiden van de Sahara als normaal functionerende landen. Botswana, Mauritius en Zuid-Afrika staan bovenaan in deze categorie. Over andere landen wordt over het algemeen geoordeeld dat ze aan het begin staan van hun ontwikkeling. Ghana is de huidige favoriet en Mali, Zambia en nog een paar anderen hebben eervolle vermeldingen gekregen. Weer andere landen vallen afwisselend in en uit de gunst van de donoren. De rest wordt als min of meer disfunctionerend gezien omdat ze niet in staat zijn de publieke diensten te bieden die onder de internationale wetgeving van hen worden verwacht. In ontwikkelingsjargon is het gebruikelijk om van gebrekkig functionerende staten te zeggen dat ze een tijdelijke terugval doormaken op hun pad naar de vooruitgang, maar dat is een onbevredigend standpunt voor iedereen die weigert te accepteren dat er één enkele weg is die naar voorspoed leidt en dat de geschiedenis zich in voorspelbare fases voltrekt.

Opvallend genoeg houden zelfs de meest ‘fragiele’ Afrikaanse regeringen in elk geval in formele zin het uiterlijk van een op westerse leest geschoeide staat, met ministeries, wetboeken etc. Dit vormt een basisvoorwaarde voor het lidmaatschap van de Verenigde Naties en andere cruciale internationale organisaties. De instellingen die noodzakelijk worden geacht om deel uit te maken van de moderne wereld (en die bijna altijd zijn gevestigd in de koloniale periode) worden om die reden van hogerhand overladen met aandacht. Tegenwoordig gaat het daarbij overwegend om instellingen die verband houden met democratie, wat in de jaren negentig een voorwaarde werd voor westerse acceptatie en internationaal aanzien. In werkelijkheid vindt in veel ‘fragiele’ staten het feitelijke bestuur van de samenleving steeds meer plaats via informele circuits, waarvan velen geworteld zijn in de Afrikaanse samenlevingen en de lange geschiedenis van het continent. Deze informele netwerken en instellingen zijn over het algemeen niet democratisch in formele zin, hoewel er soms wel degelijk sprake is van een systeem van verantwoording afleggen aan de bevolking.  Ze zijn geen vervanging van formele verkiezingen en parlementaire vertegenwoordiging, maar kunnen er goed mee worden gecombineerd. Het formele en het informele domein komen soms op vreemde manieren samen. In Zuid-Afrika is de regering enerzijds trots op haar democratische gezindheid, maar versterkt anderzijds in landelijke gebieden de erfelijk overgedragen autoriteit van stamhoofden die bijvoorbeeld zelden enige belang hechten aan de rechten van vrouwen (zij kunnen zelfs geen land erven).

Religie als macht

Eén van de meest opvallende aspecten van informele systemen is de nauwe band met religie. In dit licht moeten ook de opkomst van de christelijke pinksterbeweging en de manifestatie van de islam worden gezien.

De publieke zichtbaarheid van religie wordt door commentatoren vaak voorgesteld als een religieus réveil, maar dat is niet terecht. Er is geen enkel bewijs dat Afrikaanse samenlevingen hun intens religieuze karakter ooit hebben verloren. Wel hebben overheden decennia lang religie als een privézaak beschouwd die buiten de politiek staat, waarbij ze uitgingen van ideologieën die ze als progressief beschouwden omdat ze Europees waren. In werkelijkheid denkt de overgrote meerderheid van de Afrikanen dat welvaart, gezondheid en voorspoed deels het resultaat zijn van onzichtbare processen en niet alleen van tastbare invloeden. Dit is één van de belangrijkste redenen dat mensen interactie zoeken met een onzichtbare wereld. Voor hen zijn religie en politiek twee facetten van één en dezelfde macht. In veel Afrikaanse landen hebben de mensen dan ook het meeste vertrouwen in religieuze leiders. In de Who runs your world-opiniepeiling van de BBC uit 2005 zei niet minder dan 85 procent van de Nigerianen dat ze religieuze leiders meer vertrouwden dan welke andere autoriteit dan ook, en een vergelijkbaar deel was bereid om deze leiders meer macht te geven.

De reden dat mensen in religieuze termen denken is niet omdat ze niet in staat zouden zijn om de wereld op een andere manier te interpreteren. Ze doen het omdat religie een middel is om binnen één kader zowel de wereld als jezelf te begrijpen. De historische wortels daarvan liggen zeer diep. Religie verbindt mensen met hun samenleving en hun omgeving. Er is geen reden om aan te nemen dat je met onderwijs en ontwikkeling seculiere samenlevingen krijgt waarin het geloof uitdooft of een strikt persoonlijke zaak wordt.

Uit deze observaties over de historische wortels van veel informele praktijken moet niet worden geconcludeerd dat er een authentiek Afrika bestaat, onveranderd en tijdloos, dat te voorschijn komt als je het kolonialisme er maar vanaf schraapt, als de aangroei op de romp van een schip. Dat is onmogelijk, aangezien er is gebeurd wat er is gebeurd. Maar het is ook niet wenselijk. Beleidsmakers die bezorgd zijn over de problemen van de ‘fragiele’ staten van Afrika hebben gelijk als ze denken dat de wereld veiliger zou zijn als elk land zou beschikken over een redelijk normaal functionerende regering, met een minimum aan bureaucratische efficiency.

Als een willekeurig land in onze eeuw zijn rechtmatige plaats in de wereldwijde circuits van diplomatie en handel wil innemen, moet het niet alleen over een minimaal effectieve staat beschikken, maar ook over staatsinstellingen die zijn aangepast aan de eigen culturele context en geschiedenis. Hierbij moet de manier waarop mensen hun eigen wereld willen organiseren worden gecombineerd met de technische specificaties die de internationale handel en diplomatie van moderne regeringen eisen. Er moet een ontwikkeling komen van wat Breyten Breytenbach omschreef als “een Afrikaanse moderniteit die wordt gevoed door Afrikaanse roots en realiteiten.”

Uit het Engels vertaald door Michiel Nijenhuis.

Literatuur:

- Breyten Breytenbach, ‘Mandela’s smile: notes on South Africa’s failed revolution’, Harper’s Magazine, December 2008.

Gerelateerde artikelen