11 minuten

Doe-het-zelvers in ontwikkelingshulp

Ontwikkelingssamenwerking op de schop

Er is toenemend wantrouwen over de klassieke ontwikkelingssamenwerking. Toeristen, ondernemers en migranten beginnen hun eigen kleine projectjes: Venlo voor een school in een Masaai-dorp. De traditionele hulporganisaties zullen moeten vernieuwen.

We hebben het met de paplepel ingegoten gekregen: ontwikkelingssamenwerking is goed; ontwikkelingssamenwerking moet. Via school, kerk, vakbond en Rotary-club zamelen we massaal geld in voor de arme medemens elders – in 2003 voor maar liefst 483 miljoen euro, bijeengebracht door 66 procent van de huishoudens. Daarnaast zijn we al decennialang zonder morren bereid om tachtig cent van iedere honderd euro die we met elkaar verdienen in de vorm van belastinggeld te besteden aan ontwikkelingssamenwerking. Het politieke debat beperkt zich tot de vraag of dit een dubbeltje meer of minder moet zijn.

Ogenschijnlijk niets aan de hand dus. Het ‘draagvlak’ voor ontwikkelingssamenwerking is groot, zo heet het. Als we ons dat draagvlak voorstellen als een ijslaag, dan is vrijwel de gehele vijver bedekt – tussen de 75 en 80 procent van de Nederlanders is van mening dat de overheid evenveel, of zelfs meer geld aan internationale samenwerking moet uitgeven (zo blijkt uit onderzoek van het NCDO, een organisatie gericht op het bevorderen van deze publiekssteun). Echter, de rayonhoofden van de ontwikkelingssector meten dat de ijslaag langzaamaan dunner wordt. Er komen scheuren in het ijs en hier en daar wakken. Als we niet oppassen valt, na het démasqué van de multiculturele samenleving, het poldermodel en de Europese samenwerking, ook ontwikkelingssamenwerking van zijn publieke voetstuk.

De nasleep van de tsunami die tweede kerstdag van 2004 de kusten van Zuid-Azië teisterde, is een goede illustratie van de mondiale gemoedstoestand van de Nederlandse samenleving. Massaal veerde de Nederlander – groot en klein, arm en rijk – op van de kerstdis om geld in te zamelen voor de slachtoffers. Een recordbedrag van ruim tweehonderd miljoen euro was het resultaat. Dit was oprecht hoopgevend. Voor even schudde het land de depressieve en rellerige stemming die haar na de moord op Theo van Gogh in haar greep hield, van zich af. Uit onderzoek van de Vrije Universiteit bleek dat 10 procent van gulle gevers aan giro 555 bestond uit ‘nieuw publiek’, dat normaal gesproken geen geld doneert voor internationale hulp.

De vloedgolf van tsunami-mededogen bracht, behalve een herbevestiging van het feit dat de Nederlander begaan is met het lot van de medemens, ook twee andere zaken aan het licht. Eén: een enorm wantrouwen van de burgers tegenover de professionele hulporganisaties. Vrijwel iedere brandweerman, advocate of korfballer die op televisie zijn financiële bijdrage kwam storten, meldde in één adem door dat hij hoopte dat het geld goed besteed zou worden. De lichaamstaal drukte veelal uit dat het vertrouwen hierin niet erg groot was. In de loop van de tsunami-actie werd dan ook een heuse belangenvereniging van donateurs geboren.

Opzwepen

Dit publiekelijk beleden wantrouwen toonde wat onderzoekers al een aantal jaren meten: de groep burgers die denkt dat het ontwikkelingsgeld niet goed besteed wordt, groeit. Zo is 58 procent van de burgers die handhaving of verhoging van het overheidsbudget voor ontwikkelingssamenwerking steunen, niet optimistisch over de effectieve besteding van dit geld (volgens onderzoek NCDO in 2004).

Op de tweede plaats toonde de tsunami-actie dat niet alleen popsterren, computerspelletjes en reclamegadets kunnen hypen, maar ook een humanitaire ramp. De Tsunami was in de laatste week van 2004 en de daarop volgende maand niet van de buis te branden. De maatschappelijke druk om te geven – én véél – was enorm. Hier speelde meer dan enkel naastenliefde. Publiek en media zweepten elkaar op, de hulporganisaties restten weinig anders dan hun actie voor Darfur te stoppen en de sluizen open te zetten voor de tsunami-euro’s. De kerstsfeer, immer getooid met devote gedachten en een lichte gêne over de overdadige luxe, was hier debet aan. Evenals de ‘nabijheid’ van de ramp. De door toeristen gemaakte amateurbeelden van het aanstormende water deed het besef groeien dat ‘ik daar had kunnen staan’. Op de overspoelde stranden van Thailand en Sri Lanka waren ook Nederlanders, Britten en Zweden slachtoffers. Voor het weliswaar zwaarst getroffen maar niet toeristische Atjeh was in die eerste weken veel minder aandacht.

De Tsunami was een hype, nou en? Tel je zegeningen, zonder de overdadige media-aandacht zou er nooit zoveel geld opgehaald zijn. Zeker, maar de schaduwkant van dit alles is dat hypes irrationeel en onvoorspelbaar zijn. Ze komen op, gaan hun eigen weg en verdwijnen weer. De ruim 1,2 miljard mensen die wereldwijd onder de armoedegrens leven kunnen niet bouwen op een dergelijk vluchtig verschijnsel. Bovendien heeft zo’n gehypte inzamelingsactie ook iets oneerlijks. Had de tsunami niet de kust van Thailand en Sri Lanka getroffen maar die van Liberia en Sierra Leone, dan was de beroering in het Westen heel wat minder geweest. De slachtoffers van de genocide in Darfur moesten zich begin 2005 tevreden stellen met een eenkoloms berichtje op pagina vijf.

Gemak

Deze bijverschijnselen van de tsunami-actie zijn geen toeval. Zij staan voor een structurele verschuiving in de publieke opinie ten aanzien van internationale samenwerking. Na de steeds verdergaande professionalisering en institutionalisering van de afgelopen dertig jaar is de ontwikkelingssector nu toe aan een privatisering – of ze het leuk vindt of niet. Het wantrouwen van de burgers in de overheid en daaraan gelieerde professionele organisaties is groot. En dat is een probleem voor de ontwikkelingssector, die voor een belangrijk deel nog via de overheid, kerken en verzuilde organisaties als Cordaid, Novib en Icco is georganiseerd. Nederland is na de ontzuiling ook wat betreft ontwikkelingssamenwerking een 'normaal' land aan het worden. In de ideologie van de oude, nationale zuilen werd via begrippen als naastenliefde, missie en internationale solidariteit op natuurlijke wijze een plek ingeruimd voor de armen in de Derde Wereld. Sinds de ontzuiling is deze vanzelfsprekendheid verdwenen. De groep mensen die daadwerkelijk betrokken is bij het ontwikkelingsdebat slinkt, zo blijkt uit een recent onderzoek van het bureau Motivaction. Er tekent zich, aldus het Mentality-onderzoek, een kloof af tussen de ‘idealistische’ achterban van ontwikkelingssamenwerking en de grote groep ‘op zichzelf gerichte, behoudende burgerij’. Draagvlak voor ontwikkelingssamenwerking is er vooral bij de ‘kosmopolieten’ en de ‘postmaterialisten’ (beide 10 procent van de bevolking). De grootste en snelst groeiende groep Nederlanders, de ‘moderne burgerij’ (22 procent) en ‘gemaksgeoriënteerden’ (9 procent), zijn niet bij ontwikkelingssamenwerking betrokken.

Deze geïndividualiseerde, op zichzelf en zijn eigen groep georiënteerde burger is echter niet immuun voor de nood van de armen elders op de wereld. Zie de tsunami-actie. Als mondige, kritische burgers geven zij echter wel anders invulling aan hun hulpbereidheid. Zij willen resultaat zien, en wel liefst zo snel en concreet mogelijk. En als de gevestigde organisaties niet in staat blijken om in voldoende mate aan deze eis te voldoen, dan nemen zij het heft in eigen hand. Hierbij geholpen door de voortschrijdende globalisering.

Grillig

Als toerist, mediagebruiker en zakenman komt de gemiddelde Nederlander steeds vaker direct in contact met mensen in wat tot voor kort vreemde, exotische oorden waren. Het aantal burgerinitiatieven op het terrein van ontwikkelingssamenwerking stijgt de laatste jaren gigantisch. Toeristen die tijdens hun vakantie in Kenia in contact komen met een school waarvan het dak lekt en het lesmateriaal de tand des tijds niet heeft doorstaan, richten bij thuiskomst een eigen stichting op en zamelen geld in voor ‘hun’ school. Ondernemers die tijdens een zakenreis getroffen worden door het gebrek aan alles in het lokale ziekenhuis boren hun netwerk aan en verschepen een röntgenapparaat. En migranten maken op grote schaal geld over naar de achtergebleven familie in het thuisland. Steeds meer burgers steunen hun eigen doelgroep en hun eigen project. Soms heel tijdelijk, soms langdurig. Soms individueel, soms massaal. Soms met hulp van de professionele ontwikkelingsorganisaties, maar heel vaak ook zonder enige bemoeienis van de gevestigde clubs.

De geïnstitutionaliseerde ontwikkelingssector heeft het hier moeilijk mee. Hoewel het geld, via particuliere donaties en de overheid, blijft binnenstromen voelt iedereen die zich er even in verdiept dat het draagvlakijs aan het kruien is. Steun voor ontwikkelingssamenwerking is niet meer vanzelfsprekend. Het destabiliserende effect van de ontzuiling wordt bovendien nog eens versterkt door de opkomst van de mediacratie. Burgers laten in toenemende mate hun oren hangen naar opinieleiders, die hun meningen en meninkjes via de media uiten. De publieke opinie is een uiterst grillig fenomeen geworden. De mening van grote groepen van de bevolking kan razendsnel fluctueren. Vandaag gemeten steun voor ontwikkelingssamenwerking kan morgen verdampt zijn. Illustratief is de schommeling in de publieke opinie over de Europese Unie. Zes weken voor het referendum over de EU-grondwet steunde 80 procent van de Nederlanders nog de Europese samenwerking. Ander voorbeeld: een half jaar voor de opkomst van het politieke fenomeen Fortuyn leek er in de verschillende opinie-polls voor het Paarse kabinet nog geen vuiltje aan de lucht.

Gotspe

Zoals ook voor andere geïnstitutionaliseerde sociale bewegingen als de vakbeweging en de milieubeweging geldt, zal de ontwikkelingssector zich moeten vernieuwen. Aansluiting zoeken bij de groeiende groep ‘doe-het-zelvers’ is onontbeerlijk. De sector kan het zich simpelweg niet permitteren om deze groep mensen die zich enthousiast en vaak succesvol inzet voor ontwikkelingshulp te negeren. Dit vraagt nogal wat van de sector. Zij moet haar monopoliepositie, en de daarmee gepaard gaande arrogantie, opgeven. De boodschap: ‘Geef ons uw geld en wij doen voor u het werk (want wij hebben er verstand van)’, is niet meer van deze tijd. De sector zal ook sterk aan transparantie moeten winnen. Het is natuurlijk een gotspe dat organisaties die op hoge toon van multinationals eisen dat zij zich verantwoorden voor hun handel en wandel in ontwikkelingslanden, zelf geen behoorlijk jaarverslag presenteren. En op de basale vraag: waarom doen we aan ontwikkelingssamenwerking, zal een voor de moderne burgerij aansprekend antwoord moeten volgen. Niet langer kan worden volstaan met een moreel appèl: ‘We kunnen die arme drommels toch niet aan hun lot overlaten.’ De moderne burger wil ook weten wat hij er zelf aan heeft. Bijvoorbeeld dat het verkleinen van de kloof tussen arm en rijk bijdraagt aan een meer stabiele wereld, waarin de voedingsbodem voor terrorisme afneemt, en het handelsklimaat voor Nederlandse ondernemers toeneemt.

De eerste initiatieven om de kloof tussen de ontwikkelings-doe-het-zelvers en de gevestigde orde te dichten zijn al genomen. Zo heeft de NCDO al een aantal jaren het succesvolle programma Kleine Plaatselijke Activiteiten (KPA). Particulieren die projecten uitvoeren in ontwikkelingslanden en zich kwalificeren voor dit programma krijgen het door hen ingezamelde geldbedrag verdubbeld. Dit initiatief slaat aan, zo laten de cijfers zien. Het aantal gehonoreerde aanvragen steeg van 226 in 1999 naar 380 in 2004. Het beschikbare budget groeit mee, tot 7,7 miljoen euro in 2005. Ook de andere grote ontwikkelingsorganisaties hebben inmiddels hun Front Offices waar burgers kunnen aankloppen voor steun voor hun particuliere initiatief.

Masaai

Heel voorzichtig worden zo de eerste stappen gezet om de ‘gemaksgeoriënteerden’ uit het Motivaction-onderzoek te betrekken bij ontwikkelingssamenwerking. Het is echter wel zaak de moderne burger en doe-het-zelvers niet naar de mond te praten. Het genoemde KPA-programma kent een reeks van particuliere projecten die al jarenlang op hoog niveau hulp verlenen. Alle lof voor de fraaie nieuwbouwschool in het Masaai-dorp, goed bezocht door jongens én meisjes uit de hele regio. Maar wat voor effect heeft dit project als er geen onderwijzers beschikbaar zijn vanwege de nietsontziende aidsepidemie? En waar moeten al die kinderen straks naartoe als er geen werk voor hen is? Of geen verharde weg en busverbinding met de grote stad om daar een vervolgopleiding te volgen? Met andere woorden: het burgerinitiatief vermag veel, maar voor structurele ontwikkeling is meer nodig. Particulier initiatief  - hoe nuttig ook - blijft beperkt tot ontwikkelingshulp. Terwijl de laatste jaren juist het inzicht sterk is gegroeid dat de hulp an sich maar beperkte waarde heeft. Het opheffen van handelsbarrières, het stimuleren van een ondernemingsklimaat, het kwijtschelden van schulden en het bevorderen van vrede, stabiliteit en behoorlijk bestuur, zonder willekeur en corruptie – het is allemaal van wezenlijk belang voor echte ontwikkeling. En het ligt allemaal buiten de macht van de Stichting Een School voor Masaai-dorp uit Venlo.

Dit geldt ook voor die andere vorm van particulier initiatief: het bedrijfsleven. Na een decennialange Koude Oorlog tussen bedrijfsleven en ontwikkelingssector, beginnen beide partijen elkaar heel voorzichtig op te zoeken. Er is weinig discussie meer over het belang van particuliere investeringen in ontwikkelingslanden. Wil je de economie aan de praat krijgen en werkgelegenheid creëren dan zijn investeringen, door lokale maar ook door buitenlandse ondernemers, noodzakelijk. En ook hier geldt dat de ontwikkelingssector en particuliere initiatieven elkaar kunnen aanvullen. Geen ondernemer denkt eraan om te investeren in een land waar de eigendomsrechten niet goed geregeld zijn of iedere verdiende dollar wordt afgeroomd door de belasting. Om maar te zwijgen van landen waar politieke onrust en geweld grote instabiliteit veroorzaken. De enige manier om aan dit soort problemen iets te doen is politieke agendering. Goed bestuur als voorwaarde voor ontwikkeling.

Platzak

Hoe begrijpelijk de afkeer van bureaucratische (overheids)organisaties soms ook is, de moderne burger zal ook moeten inzien dat de Verenigde Naties, ministeries en Oxfams van deze wereld, in al hun onvolkomenheid, onontbeerlijk zijn om de armoede uit te bannen. Het is aan de burgers om van deze organisaties resultaat en transparantie te eisen. Dit is niet in de laatste plaats van belang voor de gevestigde organisaties zelf. Zonder publieke steun voor hun werk zijn zij tandeloos en op termijn platzak. Om deze steun te behouden moeten zij niet alleen efficiënt(er) werken, maar ook ruimte maken voor het particuliere initiatief, in de vorm van hulp én bedrijvigheid. Betrokken burgers hier die samen met burgers en maatschappelijke organisaties daar, werken aan ontwikkeling vormen een stabiele basis voor ontwikkelingssamenwerking. Bovendien is deze burgerbetrokkenheid noodzakelijk om het structurele werk van de overheid en daaraan gelieerde organisaties te legitimeren. De professionals moeten de doe-het-zelvers serieus nemen. De doe-het-zelvers zullen vrijwel automatisch meer begrip krijgen voor de lange en taaie weg van structurele ontwikkeling. Wie zich met hart en ziel inzet voor een school of weeshuis in Afrika, loopt vroeg of laat tegen de grenzen aan van wat hij in zijn eentje vermag. Juist vanwege de eigen betrokkenheid en het directe belang bij het project zal de stap naar maatschappelijke bewustwording en actie – hier én daar – dan klein zijn. Zo gaan burgers (het belang van) de overheid en internationale organisaties opnieuw uitvinden. En vormgeven.

Gerelateerde artikelen