9 minuten

Duizelingwekkende ongelijkheid

De publieke sector staat volop in de politieke belangstelling. De waardering is te laag, de bureaucratie verstikkend en de beloning moet omhoog. Links maakt zich hard voor forse investeringen in de publieke sector, terwijl de coalitie vindt dat er nu wel genoeg geld naar de verpleger, politieagent en onderwijzer is gegaan. Wie heeft gelijk?

De ongelijkheid in Nederland groeit. We zien het in publicaties over vermogensongelijkheid, we zien het in cijfers van het CBS. De rijken worden rijker. De groep die in armoede leeft, groeit en de (lagere) middeninkomens profiteren niet van de economische groei. De gevolgen hiervan zijn ingrijpend. De ongelijkheid is niet alleen financieel voelbaar, ook sociaal-maatschappelijk zijn de gevolgen schrijnend. Het voedt wantrouwen en zet de sociale cohesie onder druk.
De afgelopen jaren was er veel aandacht voor de middenklasse. De WRR wijdde er een uitvoerige studie aan, en zette de vraag centraal of deze groep niet te kwetsbaar is geworden. De conclusie: de middenklasse lijdt onder toenemende onzekerheid en ‘sociale daling’. De politiek werd opgeroepen de onzekerheid  voor deze groep te verminderen.
Die oproep kreeg gehoor. Vooral links werpt zich sindsdien op als verdediger van de middenklasse, met de nadruk op de publieke sector. GroenLinks-partijleider Klaver noemt die sector de ‘stille motor die Nederland draaiende houdt’. Hij spreekt bovendien over een crisis in de publieke sector, de sector waarin veel van het uitvoerende werk door de (lagere) middenklasse wordt verricht.
Niet alleen de politiek, maar ook de sector zelf laat van zich horen. Met nieuwe actiegroepen van werknemers, zoals PO in Actie, Zorg in Actie en de nieuwe politievakbond MV2 breidt het protest zich uit. Wat hen verbindt, is de gedeelde onvrede over een teveel aan bureaucratie en administratieve druk en een tekort aan waardering en beloning.
Er lijkt inmiddels brede consensus dat de lonen in de publieke sector inderdaad wel wat omhoog kunnen. Toch is er weinig zicht op de financiële positie van de verschillende beroepsgroepen in de publieke sector. Natuurlijk, de brutolonen zijn in Cao-schalen terug te vinden, maar hoe zit het met de werkelijke besteedbare ruimte?

Niet alleen het inkomen

Inzicht in de mate van ongelijkheid in Nederland kan niet alleen afgeleid worden uit de verschillen in inkomen. In 2009 wees een commissie bestaande uit onder meer Nobelprijswinnaars Stiglitz en Sen al op de noodzaak om bij financiële welvaart verder te kijken dan alleen de inkomenspositie, en meer specifiek op de verdeling van bezit te letten. Ook Thomas Piketty schreef in zijn Kapitaal in de 21ste eeuw dat de echte ongelijkheid te vinden is in vermogensbezit.
En inderdaad, terwijl in Nederland de inkomensongelijkheid bescheiden is en ons land internationaal tot de middenmoot behoort – ons belasting- en premiestelsel zorgt voor een egaliserend effect – is de vermogensopbouw in Nederland extreem ongelijk. De OESO becijferde eerder dit jaar dat we alleen de Verenigde Staten voor moeten laten gaan als het gaat om vermogensongelijkheid. Als we iets te weten willen komen over de werkelijke financiële positie van mensen die het uitvoerende werk in de publieke sector voor hun rekening nemen, dan moeten we niet alleen het loon kennen, maar ook de gemiddelde vermogenspositie in ogenschouw nemen.
Als we naar de verdeling van vermogen in Nederland kijken, dan zien we dat de meest vermogende 10% van de bevolking opgeteld een vermogen van 767 miljard euro heeft. Dat is twee derde van al het vermogen in Nederland, dat totaal  1.157 miljard euro bedraagt. De minst vermogende 60%  – de meerderheid van de Nederlandse bevolking – bezit bij elkaar opgeteld een negatief vermogen van  21,5 miljard euro. Dat betekent dat deze groep meer schulden heeft (hypotheekschuld en ‘gewone’ schulden) dan bezit (zoals banktegoed en een eigen woning).
Die grote ongelijkheid in vermogensbezit is al langer bekend. Maar net als inkomen, zegt ook de verdeling van vermogen nog niet veel over de financiële positie van mensen in bepaalde beroepsgroepen. Iemand met een groot vermogen op de bank en een kast van een huis dat afbetaald is hoeft niet altijd ook in de hoogste inkomensgroep te vallen. En andersom hoeft iemand met een hoog inkomen niet perse een groot vermogen te hebben.

Verpleger, buschauffeur, leerkracht

Om meer te weten over de financiële positie van mensen die in de publieke sector werken, moeten we dus wat dieper graven. Niet alleen moeten we de inkomens van deze beroepsgroepen in kaart brengen, maar ook de verdeling van vermogen over die inkomensgroepen onderzoeken.
Eerst het inkomen. Een gemiddeld loon van mensen met uitvoerende functies in de publieke sector bestaat niet. Buschauffeurs, onderwijzers, thuiszorgmedewerkers, politieagenten, verplegers, conducteurs, vuilnisophalers: ze werken onder uiteenlopende cao’s en arbeidsvoorwaarden. Toch is er op basis van de cao’s wel een bandbreedte van het besteedbare inkomen van mensen in deze beroepen te geven.
De salarisschalen  van een selectie uit bovenstaande beroepen geven zicht op de bruto jaarsalarissen. Maar belangrijker dan het bruto inkomen, is het netto inkomen. En als we vervolgens het netto inkomen van een thuiszorgmedewerker met dat van een buschauffeur of onderwijzer willen vergelijken, moeten we ook nog een correctie naar grootte en samenstelling van het huishouden aanbrengen: het gestandaardiseerde inkomen. Iemand die alleen woont, heeft voor een gelijk bestedingsniveau nu eenmaal minder inkomen nodig dan iemand in een gezin met kinderen.
Uit de vergelijking van de cao’s blijkt dat er binnen het uitvoerende werk in de publieke sector grote inkomensverschillen zijn. Niet zo verwonderlijk: er valt een scala aan beroepen onder, variërend van laaggeschoold tot HBO-geschoold werk. In ons onderzoek hebben we drie voorbeelden meegenomen. Een alleenstaande verpleger in de thuiszorg, een getrouwde buschauffeur met kinderen en een samenwonende leerkracht in het basisonderwijs. Met die keuze spreiden we over de variëteit in loon in de gekozen cao’s en over de verschillende manieren waarop mensen leven en wonen. We gaan er van uit dat ze alle drie fulltime werken en we houden geen rekening met inkomen van partners of huisgenoten.
Uit de berekeningen die we maakten, blijkt dat de alleenstaande verpleger een besteedbaar inkomen van 1.800 euro heeft, de getrouwde buschauffeur met kinderen ruim 1.400 euro en de onderwijzer 1.900 euro. Dit zijn de gestandaardiseerde inkomens per maand.

Van inkomen naar vermogen

De volgende vraag is nu: is dat inkomen hoog of laag? Het CBS houdt bij hoe het gestandaardiseerde inkomen in Nederland verdeeld is over huishoudens. Daaruit kunnen we afleiden dat de minst verdienende 10% een jaarinkomen heeft tot 13.400 euro. De volgende 10% heeft een jaarinkomen tussen de  13.400 en€ 16.700 euro, en zo verder. Het gaat hier opnieuw om gestandaardiseerde inkomens.

Gestandaardiseerd jaarinkomen van huishoudens, exclusief studenten, in grenswaarden voor decielen weergegeven (x 1.000)

Voor onze drie voorbeelden geldt dat ze, omgerekend naar jaarinkomen, alle drie tussen de vijfentwintigste en vijftigste percentielgroep vallen. Omdat we de drie voorbeelden gekozen hebben uit loonschalen binnen de onder- en bovengrenzen van de uitvoerende beroepen in de publieke sector en we uit zijn gegaan van fulltime aanstellingen, kunnen we ervan uitgaan dat voor werknemers in andere uitvoerende beroepen in de publieke sector geldt dat ze in dezelfde categorie – en eerder lager dan hoger - zullen vallen.
De volgende stap is het afzetten van de indeling van inkomens tegen de verdeling van het vermogen in Nederland. Daarvoor hebben we het CBS gevraagd nieuwe berekeningen te maken om te laten zien welk deel van het vermogen in handen is van huishoudens die loon als belangrijkste inkomensbron hebben. Uit deze groep kunnen we de 25% waar het ons om te doen is, apart bekijken en conclusies trekken over hun vermogenspositie.

Vermogen verdeeld over huishoudens met loon als belangrijkste inkomensbron, exclusief studenten (in miljard)

In grafiek 2 zien we de verdeling van vermogen over inkomensgroepen. Als we inzoomen op de groepen van het uitvoerende werk in de publieke sector, dan zien we een totaal vermogensbezit van  30,9 miljard euro (in de 25- tot 50%-groep waar deze inkomens in vallen). Dat is ongeveer 2,7% van het totale vermogen in Nederland. Terwijl, zoals we eerder constateerden, de rijkste 10% twee derde van het totale vermogen in Nederland bezit.
Als we die top 10 nog verder opdelen en kijken naar de rijkste 1%, dan zien we dat de vermogenskloof met deze kleine groep steeds schrijnender wordt. De rijkste 1% bezit 315,4 miljard euro, ruim tien keer zoveel als de 25% die we onderzoeken. Een huishouden uit de rijkste 1% bezit daarmee ruim 250 keer meer vermogen dan een huishouden uit de groep waarbinnen de mensen vallen die het uitvoerende werk in de publieke sector verricht.
De rijkste 0,1% procent bezit 127,2 miljard euro van het totale vermogen. Dat betekent dat een huishouden uit de top 0,1% in Nederland zelfs ruim 1.000 keer meer vermogen heeft dan een eenverdienershuishouden in de groep van 25% Nederlanders met uitvoerende beroepen in de publieke sector. We kunnen hier gerust van duizelingwekkende verschillen spreken.

Maatschappelijke effecten

Ongelijkheid in inkomen en vermogen zet de eenverdienershuishoudens die het uitvoerende werk in de publieke sector doen niet alleen financieel op achterstand. Het heeft ook grote sociale en maatschappelijke gevolgen. Zoals veel onderzoek aantoont, leidt ongelijkheid tot afname van de sociale cohesie in een samenleving.
De verklaring daarvoor is simpel. Hoe groter de ongelijkheid, hoe minder mogelijkheden mensen met weinig bezit hebben om regie over hun eigen leven te voeren. Voor degenen die weinig bezitten, is het in een samenleving waar sommigen juist heel veel hebben, pijnlijk duidelijk dat ze minder mogelijkheden hebben dan de vermogenden. Denk daarbij aan het kopen van een huis, het volgen van (aanvullende) opleidingen, mogelijkheden om een sociaal netwerk op te bouwen, het dekken van onverwachte uitgaven of toegang tot (betaalde vormen van) gezondheidszorg.
Naast dit directe effect van minder bezit, heeft ongelijkheid ook een psychsociaal effect. Dit is met name aangetoond door Wilkinson en Pickett, die betogen dat in samenlevingen met grote inkomensverschillen de problemen met psychische gezondheid, drugsgebruik, criminaliteit, obesitas, vertrouwen, tienerzwangerschappen en het welzijn van kinderen groter zijn dan in meer gelijke samenlevingen. Dat komt vooral door de statusverschillen die belangrijker worden binnen een ongelijke maatschappij. Groepen met veel minder inkomen voelen zich achtergesteld, keren zich af van de samenleving, verliezen het vertrouwen in instituties en politiek en raken in een sociaal isolement. Recent onderzoek bevestigt dat deze effecten ook in Nederland optreden.
Hoewel Wilkinson en Pickett zich beperkten tot inkomensverschillen, is het aannemelijk dat grote verschillen in besteedbaar financieel bezit (inkomen plus vrij vermogen) tot dezelfde effecten leiden. Vermogensverschillen leiden immers net zo goed tot minder ruimte om onverwachte uitgaven te dekken. Ze creëren net zo goed statusverschillen die door bezit worden bepaald (huizenbezit, dure auto’s).
De ongelijkheidseffecten worden sterker in een samenleving waar de verzorgingsstaat zwakker is. In een sterke verzorgingsstaat kunnen mensen terugvallen op een sociaal vangnet. In een zwakkere verzorgingsstaat moeten mensen terugvallen op eigen vermogen als de nood aan de man komt. Voor wie geen vermogen heeft, is dat een bedreigend en beangstigend scenario.
De negatieve effecten van vermogensongelijkheid zien we dus terug in de samenleving. Politici moeten die effecten erkennen en de oorzaken bestuderen. Op basis daarvan zijn er tal van mogelijkheden om de ongelijkheid in de samenleving te verkleinen. Een substantieel aantal instrumenten, zoals belastingheffing, ligt in handen van politici. Het beschermen en verstevigen van de verzorgingsstaat hoort er zeker ook toe.
Met de constatering dat eenverdienershuishoudens die het uitvoerende werk in de publieke sector een extreem grote afstand hebben tot de meest vermogenden, is er reden hun financiële positie te verbeteren. Het onderstreept bovendien opnieuw dat de vermogensongelijkheid in Nederland extreem is. Alles bij elkaar voldoende reden om nu echt maatregelen te nemen die de ongelijkheid in Nederland terugbrengen tot een acceptabel niveau. In het belang van onze publieke sector. In het belang van de samenleving.

Literatuur

Monique Kremer et al., Hoe ongelijk is Nederland? Een verkenning van de ontwikkeling en gevolgen van economische ongelijkheid. WRR Verkenning, Amsterdam University Press, 2014.
R. Wilkinson en K. Pickett, The Spirit Level. Why more equal societies almost always do better. Allen Lane, 2009.
Inequalities in household wealth across OECD countries, OECD Statistics Working Papers, 2018.
W. Bos et al., Meten van inkomen en inkomensongelijkheid. CBS, 2018.

 
Dit artikel staat in het winternummer van tijdschrift de Helling. Altijd de nieuwste artikelen lezen? Sluit een abonnement af.

Gerelateerde artikelen