9 minuten

Ecotoxicoloog Heather Leslie: ‘We hebben allemaal plastic in ons lichaam’

De Canadese, maar al geruime tijd in Nederland gevestigde ecotoxicoloog Heather Leslie onderzoekt aan de VU Amsterdam de milieu- en gezondheidseffecten van plastic. Dat kunststoffen vervuilend zijn en nauwelijks afbreken in het milieu, is bekend. Van het feit dat plastic ook schade aanricht in ons eigen lichaam, schrok Leslie zelf. “Op dit moment maken we zoveel ontwerpfouten.”

De gemiddelde mediagebruiker ziet regelmatig plaatjes van schildpadden verstrikt in visnetten en vogelmagen vol met plastic troep. Wat is er aan de hand? “Die beelden zijn inderdaad heel aangrijpend en niet zeldzaam. Als je ze aan een kind laat zien, vloeien er geheid tranen. Het is een van de bittere voorbeelden van ‘technology biting back’. Plastic is een supermateri­aal en daarom – begrijpelijk – enorm populair. Plastic is eigenlijk té duurzaam: het materiaal gaat veel langer mee dan de levensduur van het product dat ervan wordt gemaakt. Daardoor ontstaan verschijnselen als ‘ghost fishing’, waarbij netten losraken en in hun eentje gaan vissen, en op die manier ook dolfijnen en vogels verstrikken. De netten lossen niet op het in het water. Zo sterven dieren in een net dat niemand uit zee haalt.”

Zijn die waarschuwingen terecht? En wat staat ons nog meer te wachten als we de plasticgroei niet stuiten? “Het dierenleed is maar één van de vele problemen van plasticgebruik. Naast een ‘oceaanprobleem’ vormt het ook een probleem voor de volksgezondheid, want we hebben allemaal onderdelen van plastic in ons lijf en in ons bloed. Maar het is ook een mensen­rechtenprobleem, want we sturen al onze afgedankte elektronische producten, die vaak ook veel plastic bevatten, naar landen zoals Ghana. Daarnaast is het een vervuilingsprobleem, want er ontstaat milieuscha­de bij de winning van de voornamelijk fossiele grond­stoffen zoals aardolie die nodig zijn voor de productie van plastic. Het wordt steeds lastiger om die grond­stoffen te delven: we moeten er vaker voor naar kwetsbare arctische gebieden of gebieden met geopo­litieke problemen zoals Rusland. Ook veroorzaakt de winning van fossiele grondstoffen heel veel ecologi­sche, sociale en economische problemen zoals in Groningen.”.

U zegt dat plastic een probleem vormt voor de volksgezondheid. Hoeveel plastic hebben wij in onze maag? “Om de impact van plastic op onze gezondheid te be­grijpen, is het goed om te weten wat plastic precies is. Plastic bestaat uit polymeerketens, heel lange molecu­len die aan elkaar vastzitten. Aan die polymeerketens zijn altijd chemische additieven toegevoegd om de functionaliteit van de plastics te realiseren: de precieze buigzaamheid, de sterkte, de kleur.

Heel kort door de bocht zou je kunnen zeggen dat plastic lijkt op een bord spaghetti, waarbij de pasta de polymeerketens zijn en de andere moleculen de saus. De spaghetti en de saus zijn allebei problematisch. Bij het gebruik van plastic wasemen de additieven – de saus – langzaam uit, met verschillende snelheden. Dat begint al bij de productie van een stuk plastic. De beken­de geur van een nieuwe auto is een voorbeeld: die komt van additieven die na oplevering van de auto meteen al uitlogen, dus ontsnappen uit het plastic. Of neem deze laptop. Na een tijdje werken op de laptop kun je op je vingers al vlamvertragers meten. Dit gebeurt ook als je plastic verpakkingen en dergelijke lang vasthoudt. Dan zijn er nog de ftalaten: weekmakers die aan vele soorten plastic worden toegevoegd om ze buigzamer te maken. Al deze additieven komen in onze leefomgeving en daarmee in ons lichaam terecht. Daarnaast krijgen we ze binnen via microplastics. Dat zijn kleine plastic deel­tjes die ofwel vrijkomen bij slijtage, ofwel opzettelijk zo klein zijn ontworpen, als ingrediënt voor scrubmiddelen of tandpasta bijvoorbeeld. Dat uitlogen gebeurt dan in je lichaam. Het zijn deeltjes die binnen krijgt simpelweg via eten en drinken. Microplastics zitten in verpakkings­materiaal of stof, maar komen ook in de voedselketen zelf terecht, bijvoorbeeld via vis en andere zeedieren die het weer opeten uit de zee. Hoe kleiner de deeltjes zijn, hoe groter de kans dat ze ons lichaam binnenkomen en daar uitlogen. Ik ben zelf geschrokken van de mate waarin wij mensen blootgesteld zijn aan kleine deeltjes en welke gezondheidseffecten dat zou kunnen hebben. Het gaat over schade aan ons immuunsysteem, aan hart en vaten, longen, darmen, en zelfs aan de hormoonba­lans.”.

Ik ken het plasticprobleem vooral in de vorm van zwerfafval op straat, dat heel zichtbaar is. De zaken die u nu noemt, klinken eigenlijk nog veel urgenter, geniepiger, ingrijpender. “Van zwerfvuil is de schade duidelijk: het veroorzaakt ecologische en economische schade – troep moet opge­ruimd worden – en is bovendien niet prettig om te zien op straat, het strand of in het bos. Ik vind dat heel we­zenlijk: zwerfafval heeft niks met schoonheid te ma­ken, het heeft niks met menselijke waardigheid te ma­ken. Dat de afvalproducten van onze productie- en consumptiemaatschappij ook als kleine deeltjes ons lichaam vervuilen, heeft ook iets lelijks. 

Hebben we daar niet gewoon wetten en regels voor? Schadelijke additieven klinken als redelijk goed te reguleren, in vergelijking met overconsumptie van plastic verpakkingen. “Er is regulering, maar de vraag is wie de regels alle­maal hebben beïnvloed. Het is makkelijk om aan wet- en regelgeving te voldoen als je zelf veel te zeg­gen hebt gehad over hoe die in elkaar zit. Bovendien is er heel veel wat we nog niet weten. De EU-verorde­ning REACH (Registration, Evaluation, Authorisation and Restriction of Chemicals – red.) is nog maar twaalf jaar oud, en die behelsde al een aardverschui­ving. Sinds REACH moet een producent nu eerst aan­tonen dat een chemische stof veilig is voordat je deze mag gebruiken. Maar er zitten genoeg mazen in de wet. Voor producenten die onder een bepaald volume produceren, gelden minder strikte en intensieve regels voor wat betreft de evaluatie van effecten op mens en milieu. En het probleem met hormoonverstorende stoffen is deze vaak al bij zeer lage doses effect heb­ben. Het is heel moeilijk om te bepalen wat de werke­lijke blootstelling is en wat de effecten op het levende lichaam precies zijn.

Het gezondheidsrisico houdt ook niet op bij de additieven. Lange tijd dachten toxicologen dat vooral de ‘saus’ schade aanricht. Inmiddels weten we dat ook de polymeren, dus de spaghetti zelf, schade kunnen veroorzaken in het lichaamsweefsel. Dat heet oxida­tieve stress, en als dat lang aanhoudt, ontstaan chroni­sche ontstekingen. In eerste instantie zei me dat niet veel, maar dergelijke ontstekingenzijn vaak de eerste oorzaak van een heleboel ernstigere aandoeningen. Er is veel meer onderzoek nodig om de relatie tussen plastic en ziekte beter in beeld te brengen. Gelukkig begint daar ook eindelijk wel geld voor vrij te komen.”.

Deze informatie stemt nogal somber over het gebruik van kunststoffen – of we dat nou in een circulaire economie doen of niet. Moeten we er niet gewoon helemaal vanaf? “Wat mensen inderdaad wel vergeten als we het hebben over de circulaire economie is dat deze vrij zal moeten zijn van giftige stoffen, en dat ook kleine lekkages fu­nest kunnen zijn. Het gaat niet om recycling maar om re-design. Op dit moment maken we zoveel ontwerpfou­ten. Neem de bezemwagens die onze straten schoonve­gen: daar zitten polypropyleen borstels onder. Elke keer dat ze over de keien vegen, slijten ze en komen er weer microplastics vrij. Een veegwagen is gewoon een microplasticsgenerator. Mijn schoenen ook, die hebben plas­tic op de zolen. Dus met elke stap die we zetten, creëren we allemaal microplastics. Idem elke keer als je je syn­thetische kleding wast. Maar tegelijkertijd: onderschat niet de vernuftigheid van de mens. We hebben ook ooit plastic bedacht, er is geen reden om te denken dat we over enkele tientallen jaren niet met iets veel beters komen. Als het materiaal benign by design is, is het minder erg wanneer er iets uit het system lekt.”.

Benign by design, bedoelt u daarmee bio-afbreekbare plastics? “Ten dele. Er zijn allerlei problemen met bioplastics, zeker omdat er naast bio-afbreekbare ook niet-afbreek­bare bioplastics bestaan. De plantenteelt die nodig is om bioplastics te maken, kost landbouwgrond en water en deze planten zijn opmerkelijk genoeg vaak niet biolo­gisch geteeld. Toch denk ik dat het voor producten die snel verslijten wel een oplossing kan zijn. Het plastic moet wel echt afbreekbaar zijn, en niet ‘composteer­baar’ zoals nu vaak het geval is. In dat laatste geval is het alleen bij zestig graden en een vrij hoge druk en met een bepaald gespecialiseerd micro-organisme af te breken.

Voor het terugdringen van plasticgebruik kunnen we ingrijpen in verschillende stappen in de keten, van de grondstofwinning tot de consument. Waar kunnen we het beste ingrijpen en met wat voor instrumenten? “Ik vind dat economische instrumenten veel meer ge­bruikt zouden moeten worden. Bijvoorbeeld de ver­plichte prijs voor plastic zakjes in de winkel: ik heb nog nooit een winkelier gesproken die zei dat zijn klanten daarover klagen. Wat ik wel vaak hoor, is de behoefte aan meer prijsbeleid in de industrie. Een beetje bedrijf heeft enige speelruimte in de keuzes die het maakt, maar deze keuzes mogen niet veel meer kosten dan de producten van de concurrentie. Zolang er geen goed prijsbeleid is, kunnen zij geen gezondere alternatieven op de markt zitten die de concurrentie overleven. Ik vind het bemoedigend dat de markt vraagt om meer regels en instrumenten, en economische instrumenten horen daarbij. Je hoeft echt geen miljoenen aan recla­me uit te geven om mensen ervan te overtuigen dat het beter voor ze is als ze geen plastic meer doorslikken via hun tandpasta.

Dat gezegd hebbende: er zijn belangen die het erg ingewikkeld maken om effectief in te grijpen. Ik citeer graag Henry David Thoreau: “There are thousands hacking at the branches of evil to one who is striking at the root.” Dit vind ik heel erg toepasselijk voor de situatie rond plastic. We investeren veel te veel in symptoombe­strijding, via het opruimen van plastic – 1,3 miljard kubieke kilometer zee, hoe ontdoe je die van plastic als het er eenmaal in is beland? – maar investeren nauwe­lijks in preventie.”.

U werkt behalve interdisciplinair ook graag met kunstenaars. Waarom? “Door met meerdere mensen en denkpatronen in con­tact te komen, vergroot je je eigen creativiteit. Net als een wetenschapper wil een kunstenaar iets authen­tieks doen, iets onderzoeken waarvan hij aan het begin niet weet waar het zal eindigen. Mogelijk maak je men­sen boos met je resultaten of stuit je op politieke weer­stand, zoals milieuwetenschappers regelmatig onder­vinden”.

Nog even terug naar de oceanen en rivieren. Is niet Zuidoost-Azië de grootste vervuiler, verantwoordelijk voor meer dan de helft van al het plastic in de zee? “Het klopt, in die streken is de afvalproductie zeer groot en de inzameling zeer beperkt. Maar wat is daar­in de verantwoordelijkheid van westerse landen zoals Nederland of de Verenigde Staten, die miljoenen ton­nen plastic van lage kwaliteit naar Zuidoost-Azië ex­porteren? Het is niet alleen plastic afval dat naar Azië gaat; ook veel vers consumptieplastic gaat die kant op. Westerse multinationals maken voor niet-westerse markten vaak kleine flesjes of zelfs zakjes frisdrank, omdat mensen geen fles van anderhalve liter kunnen betalen bijvoorbeeld. Door het exporteren van produc­ten die bijna gegarandeerd eindigen als zwerfafval, vervuilen westerse bedrijven willens en wetens Azië, nog afgezien van het afval dat we daar naartoe sturen voor verwerking. En als het niet naar land A kan, dan zoeken we een andere eenvoudige oplossing. Denk bijvoorbeeld aan de westerse cruiseschepen bij de Caribische eilanden die naast toeristen ook tonnen afval afleveren. We hebben altijd een manier om het plastic afval te lozen, en daarmee onze verantwoorde­lijkheid af te schuiven.

Misschien klinkt het gek, maar soms heb ik het ge­voel dat ik via het plasticprobleem ook werk aan een betere mentale gezondheid en mensenrechten. De scha­delijke gevolgen van plastic gaan zoveel verder dan de natuur alleen. De oplossing hiervoor zal, denk ik, niet technologisch zijn, maar veeleer politiek en sociaal-cultu­reel. Ik hoop dat politici dat ook inzien en nog sterker in actie komen, met de woorden van Thoreau in het achter­hoofd.”

 

Dit artikel staat in het winternummer van tijdschrift de Helling. Klik hier voor een abonnement.

Gerelateerde artikelen