14 minuten

Een gedeelde erfenis

De onvermijdelijke natiestaat

De twintigste eeuw was de eeuw waarin de opkomst van de moderne natiestaat tot een grote herschikking en zuivering van de Europese bevolking leidde. Na veel geweld, vooral tegen minderheden, biedt de Europese Unie nu de mogelijkheid om nieuwe tegenstellingen in goede banen te leiden.

Op dinsdag 28 juli 1914, de dag waarop Oostenrijk-Hongarije Servië de oorlog verklaarde, verbleef de vijfentwintigjarige Ludwig Wittgenstein in Wenen. Hij kwam uit Noorwegen, waar hij boven een fjord in Skjolden begonnen was met de bouw van een houten huis. Met zijn vriend David Pinsent had hij afgesproken elkaar op 24 augustus in Londen te ontmoeten voor een gezamenlijke vakantie. Daarna wilde hij vanuit Engeland, waar hij in Cambridge bij Bertrand Russell en G.E. Moore wijsbegeerte studeerde, naar zijn eenzame Noorse hut terugkeren en verder werken aan zijn verhandeling over de grondslagen van de logica.

 

Het zou anders lopen. Pas in de zomer van 1921 zag Wittgenstein zijn huis in Noorwegen terug en in 1925 zette hij voor het eerst in twaalf jaar voet op Britse bodem. Op vrijdag 7 augustus 1914 meldde hij zich als vrijwilliger bij het Oostenrijks-Hongaarse leger. Duitsland had inmiddels Rusland en Frankrijk de oorlog verklaard en was Luxemburg en België binnengetrokken. Montenegro had Oostenrijk-Hongarije oorlog aangezegd en de dubbelmonarchie had dat de vorige dag jegens Rusland gedaan. De lijst met oorlogsverklaringen zou nog lang doorgaan, maar Wittgenstein wist wat hij deed.

 

De volgende vier jaar zou Ludwig Wittgenstein aan het oostelijk front tegen Rusland doorbrengen, tot hij tegen het eind van de oorlog in het zuiden tegen Italië werd ingezet. Terwijl hij tussen de krijgshandelingen door doorwerkte aan zijn Tractus logico-philosophicus (1921/2), onderscheidde hij zich door onverschrokkenheid en rust. Hij kreeg diverse onderscheidingen.

 

Net voor hij in 1918 de laatste hand aan zijn boek legde, hoorde hij dat David Pinsent, die als testpiloot voor het Britse leger werkte, bij een ongeluk was omgekomen. De gehele oorlog hadden ze geprobeerd in contact te blijven. Het verdriet reikte over grenzen heen. Wittgenstein verloor niet alleen zijn ‘beste en enige’ vriend, een broer pleegde als officier zelfmoord en een andere broer, concertpianist, verloor een arm. Ironisch genoeg vocht Wittgenstein in 1918 in Italië tegen Britse troepen. Op 3 november werd hij krijgsgevangene en pas in augustus 1919 kon hij naar Wenen terugkeren.

 

Staat en natie

De staat waar hij vier lang zijn beste krachten voor gegeven had, bestond niet meer. Wittgensteins motieven vrijwillig dienst te nemen waren complex, maar zijn diepe verbondenheid is boven twijfel verheven. Terwijl hij in 1914 honderdduizend kronen onder een aantal kunstenaars, onder wie Georg Trakl, Rainer Maria Rilke, Oskar Kokoscha en Adolf Loos, had laten verdelen, schonk hij in 1916 hetzelfde bedrag voor de aanschaf van mortieren. Toch was het keizerlijk-koninklijke Oostenrijk-Hongarije geen nationale staat waar inwoners zich gemakkelijk mee konden vereenzelvigen.

 

In oktober 1914 noteerde Wittgenstein hoe treurig hij zich voelde over het lot van ‘ons ras, het Duitse ras’. De Engelsen konden niet verliezen. ‘Maar wij kunnen wel verliezen en als we dit jaar niet verliezen, dan doen we dat het volgend jaar wel. Ik raak vreselijk gedeprimeerd door de gedachte dat ons ras verslagen wordt, want ik voel me helemaal Duitser’. Ook tijdens de Tweede Wereldoorlog bleef hij zich, inmiddels tot Engelsman genaturaliseerd, met Duitsland verbonden voelen. Oostenrijk-Hongarije kende vele nationaliteiten: Duitsers, Hongaren, diverse Slavische volkeren en anderen.

 

De Eerste Wereldoorlog markeerde de overgang van een Europa dat voor een aanzienlijk deel uit omvangrijke multi-etnische rijken bestond, naar een orde waarin volkeren eigen staten vormden. Bij het ontstaan van de oorlog vormde de verhouding tussen staat en natie reeds een thema. Welke staat in 1914 de verhoudingen ook verkeerd inschatte, duidelijk is dat het ingewikkelde systeem van bondgenootschappen waarin eer en macht prevaleerden, de achtergrond vormde.

 

De oude staten ontketenden de oorlog, maar de aanleiding had te maken met de politieke opkomst der volkeren. Gavrilo Prinzip, die op 28 juni in Serajevo de Oostenrijkse troonopvolger Franz Ferdinand en diens echtgenote doodde, behoorde tot een groep samenzweerders die autonomie voor Bosnië nastreefden. Het is weinig inzichtelijk de ‘korte twintigste eeuw’ in 1914 te laten beginnen en in 1991, het uiteenvallen van de Sovjetunie, te laten eindigen. De weg naar de natiestaat begon eerder en zou tot de vorming van nieuwe staten in Joegoslavië doorgaan. De twintigste eeuw werd de eeuw van de grote etnische herschikking en zuivering van Europa.

 

In westelijk en noordelijk Europa waren de voorgaande eeuwen al natiestaten tot stand gekomen, al was Noorwegen recent, in 1905, zelfstandig geworden en zou Ierland dat pas in 1922 worden. Duitsland en Italië hadden zich in de loop van de negentiende eeuw tot nationale staten, gebaseerd op een gedeelde taal en cultuur, ontwikkeld. In het zuidoosten waren Griekenland, Roemenië, Servië, Montenegro, Bulgarije en als laatste Albanië tot stand gekomen. Het Ottomaanse Rijk, evenals Oostenrijk-Hongarije en Rusland een multiculturele staat, was in een lang proces van machtsverval verwikkeld. In 1908 annexeerde Oostenrijk-Hongarije Bosnië-Herzegovina, sinds 1878 in beheer, en in 1912-1913 verdeelden de Balkanstaten de rest van de Ottomaanse buit.

 

Een Europese ervaring

Het is niet moeilijk de Eerste Wereldoorlog, die tot de Tweede Wereldoorlog, de Koude Oorlog en de Joegoslavische oorlogen leidde, als een gezamenlijke Europese ervaring te zien. De wens oorlogen te voorkomen door de belangrijkste benodigdheden onder supranationaal toezicht te stellen vormde op 9 mei 1950 de achtergrond van het voorstel van de Franse minister van buitenlandse zaken Robert Schuman voor de oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staat (EGKS, 1952). Vanuit deze succesvolle samenwerking groeide de Europese Unie uit tot inmiddels 28 staten.

 

Bijna al die staten of hun voorlopers waren bij de Eerste Wereldoorlog betrokken. Alleen Zweden, Denemarken, Nederland en Spanje zouden tot het eind van de oorlog hun neutraliteit bewaren, al werden zelfs zij door de duikbotenoorlog en schaarste getroffen. Op zich lijkt de indeling eenvoudig. Duitsland en Oostenrijk-Hongarije in het midden van het continent, streden samen met Turkije, waaraan Rusland oktober 1914 de oorlog verklaarde, en Bulgarije, dat in oktober 1915 Servië de oorlog verklaarde, tegen de overgrote meerderheid van staten in het westen, oosten en zuiden. Maar in 1914 waren er nog veel minder staten dan nu.

 

Negen ervan bestaan nog. De verliezers Duitsland en Bulgarije werden na de oorlog verkleind. Bij de ‘overwinnaars’ behielden Luxemburg en Portugal hun grenzen. België, Frankrijk, Griekenland, Italië en Roemenië verkregen, symbolisch of substantieel, gebiedsuitbreiding. Vier van de huidige lidstaten behoorden nog tot het Britse rijk. Het Verenigd Koninkrijk bestond uit Groot-Brittannië en Ierland en ook Cyprus en Malta vielen onder Britse heerschappij. Vijf van de huidige lidstaten zouden losgemaakt worden uit het Russische rijk: Finland, Estland, Letland, Litouwen en Polen, waar ook Duits en Oostenrijks gebied bij kwam. De huidige EU-lidstaten Hongarije, Kroatië, Oostenrijk, Slovenië, Slowakije en Tsjechië komen voort uit de dubbelmonarchie.

 

De weg naar de huidige toestand verliep uiteraard grilliger. De Baltische staten verloren hun zelfstandigheid in 1940 en herkregen die pas in 1991. Polen schoof op naar het westen en andere staten maakten zich pas in de jaren negentig los uit het West-Slavische Tsjecho-Slowakije en het Zuid-Slavische Joegoslavië. Tussen Duitsland en Italië in het westen en Rusland en Turkije in het oosten was na de Grote Oorlog een band van dertien staten gevormd.

 

Niet toevallig heette de internationale organisatie die in Versailles werd opgericht, de Volkenbond en niet de Statenbond. Het nationaliteitsprincipe en het zelfbeschikkingsrecht vormden een belangrijk motief in het veertienpuntenplan van de Amerikaanse president Woodrow Wilson, waarin hij de oprichting van een ‘general association of nations’ voorstelde.

 

Minderheden

De natiestaat was voor veel minderheden in Midden-Europa een oplossing, maar tegelijk een probleem, vaak voor dezelfde minderheden en vooral ook voor andere minderheden, waaronder met name de Joden, een bevolkingsgroep die min of meer vergelijkbaar was met bijvoorbeeld Polen of Roethenen. Omdat verschillende volkeren dezelfde gebieden bewoonden, was het onmogelijk bevredigende grenzen te trekken, waarbij dan nog machtspolitieke overwegingen kwamen. De onderhandelaars in Versailles, met name de Franse premier Georges Clemenceau, hadden niet zoveel op met een nauwgezette uitwerking van Wilsons idealistische uitgangspunten. Terwijl aanvankelijk vrijwel iedereen tot een minderheid behoorde, werd de spanning tussen nieuwe meerderheden en minderheden nu een kwestie.

 

Na de Eerste Wereldoorlog bestond ongeveer een derde van de bevolking van de nieuwe staten uit minderheden. Leden van de voormalige overheersende volkeren vormden vrijwel de helft: ruim 11 miljoen Duitsers en Oostenrijkers en meer dan 3 miljoen Hongaren. Een kwart van hen vertrok naar het nu verkleinde ‘vaderland’.

 

Vlucht en verdrijving

Al tijdens de Balkanoorlogen waren zo’n drie miljoen mensen van huis en haard verdreven. Tussen 1922 en 1928 wisselden Griekenland en Turkije grote groepen uit, waarbij godsdienst en niet taal het criterium vormde: zo’n 1,3 miljoen orthodoxe christenen moesten naar Griekenland vertrekken, ongeveer 400 duizend moslims werden naar Turkije uitgewezen. Al met al verhuisden in de jaren tien en twintig zo’n 7 miljoen Europeanen, vaak gedwongen, vanuit hun oude woongebied naar een staat die hun beter gezind was, maar waarvan ze zelfs de taal soms niet spraken.

 

De Tweede Wereldoorlog bracht nog veel grotere vluchtelingenstromen op gang. In de loop van de eeuw zou het aantal gezuiverde en verdreven Europeanen tot ongeveer veertig miljoen oplopen. Ongeveer negen miljoen zouden de dood vinden, als men daaronder ook de ongeveer 5,5 of 6 miljoen Joden rekent die in de Sjoa vermoord werden. Daarbij moet wel bedacht worden dat dat het biologische racisme van de nazi’s een geheel andere, gruwelijke dimensie toevoegde.

 

De volkerenkaart van Europa is in de afgelopen eeuw sterk veranderd. De meeste landen vertonen nu een sterke nationale homogeniteit, maar die is voor een groot deel door oorlogshandelingen en geweld tot stand gebracht. Het gewelddadig uiteenvallen van Joegoslavië rondde de vorming van nationale staten tijdens de voorgaande eeuw af.

 

Politieke modernisering

Die oorlog maakt meteen ook duidelijk dat het niet ging om het opleven van een verondersteld eeuwenoud Herderiaans nationalisme dat na de val van het communisme eindelijk zijn kans greep, maar om de machtssociologische logica die inherent is aan politieke modernisering. Natuurlijk bestonden er vaak langdurige onderhuidse spanningen, maar beslissend is dat een democratische staat in hoge mate uitgaat van een homogene natiestaat.

 

Een moderne staat die noodzakelijkerwijs veel taken op zich neemt, vereist een bevolking die zich ermee kan identificeren en waarvan de leden onderling een zekere solidariteit voelen. Democratie betekent dat de gehele volwassen bevolking bij machtsvorming betrokken is, maar ze vereist ook dat de meerderheid oog heeft voor de rechten van minderheden en dat die vertrouwen in haar stellen. Dat lukt alleen bij voldoende overeenstemming. De Noord- en West-Europese natiestaten konden eeuwen aan eenheid werken voor ze parlementaire democratieën werden. In Midden-Europa moest dat proces zich in korte tijd voltrekken.

 

Alle staten in Midden-Europa begonnen na de Eerste Wereldoorlog als parlementaire democratieën, maar al spoedig werden ze door autoritaire regimes vervangen. In 1926 vestigde Józef Piłsudski een dictatuur in Polen en pleegde Antanas Smetona een staatsgreep in Litouwen. In 1929 vestigde Alexander een koninklijke dictatuur in Joegoslavië en in de jaren dertig zou in het grootste deel van Europa, oost en west, de democratische rechtstaat verdwijnen. Finland en Tsjecho-Slowakije bleven een parlementaire democratie, maar juist dat laatste land zou in 1938 ten prooi vallen aan het imperiale streven van nazi-Duitsland.

 

Democratie werd eerder als een probleem dan als een oplossing gezien. De voorwaarden voor het goed functioneren ervan ontbraken dikwijls. Pas na de Tweede Wereldoorlog en de val van het communisme zou de democratie algemeen als de ideale staatsvorm omhelsd worden, maar toen hadden oorlog en dictatuur dan ook de juiste uitgangscondities gecreëerd.

 

Vervreemding

Tijdens de Eerste Wereldoorlog was Ludwig Wittgenstein langere tijd gelegerd in het Moravische Olmütz (Olomouc). Daar trok hij op met een groep vrienden, vaak van joodse huize, die volkomen geworteld waren in de Duitse elitecultuur, met Goethe en Mörike, Mozart en Brahms. Een van Wittgensteins vrienden speelde Bach op het orgel van de plaatselijke synagoge. In zijn aantekeningen klaagde Wittgenstein vaak over het gebrek aan beschaving van zijn medesoldaten. Dat zal veel met verschil in stand en opleiding te maken hebben gehad, maar men kan zich niet aan de indruk onttrekken dat ook nationale verschillen een rol speelden.

 

Die oude Duitse elitecultuur was na de vorming van de nieuwe grenzen ineens van het hart, Wenen, afgesneden. Wittgensteins vriend Paul Engelmann aanvaardde zijn nieuwe Tsjecho-Slowaakse burgerschap met tegenzin. Zijn geboortestad lag nu in een hem vreemde staat. In 1934 emigreerde hij naar Palestina. Omdat Tsjecho-Slowakije democratisch goed functioneerde, nam het ressentiment van de Duitse en Hongaarse minderheden wel af, maar na twee decennia hadden ze zich nog niet echt met de nieuwe staat verzoend. President Tomáš Masaryk had voorzegd dat daar vijftig jaar voor nodig zou zijn en die kans kreeg het land niet.

 

De Volkenbond had diverse minderheden specifieke minderheidsrechten toegekend, maar die waren niet bedoeld om ze oneindig te laten voortbestaan, maar om ze op den duur in de nieuwe staten te integreren. De nieuwe natiestaten voelden zich vernederd, omdat de minderheidsrechten niet generiek voor alle leden van de Volkenbond golden, maar specifiek voor hen vastgesteld waren. Als ze gerespecteerd werden, behielden de minderheden hun distantie. Als ze dat niet werden, riep dat verzet op. Het was hetzelfde dilemma waarmee Oostenrijk-Hongarije te kampen had gehad. Oostenrijk had de minderheden veel vrijheden geschonken, maar dat had tot gevolg gehad dat de minderheden hun eigen weg gingen en zich steeds minder met de staat identificeerden. Hongarije had daarentegen een strenge magyarisatiepolitiek doorgevoerd, maar ook die riep uiteraard verzet op.

 

Conflict

Als een staat een eenheid vormt, vormt democratie een systeem dat de overheid in staat stelt veel van haar burgers te vragen, omdat ze die ook veel te bieden heeft. Maar omdat democratie het doelmatigst werkt als demos, het volk in politieke zin, en ethnos, het volk in etnische zin, in hoge mate samenvallen, is democratisering en politieke modernisering dikwijls een gevaarlijk proces, dat gemakkelijk tot uitsluiting en verdrijving kan leiden. De strijd is geen uitkomst van een nationalistische ideologie, die na lang sudderen tot uitvoering wordt gebracht. Het is eerder omgekeerd: nationalistische oprispingen zijn uitingen van het conflict tussen groepen dat zich vaak plotseling aandient.

 

Nationalisme is eerder functioneel dan dat het een zelfstandige kracht met een lange geschiedenis is. Als er eenmaal oorlog is, dient zich de vraag aan aan welke kant mensen staan, een vraag die in een tijd van vrede vaak nauwelijks aan de orde is. Dat was ook de les van het uiteenvallen van Joegoslavië. De aanleiding voor de Eerste Wereldoorlog werd gevormd door de zeggenschap over Bosnië-Herzegovina, dat tot het Ottomaanse Rijk had behoord. Tijdens de negentiende eeuw hadden de Europese koloniale machten het Noord-Afrikaanse deel van dat rijk al bezet en tijdens en na de Eerste Wereldoorlog deden ze dat met de niet-Turkse gebieden in het Midden-Oosten. Veel van die staten hebben zich sindsdien nog niet tot evenwichtige natiestaten weten te ontwikkelen, terwijl dat wel de voorwaarde voor de vestiging van een reguliere democratie is. Ook daar zien we hoe pogingen democratie te vestigen minderheden in het nauw brengt.

 

Europa

De problematiek van de natiestaat herbergt een belangrijke les voor de Europese Unie. De EU laat ook zien dat juist minderheden zich vaak veilig voelen binnen het grotere verband. Zonder de EU zou België nooit zover uiteen kunnen vallen en zou Schotland niet van zelfstandigheid kunnen dromen. Men kan het beste van twee werelden combineren: meer zelfstandigheid, terwijl de verbondenheid blijft.

 

Maar tegelijk zien we dat de EU in oude homogene natiestaten vaak wantrouwen oproept. Zodra men de EU als een superstaat gaat zien, gaat men zich in het grote verband een soort minderheid voelen. De EU wordt dan een beetje wat de grote oude rijken voor de opkomende volkeren waren. Nu Europa weer multicultureler wordt, kan het een veilig verband bieden, maar het doet er goed aan niet op een superstaat te gaan lijken omdat dan alle nadelen van de oude verdeelde rijken weer naar boven komen. De EU zal creatief een eigen vorm moeten ontwikkelen die anders is dan die van traditionele staten, juist om zo een zekere mate van identificatie onder de nationale bevolkingen te creëren.

 

De Europese Unie is een poging om politieke, economische en maatschappelijke modernisering op een vreedzame wijze door te voeren. Wittgenstein leefde voor 1914 in een internationale Europese wereld waarin grenzen eenvoudig overschreden werden. Na een eeuw van strijd en de vestiging van de natiestaat als norm is die wereld enigszins teruggekeerd. Maar zolang mensen en volkeren verschillen blijven waarnemen, blijft het evenwicht precair.

 

Verlies en creativiteit

De twintigste eeuw was de eeuw waarin de onvermijdelijke opkomst van de moderne natiestaat tot een grote herschikking en zuivering van de Europese bevolking leidde. De bevolking van Vilnius werd na de Tweede Wereldoorlog vervangen. Thessaloníki is nu Grieks, ooit was het een mengelmoes van nationaliteiten, met grote aantal moslims en joden. Ook zonder de Eerste Wereldoorlog zou dat proces waarschijnlijk wel doorgegaan zijn, maar het blijft gissen hoe vreedzaam het dan had kunnen verlopen. De oplossing van het probleem van de natiestaat, dat van de minderheden, is vaak meer door geweld tot stand gebracht dan door redelijke regelingen. Het oude probleem van staten en hun onderlinge machtsverhoudingen is voorlopig door vreedzame samenwerking opgelost. De taak van de Europese Unie is nu om de nieuwe tegenstellingen tussen volkeren die zich daarbij kunnen aandienen, evenwichtig in goede banen te leiden.

 

Ook al behoorden vanuit machtspolitiek oogpunt de meeste huidige Europese staten tot de ‘overwinnaars’ van de Eerste Wereldoorlog, dergelijke overwegingen zijn na een eeuw volstrekt futiel geworden. Als men denkt aan de oorlog die daarna volgde en aan de vele gesneuvelden en verdrevenen, behoorde vrijwel geheel Europa tot de verliezers. Het is altijd nog dat verlies dat aanspoort om een vreedzame orde in stand te houden en op een creatieve wijze vorm te geven.

 

Literatuur

Brian McGuinness, Young Ludwig. Wittgenstein’s Life 1889-1921, Oxford 1988/2005.

Ray Monk, Ludwig Wittgenstein. De biografie, Amsterdam 20033.

Pieter H. van der Plank, Etnische zuivering in Midden-Europa. Natievorming en staatsburgerschap in de XXe eeuw, Leeuwarden 2004.

Mark Mazower, Duister Continent. Europa in de twintigste eeuw, Amsterdam/Antwerpen 2001.

Michael Mann, The Dark Side of Democracy. Explaining Ethnic Cleansing, Cambridge 2005.

Gerelateerde artikelen