6 minuten

Een goed begin is slechts de helft

Reactie op de landbouwvisie van minister Schouten

Minister Schouten van Landbouw wil dat Nederland in 2030 koploper is op het gebied van de kringlooplandbouw. Het streven van de minister is goed, maar in haar landbouwvisie ontbreken concrete maatregelen, zelfreflectie en verantwoordelijkheidsgevoel van de overheid.

De Nederlandse landbouw moet volgens de recent verschenen landbouwvisie van minister Schouten gaan verduurzamen. Dit inzicht is op zich al een overwinning voor mens, dier en milieu. Na de Tweede Wereldoorlog was er onder de ‘Mansholtdoctrine’ namelijk maar één weg vooruit: die van de productievergroting en kostenverlaging. Nooit meer moest iemand in Nederland honger lijden. Globalisering en het vrijemarktdenken werden omarmd. Verduurzaming was totaal niet aan de orde. Jammer genoeg bleek dit productivistische landbouwmodel een aantal nare bijwerkingen te hebben. Zo veel en zo goedkoop mogelijk te produceren, ging ten koste van de natuur, het klimaat en de sociaaleconomische positie van de boer. Gelukkig is daar nu een alternatief voor. In de visie van minister Schouten moet in plaats van voortdurende kostenverlaging, vermindering van het grondstoffengebruik het streven zijn in de landbouw. Nederland moet volgens de minister in 2030 koploper worden op het gebied van de kringlooplandbouw. Het streven van de minister is goed, maar in haar landbouwvisie ontbreken concrete maatregelen, zelfreflectie en verantwoordelijkheidsgevoel van de overheid.

Het feit dat minister Schouten een visie durft uit te spreken, verdient alle lof. Het is een verademing in de hedendaagse politiek om een minister te hebben die over een kabinetsperiode heen durft te kijken. Met deze landbouwvisie is ze er bovendien in geslaagd om de vinger op de zere plek te leggen. Ondanks de bijdrage van de landbouw aan biodiversiteitsverlies en klimaatverandering blijft een transitie naar een duurzaam productiesysteem uit. De agrofoodsector zit als het ware gevangen in het huidige productiesysteem. De financiële situatie van boeren maakt het onmogelijk om te verduurzamen. Boeren zitten gevangen in een schulden-cylcus en er is een gebrek aan durfkapitaal om de verandering in bedrijfsvoering te financieren. De wereldmarkt is instabiel en internationale concurrentie drukt de prijzen. In Nederland is de prijsbewuste consument bovendien de binding met zijn voedsel verloren. Er wordt daardoor te weinig betaald voor voedsel om verduurzaming mogelijk te maken.

Tot zover heeft de minister volledig gelijk. Wel ben ik bang dat ze de hardnekkigheid van het huidige landbouwmodel onderschat. Niet alleen op financieel gebied zit de agrofoodsector gevangen in het huidige productiesysteem. Waar de minister het ondernemerschap en het aanpassingsvermogen van de Nederlandse boeren de hemel in prijst, betwijfel ik of de Nederlandse boer zo gemakkelijk zal overstappen naar duurzame landbouw. De boer heeft jarenlang in een cocon gezeten waarin intensief landgebruik aangemoedigd werd door collega’s en boerenbelangenorganisaties. De minister vertrouwt bovendien op onze ‘goede instellingen op het gebied van onderzoek en onderwijs’ om de omslag naar kringlooplandbouw te maken. Ze vergeet daarbij te vertellen dat de overgrote meerderheid van het huidige onderzoek is gericht op productieverhoging. Waar vroeger de overheid nog 10% van haar budget opzij zette voor onderzoek naar biologische landbouw, ontbreekt tegenwoordig de financiële stimulans voor onderzoek naar duurzame productiemethoden. Daarnaast speelt het bedrijfsleven een te grote rol in de keuze van onderzoeksonderwerpen. Grote landbouwbedrijven gaan niet onderzoeken hoe landbouw duurzamer kan. Als boeren minder kunstmest of chemische bestrijdingsmiddelen zouden gebruiken wordt het verdienmodel van die bedrijven immers ondermijnd.

Natuurinclusief

Daarnaast is de keuze voor kringlooplandbouw als hét alternatief voor het huidige landbouwsysteem opmerkelijk. Deze term werd vorig jaar door D66-Kamerlid Tjeerd de Groot geïntroduceerd in de Tweede Kamer. Hiervoor bestond echter ook al een beleidsterm die het duurzame alternatief voor conventionele landbouw moest aanduiden: ‘natuurinclusieve landbouw’, zoals gebruikt door het kabinet-Rutte II. Natuurinclusieve landbouw dekt precies dezelfde lading als kringlooplandbouw, maar verwijst bovendien naar het belang van (niet)functionele biodiversiteit voor duurzame landbouw. De keuze voor het hippe kringlooplandbouw , in plaats van natuurinclusieve landbouw, brengt het risico met zich mee dat dat de rol van insecten, weidevogels en bodemdieren in de landbouwtransitie  ondergesneeuwd raakt. Om dit te ondervangen, wordt in het ‘scenario voor een circulair Nederland in 2050’ van Bureau de Helling gesproken over ‘natuurinclusieve kringlooplandbouw’; wat mij betreft dus een goede keuze.

Halve maatregelen

Wat verder opvalt aan de visie van de minister is het gebrek aan concrete maatregelen. Zo staat er dat vee ‘bij voorkeur met zelf geproduceerd voer, lokaal voer of reststromen gevoed moet worden’. Het gebrek aan een concretere invulling van dit streven nodigt uit tot halve maatregelen, zoals de verplichte aanbeveling van belangenvereniging voor de landbouw LTO om 65% van de eiwitbehoefte van melkvee van eigen land of dat van naburige boeren te halen. Dit is een maatregel die onbedoeld aanmoedigt om een diversiteit aan gewassen te vervangen door hoog productieve monoculturen met intensieve bemesting zodat aan de eiwit-eis voldaan kan worden zonder meer grond aan te kopen. Als de minister echt duurzaam wil zijn, zou ze het moeten verbieden om voor veevoer gebruik te maken van producten die voor menselijke consumptie geschikt zijn. De veestapel zal onherroepelijk moeten inkrimpen, waarbij niet de vraag naar dierlijke producten, maar de milieugrenzen zouden moeten bepalen hoe groot de veestapel mag zijn.

Mijn grootste punt van kritiek op de landbouwvisie is echter het gebrek aan zelfreflectie en verantwoordelijkheidsgevoel. De minister schrijft in haar visie: ‘Het kabinet vertrouwt op de kracht van de samenleving om de omslag naar kringlooplandbouw te maken.’ De samenleving kan veel, maar als het op regie van een landbouwtransitie aankomt, zal de minister toch echt zelf aan de slag moeten en dienen te erkennen welke rol de overheid tot nu toe gespeeld heeft bij het in stand houden van het huidige productivistische model.

Het is juist de overheid die het goede voorbeeld moet geven door haar eigen landbouwgronden uit de geliberaliseerde pacht te halen. Boeren worden nu door kortlopende contracten gedwongen om de grond uit te putten, in plaats van te werken aan een gezonde bodem met voldoende organische stof. Het is ook de overheid die onpopulaire maatregelen moet invoeren om ervoor te zorgen dat de Nederlandse consument een reële prijs voor zijn voedsel gaat betalen, een prijs die de milieukosten weerspiegelt en een eerlijke beloning biedt aan boeren. Alleen de regering kan door sturende belastingen en coördinatie van certificering van duurzame bedrijven de financiële obstakels voor een landbouwtransitie wegnemen. Bovendien is het aan de overheid om budget in te zetten ter financiering van duurzaam landbouwonderzoek, onderwijs en de omslag in bedrijfsvoering. Alleen op die manier gaan we productie-export vervangen door kennisexport en zullen boeren het aandurven om over te stappen naar duurzame productiemethoden.

Het begin is er. Nu is het van belang dat de visie van de minister vertaald wordt naar een compleet uitgewerkte set maatregelen zodat boeren écht weten waar ze aan toe zijn. De overheid moet bovendien weer de regie op zich nemen en actief gaan sturen op duurzame landbouw. Als de minister dat voor elkaar krijgt, heb ook ik vertrouwen in de toekomst.

Dit artikel is gebaseerd op een rapport dat de auteur schreef tijdens een onderzoeksstage naar de landbouwtransitie voor de Tweede Kamerfractie van GroenLinks.

 
Dit artikel staat in het winternummer van tijdschrift de Helling. Altijd de nieuwste artikelen lezen? Sluit een abonnement af.

Gerelateerde artikelen