10 minuten

Een groene nar?

Is groei en vooruitgang de grootste zotheid van deze tijd? Ton Lemaire vindt van wel. Hij keerde de academische filosofie de rug toe en wordt daardoor door wetenschappers nauwelijks nog serieus genomen. Ook werkt hij op de lachspieren van menig moderne groene activist. Is Lemaire een nar?

Ton Lemaire, Nederlands groenste filosoof, is een prachtige nar van de groene beweging. Dat moet ik meteen nuanceren. Ik verzet me tegen het clowneske beeld waarmee Lemaire’s critici hem belachelijk maken. Lemaire wordt te gemakkelijk weggezet als de geitenwollensokkenfilosoof die ons tot vervelends toe vertelt dat we onze eigen biologische groenten moeten verbouwen. Ik begrijp waar deze karikatuur vandaan komt, maar meen dat deze Lemaire geen recht doet. Lemaire is te intelligent om als dwaas weggezet te kunnen worden. Zijn cultuurkritiek is radicaal, maar niet zot. En Lemaire heeft misschien de neiging tot preken, maar is daarmee nog altijd geen nar die er simpelweg op los scheldt. Lemaire voldoet dus niet aan beeld van de nar zoals we dat uit de middeleeuwen kennen. Desondanks beweer ik dat Lemaire een echte nar is. Misschien wel het belangrijkste kenmerk van de nar is namelijk dat hij de vorst of de gevestigde orde haar eigen dwaasheid laat inzien. En dat is Lemaire ten voeten uit. Hij is een ware nar als hij de westerse samenleving een spiegel voorhoudt, zonder zelf buiten schot te blijven.

In het voorjaar van 2010 verscheen Lemaire’s veertiende  en voorlopig laatste boek De val van Prometheus. Over de keerzijden van de vooruitgang. Hij bekritiseert hierin het irrationele vertrouwen in vooruitgang, de zotte idee dat wetenschappelijke progressie en technologische innovatie tot een politiek, cultureel of moreel betere wereld zouden leiden. In oppositie met de gangbare overtuiging dat de maatschappij alsmaar vooruit moet en dat economische groei hier logischerwijs de motor van is, pleit Lemaire juist voor een ‘economie van het genoeg’. Hij bepleit geen vergroening van onze economie, maar een radicale omslag in ons denken en handelen, waarbij ‘consuminderen’ de leidraad is. Op zijn boerderij, midden in de Franse Dordogne, probeert Lemaire zoveel mogelijk volgens de principes van zijn eigen boeken te leven. Hij doet wat hij schrijft, en vice versa.

Johan Cruijff

Lemaire werd ooit de Johan Cruijff van de Nederlandse filosofie genoemd, omdat er een aantal uiterlijke overeenkomsten zijn. Ik meen echter dat de vergelijking verder gaat. Beiden kozen voor een leven in het Zuiden van Europa, om vanuit daar Nederland van voetbalcommentaar dan wel van cultuurkritiek te voorzien. Als letterlijke en figuurlijke buitenstaanders kunnen ze spreken zonder rekening te hoeven houden met de gevestigde orde waar ze zelf ooit deel van uitmaakten. Voor Cruijff is dat de professionele voetballerij, voor Lemaire de universitaire filosofie. Bevrijd van ieder dienstverband kunnen ze vrijuit, vrijmoedig en eerlijk spreken. En dat is precies de houding van waaruit de nar tot zijn vorst spreekt. We lachen dan ook hard om Cruijff’s wijsheden (“De Argentijnen kennen niet van jouw winnen maar je ken wel van hun verliezen; das logisch.”), maar voetbalminnend Nederland neemt zijn mening intussen nog altijd uiterst serieus.  

De altijd serieuze Lemaire is minder vanzelfsprekend een nar dan Cruijff, maar ook hij manoeuvreerde zich in een positie van waaruit hij vrijuit kan spreken. De nar kan zeggen wat hij wil en precies daarom hoeven we hem –zoals Cruijff duidelijk maakt- niet altijd serieus te nemen. Vrijmoedig spreken betekent dus niet altijd vrijmoedig waarheid spreken. De beroemde Franse filosoof Michel Foucault sprak tijdens een aantal van zijn colleges over parrèsia en laat zien dat dit begrip al in het oude Griekenland verschillende connotaties had. Eén betekenis is babbelen, zonder voorbehoud zeggen wat men denkt. Dergelijke narrentaal is niet aan Lemaire besteed, die zijn woorden juist met de grootste zorg kiest. Als Lemaire parrèsia gebruikt dan is dat in de betekenis van vrijmoedig waarheid spreken, waarbij het opvalt dat waarheid wordt opgevat als gedrag. Degene die vrijmoedig waarheid spreekt, de parrèsiastes, is volgens Foucault “iemand die alles zegt wat hij denkt: hij verbergt niets […] overtuigt niet door gebruik van retorische trucs, maar door zo openhartig mogelijk te laten blijken wat hij zelf gelooft.” De parrèsiastes, zo stelt Foucault, is geloofwaardig omdat hij volgens zijn eigen boodschap handelt. Volgens deze definitie is Lemaire de parrèsiastes bij uitstek. Hij heeft werk en privé nooit kunnen scheiden: Zijn marxistische dagindeling –overdag een buitenmens, ’s avonds een boekenwurm- voldoet volledig aan het ritme dat hij in het boek Met open zinnen beschrijft. En zoals vele anderen is Lemaire een hartstochtelijk wandelaar, maar híj schreef er in de avonduren een boek over.

Edele wilde

In De val van Prometheus koppelt Lemaire ons rotsvaste vertrouwen in vooruitgang aan de ecologische crisis: hoe kan het dat we in de kracht van technologie en kapitalisme blijven geloven, terwijl het bondje tussen die twee juist tot de vernietiging van ons milieu leidde? Hij ontmaskert het vertrouwen in een technologische oplossing voor de ecologische crisis als een fictie, daar de geschiedenis keer op keer aanwijst dat iedere vooruitgang zijn schaduwzijden heeft: zonder de moderne transport- en communicatiemiddelen waren de concentratiekampen van de Nazi’s ondenkbaar geweest. Om nog maar te zwijgen over de atoombom. Er is geen enkele reden om te menen dat de mens nu ineens wel in staat zou zijn de ongewenste neveneffecten van economische en technologische vooruitgang te voorkomen. Het is het tragische lot van de mens dat goed bedoelde initiatieven vaak slecht uitpakken. De val van Prometheus staat vol met originele observaties van alledaagse fenomenen, die Lemaire knap aan de geschiedenis van de menselijke hoogmoed knoopt. De grote lijn van het boek verrast daarentegen nauwelijks: Lemaire herkauwt oude thema’s, zoals de kritiek op het vooruitgangsoptimisme, waarover hij ook al schreef in zijn studie over Jean-Jacques Rousseau.

Rousseau schrijft in zijn Vertoog over de ongelijkheid hoe de mensheid in de loop van de geschiedenis steeds verder van zichzelf en zijn omgeving vervreemde. Onze beschavingsgeschiedenis, zo zegt hij, wordt eerder gekenmerkt door verval en ontaarding, dan door vooruitgang. Critici hebben er altijd op gewezen dat Rousseau de meest oorspronkelijke, minst geciviliseerde staat van zijn - de natuurtoestand - sterk idealiseerde. De ‘edele wilde’, zo zeggen zij, heeft nooit bestaan en het getuigt van een naïef, want utopisch denken als Rousseau een ‘terug naar de natuur’ predikt. Lemaire laat echter duidelijk zien dat Rousseau dit niet voor ogen had toen hij de natuurtoestand als conceptueel begin van zijn ‘genealogie van de ontaarding’ poneerde. Rousseau begreep zeer goed dat de geschiedenis niet om te draaien is en dat een terugkeer naar een premoderne, ongeciviliseerde samenleving onmogelijk is. De natuurstaat fungeert enkel als het begin van zijn gefingeerde geschiedenis, niet als haar utopische eindstation. Desondanks is het beeld van de naïeve romanticus altijd aan Rousseau blijven kleven. Ironisch genoeg werd Lemaire later tot precies dezelfde karikatuur veroordeeld, terwijl hij nu juist zijn best deed om Rousseau serieus te nemen. Dat komt doordat Lemaire zelf ook niet ongevoelig is voor de mythe van de edele wilde. Van jongs af aan is hij gefascineerd door de archaïsche leefwijze van de Indianen. Als kind oefende hij dagelijks om Indiaan te worden. De volwassen Lemaire reisde naar Amerika af om een tijdlang bij een groep Sioux verblijven. Als geëngageerd antropoloog onderwierp hij zich zelfs aan een uitputtende zweethutceremonie. Daar ondervond hij dat hij nooit ‘Indiaan met de Indianen’ zal worden, omdat hij nu eenmaal vastzit aan zijn westerse, wetenschappelijke bril. Lemaire’s boek De Indiaan in ons bewustzijn laat overtuigend zien hoe het westerse beeld van de Indianen altijd al gekleurd werd door Europese idealen én dat de culturele antropologie als discipline pas kon ontstaan juist dankzij de ontmoeting met de Nieuwe wereld. De Indiaan in ons bewustzijn is dus tevens te lezen als een kritisch zelfonderzoek. De ware nar houdt zichzelf niet buiten schot.

Boskabouter

Vervreemding is bij uitstek Lemaire’s thema. Het komt in bijna al zijn boeken terug, bijvoorbeeld in Filosofie van het landschap, dat Lemaire schreef toen hij nog aan de universiteit van Nijmegen doceerde. Filosofie van het landschap beschrijft de teloorgang van het mythische landschap ten gunste van een meer objectief beschouwde natuur, vanaf de Italiaanse Renaissance tot en met de twintigste eeuw. Lemaire beschrijft het proces van een natuur die steeds verder onttoverd raakt en de mens die een vreemde in zijn eigen omgeving wordt, die zich er niet meer vanzelfsprekend thuis voelt. En dat is precies wat hem zelf gebeurde. Als klein jongetje verhuisde hij met zijn ouders van Rotterdam naar een dorpje in Limburg, waar zijn vader stationschef werd. Al vroeg voelde de jonge Ton zich beter thuis in de bossen en de velden dan tussen de mensen en gebouwen. School was als een gevangenis en hij wist niet hoe snel hij zich er uit de voeten moest maken, om in de bossen zijn zelfontworpen training tot Indiaan te volgen. Lemaire ging hartstochtelijk van deze grond, deze streek houden en besloot om na zijn studies - culturele antropologie en filosofie - aan de universiteit van Nijmegen te werken, maar in Limburg te wonen. Hij zocht daar de rust die hij in de stad niet vond. Maar de idylle ging niet op. Het Limburgse platteland bleek zwaar verontreinigd door de omringende bio-industrie, de lucht vervuild met de herrie die vele straaljagers er achterlieten. De zeer gevoelige Lemaire kon er steeds minder goed tegen, kreeg een burn-out en besloot zowel Nederland als de universitaire filosofie achter zich te laten. In de autobiografisch getinte essaybundel Binnenwegen laat Lemaire weten zich altijd al een buitenstaander gevoeld te hebben, zowel in Nederland als bij de Indianen. Door te emigreren werd hij officieel een vreemdeling.

De Franse Dordogne gaf Lemaire het leefritme dat hem past: overdag werkt hij op en rond de boerderij, ’s avonds is het tijd voor reflectie, voor studie en het schrijven van boeken. Het grootste deel van zijn tijd in Frankrijk woont Lemaire alleen op zijn afgelegen boerderij. De man die ooit debuteerde met een ‘filosofie voor verliefden’ –getiteld De tederheid - geeft toe dat dit hem niet altijd gemakkelijk valt. En ook hier, in de middle of de Europese nowhere, is de menselijke beschaving dichter bij dan gedacht. Ook hier vervuilen straaljagers van de Franse luchtmacht het luchtruim, tot grote ergernis van Lemaire. Deze ergernis is zichtbaar in de boeken die Lemaire na zijn vertrek uit Nederland schreef. Hij toont zich steeds pessimistischer over de staat van de wereld en vult steeds grotere delen van zijn boeken met troostrijke natuurlyriek. Zijn observaties zijn nog altijd genuanceerd en nauwgezet, maar Lemaire ontwikkelde in de loop der jaren helaas ook de neiging om te gaan preken en moraliseren. En dat komt vervelend over uit de mond van iemand die zelf gemakkelijk praten heeft: op het Franse platteland, ver weg van de hectiek van alledag is een ecologische en contemplatieve levensstijl nu eenmaal dichterbij dan in Amsterdam-Zuidoost. Ik zou Lemaire’s leefritme graag willen overnemen, maar kan het me simpelweg niet veroorloven om als een god in Frankrijk op mijn eigen boerderij te wonen. En dat geldt waarschijnlijk voor het gros van zijn lezerspubliek. Het gedrag van de nar kan aanstootgevend zijn en Lemaire roept weerstand op. Zijn oud-collega Hans Achterhuis suggereert in een scherp en op de persoon gespeeld essay zelfs dat Lemaire zich opzettelijk arbeidsongeschikt liet verklaren om de middelen te vergaren ‘waarmee hij naar Frankrijk kon vluchten’. Hij noemt Lemaire ook nog een ‘Franse boskabouter’ en daarmee is de toon gezet voor verdere ridiculisering van Lemaire’s persoon.

Ik meen dat Lemaire deze karaktermoord niet verdient en sluit me liever aan bij de ‘vroege Achterhuis’ die nog vol bewondering over Lemaire schrijft en spreekt. Ik ben Lemaire dankbaar dat zijn prachtige boek Filosofie van het landschap me ooit verleidde om filosofie te gaan studeren en zie hem vooral als een oprecht en moedig man die het aandurft om tegen de common sense in de hoognodige vergroening van onze cultuur te bepleiten. Lemaire verkondigt een impopulaire boodschap als hij stelt dat we onze verhouding tot de natuur radicaal zullen moeten wijzigen, voordat we totaal vervreemd zijn van het leefmilieu dat we zelf vervuilden. Als de nar te ver gaat, loopt hij het risico onthoofd te worden. Lemaire loopt het risico onschadelijk gemaakt te worden door als boskabouter aan de kant te worden gezet. Ten onrechte: Lemaire is een mooie nar van de groene filosofie, niet haar clown.

Literatuur

- Ton Lemaire, De tederheid: gedachten over de liefde. Baarn 1968.
- Ton Lemaire, Filosofie van het landschap. Baarn 1970.
- Ton Lemaire, Het vertoog over de ongelijkheid van Jean-Jacques Rousseau, of: De ambivalentie van de vooruitgang, Baarn 1980.
- Ton Lemaire, De indiaan in ons bewustzijn. De ontmoeting van de Oude met de Nieuwe wereld, Baarn 1986.
- Ton Lemaire, Binnenwegen: essays en excursies, Baarn 1988.
- Ton Lemaire, Wandelenderwijs: sporen in het landschap, Amsterdam 1997.
- Ton Lemaire, Met open zinnen: natuur, landschap, aarde, Amsterdam 2002.
- Ton Lemaire, De val van Prometheus: over de keerzijden van de vooruitgang, Amsterdam 2010.
- Jean-Jacques Rousseau,Vertoog over de ongelijkheid, Amsterdam 1983, Vert. van: Discours sur l’origine et les fondemens de l’inégalité parmi les hommes.
- Michel Foucault, Parrèsia: Vrijmoedig spreken en waarheid. Vert. van: Discourse and truth: the problematization of parrhesia (bandopname), Amsterdam 1989.
- Twijfel aan Europa, een gefilmd portret van Ton Lemaire, Stichting ReRun Producties, Amsterdam, 1998, te zien op de website www.dailymotion.com
- Zie voor de polemiek tussen Achterhuis en Lemaire het oktobernummer van de Gids uit 1996 en het februarinummer van de Gids uit 1997.

Gerelateerde artikelen