9 minuten

Eenvormigheid

5 kritiekpunten na 2 nederlagen

Een bedrijf dat in één jaar tijd een kwart van zijn marktaandeel verliest heeft reden tot grote zorg. Het zal zijn product, zijn management of zijn strategie moeten aanpassen. Geldt dat ook voor GroenLinks, dat in een tijdsbestek van minder dan een jaar drie van haar elf kamerzetels moest inleveren?

Na 22 januari was de verklaring van twee zetels verlies snel gevonden. De kiezers vinden ons sympathiek genoeg maar kozen deze keer begrijpelijkerwijs de PvdA om een reprise van Balkenende-I te voorkomen. Maar dat mag geen reden zijn om te stoppen met nadenken. In een tijdperk dat zich kenmerkt door een hoge mate van politieke ongebondenheid – de zwevende kiezer is van uitzondering tot norm verworden – is de strijd om een marktaandeel harder nodig dan ooit. Ik zal hier enkele gedachten wijden aan de vraag of er niet ook wat aan de partij zou moeten verbeteren. 

1. Het pluche

We waren veel te eager om mee te regeren, en voor die gretigheid heeft de kiezer ons, in mei vorig jaar trouwens al, gestraft, zo luidt een verklaring voor de afkalvende steun aan GroenLinks. Deze analyse kenmerkt zich door een groot gebrek aan nuchterheid (en is trouwens nogal in tegenstelling met het feit dat GroenLinks een kwart miljoen kiezers aan de PvdA verloor).

Om te beginnen was het onontkoombaar dat de vraag naar regeringsverantwoordelijkheid een paar jaar geleden ging spelen. Als je maar goed of groot genoeg bent wordt die vraag nu eenmaal onherroepelijk gesteld. Marijnissen kan daar inmiddels over meepraten, ook over wat het betekent als je op zo’n moment met je mond vol tanden staat: de virtuele verkiezingswinst voor de SP van vijftien zetels verdween in de laatste weken voor 22 januari als sneeuw voor de zon. GroenLinks had indertijd de vraag naar de regeringsbereidheid niet kunnen voorkomen, wel dat dat item een blok aan het been werd. Dat laatste werd niet veroorzaakt omdat de Tweede-Kamerfractie onzekerheid uitstraalde, dat viel wel mee, maar omdat anderen in de partij in een kramp van wantrouwen schoten toen het thema actueel werd. GroenLinks werd verweten dat ze al bij voorbaat teveel naar het midden opschoof om maar een aantrekkelijke regeringspartner te zijn. Dat dit aan de hand van bijvoorbeeld de ontwikkeling van het verkiezingsprogramma of het optreden van het partijkader feitelijk niet aantoonbaar was, werd compleet over het hoofd gezien. Toen de Kamerfractie eind 2001 aan de militaire aanval op Afghanistan geclausuleerde steun betuigde, had in de emotie van dat moment de Kamerfractie het in de ogen van veel GroenLinksers volledig verbruid. Een rationeel debat over de vraag of er nu werkelijk sprake was van ‘opschuiven’ is nooit gevoerd, het ging over beelden, vermoedens en suggesties. Zelf vond ik het verwijt dat de voorzichtige steun aan de aanval op Afghanistan vooral ingegeven was door de wens een goede beurt te maken als potentiële coalitiepartner indertijd van een bedenkelijk laag niveau en dat vind ik nog steeds. Maar de media waren er als de kippen bij om het vuurtje op te stoken, het wantrouwen tegen het partij-establishment was dik gezaaid en het beeld van een schuivende partij was daarna haast niet meer weg te krijgen. Senator Leo Platvoet stelt in het ledenblad GroenLinks-Magazine van afgelopen februari op basis van het Afghanistandebacle dat de partij na 1998 niet minder dan ‘besmet’ is geraakt door de discussie over regeringsdeelname.

Intussen valt het de Tweede-Kamerfractie wel te verwijten dat zij deze reactie op haar Afghanistan-opstelling en de interne politieke gevolgen ervan kennelijk heeft onderschat. Zelfs nu nog, in een periode dat de vraag naar meeregeren in het geheel niet meer aan de orde is, valt die krampachtigheid waar te nemen. In het vorige nummer van de Helling (2002/4) schrijft Ivo Hartman bijvoorbeeld, kennelijk opgelucht, dat de partij “nu verlost is van haar drang naar Regierungsfähigheit en van de illusies over forse zetelwinst”. Dat zou mooi zijn omdat het “geen overbodige luxe” zou zijn als GroenLinks eens kritisch haar eigen inconsistenties, zwaktes en lacunes onder de loep nam. Alsof je als regeringspartij, of als partij met bestuurlijke aspiraties (in hoeveel gemeentes regeert GroenLinks trouwens niet met succes mee?) per definitie ophoudt met denken en alsof GroenLinks werkelijk zo’n krakkemikkig programma heeft. Van inconsistenties hebben politieke partijen nu eenmaal allemaal last en de kunst is vooral daar niet al te krampachtig mee om te gaan. Je zult altijd voor nieuwe dilemma’s komen te staan, nieuwe afwegingen moeten maken en daarover binnen en buiten de partij in debat moeten gaan (daarover straks meer). Ik zou het betreuren als GroenLinks inderdaad zou uitstralen dat haar bestuursambitie een driest avontuur was en dat het goed is van die ambitie verlost te zijn.

2. De tijdgeest

Heeft de partij het zetelverlies van 25 procent misschien over zichzelf uitgeroepen door de tijdgeest van verharding en verzakelijking te negeren? Dat is ook een veelgehoorde analyse, overigens van weer andere critici. Is GroenLinks inderdaad niet de partij van het naïeve geloof in de multiculturele samenleving? De partij die zich druk maakt om het milieu, dat niemand meer interesseert? De club die zich het belang van het veiligheidsthema te laat heeft gerealiseerd? Libertaire postmaterialisten, die zaten te slapen toen de consumptiemaatschappij en een cultuur van ontevredenheid alomtegenwoordig werden?

Ik denk het niet. Het is om te beginnen een valkuil te denken dat ‘de’ tijdgeest bestaat. Er is niet minder politieke ruimte voor linkse partijen dan vroeger. Er zijn meer dan genoeg mensen die begaan zijn met vluchtelingen, toenemend kritisch zijn over repressie, bereid zijn tot inkomensnivellering, het belang zien van voedselveiligheid en de bescherming van rust en ruimte prioriteit willen geven. Die vermeende tijdgeest moet geen overweging zijn om van politieke koers te veranderen. Het is uiterst riskant met die trend mee te draaien. Als ik een zwevende kiezer was zou ik zo’n draai ongeloofwaardig vinden en eerder the real thing kiezen. Ik zou juist waardering kunnen opbrengen voor een partij die wel voortdurend kritisch over zichzelf nadenkt, maar daarbij geloof uitstraalt in haar eigen bestaansrecht en haar uitgangspunten. Bovendien moet GroenLinks zelf een stempel op de geest der tijd willen drukken. Een goed georganiseerde politieke formatie met een stevige worteling in de maatschappij kan en moet in staat zijn om haar leden, verwante organisatie en beleids- en opiniemakers een ander, wervender beeld voor te houden. Niet alleen op landelijk niveau, ook in haar plaatselijke politieke optreden.

3. Debat

Dat brengt mij op de open debatcultuur van GroenLinks, iets waar de partij zich nogal eens op beroemt (‘Wat hàdden we het moeilijk met die bommen op Kosovo, maar wat hèbben we er openhartig over kunnen praten’). Zo deze er ooit geweest is, is die debatcultuur op dit moment zo sterk niet meer. In het GroenLinks-Magazine van februari zegt het Tweede-Kamerlid Wijnand Duyvendak: “Er is te weinig gerommel in GroenLinks. We zijn een hele lieve, brave partij geworden. Er is te weinig georganiseerde oppositie”. Dat zelfs een Kamerlid zich over de oorverdovende consensus in de partij zorgen maakt is veelzeggend. Het is niet goed te begrijpen dat GroenLinks sinds haar oprichting in 1990 haar ledental zag verdubbelen zonder dat er meer deining ontstond. Waar zijn de kritische jongeren? Dwars, de jongerenclub van GroenLinks, bestaat zonder uitzondering uit ideale schoonzonen (m/v), wier eisen niet verder strekken dan een glaasje biokarnemelk op partijcongressen en die vooral heel snel zelf Kamerlid willen worden. Uit wat achtergebleven PSP-meubilair, geërfd uit de jaren van politieke scherpslijperij en sektarisme, dampt af en toe nog wat zure lucht op, beleefd genegeerd door vrijwel de voltallige partij. Verder ziet alleen de redactie van dit blad volop ideologische problemen en programmatische inconsistenties, maar ja, what the hell is de Helling en wat mag je trouwens als partij anders van je wetenschappelijke kader verwachten?

De geroemde debatcultuur is dan ook grotendeels schijn. Je kunt je agenda vullen met de tientallen bijeenkomsten die de partij organiseert, maar al die gezellige fora leveren nagenoeg nooit nieuwe inzichten op. Ze zijn informatief en verstrooiend, maar zelden hebben die bijeenkomsten echt een duidelijke inzet, laat staan dat er conclusies worden getrokken. Zelden ook wordt er op het scherp van de snede gediscussieerd. Het moet vooral leuk zijn.
Daadwerkelijke zeggenschap van de leden over de koers van de partij beperkt zich tot de stemmingen over het verkiezingsprogramma tijdens congressen waar vooral doorgewinterde partijtijgers te vinden zijn, die samen trouwens nog maar een paar procent van het ledenbestand vertegenwoordigen. Niemand lijkt zich druk te maken over de vraag wat al die duizenden nieuwe leden GroenLinks te bieden hebben, wat zij vinden van het profiel van de partij, in hoeverre de partij zich door de nieuwe leden laat inspireren en wat zij als verenigingslid in ruil voor hun contributie mogen verwachten. Als we ze nooit meer zien na één afdelingsvergadering over de benoeming van de kascontrolecommissie, who cares? Het nieuwe partijbestuur zal dan ook zo snel mogelijk voorstellen moeten doen om het democratisch gehalte van GroenLinks, de zeggenschap van de leden en de wijze waarop er (niet) met hen wordt gecommuniceerd te veranderen.

4. Parlementair

Dan iets over de werkwijze van GroenLinks. Jarenlang waren we de partij van de kwaliteitsoppositie. GroenLinks ging ervan uit dat als de inhoudelijke bijdrage aan het parlementaire werk goed was, het met de kiezersgunst ook wel goed kwam. Een aansprekende politiek leider met een goede reputatie in de media was natuurlijk ook een voorwaarde voor succes, maar het belangrijkste was uiteindelijk dat GroenLinks de partij was van de slimme initiatieven, de CPB-gecertificeerde tegenbegrotingen en gedegen alternatieven. GroenLinks was een sterk merk.
Is dat nog steeds zo? Toegegeven, de routine van de tegenbegrotingen is onverwoestbaar, er worden mooie initiatieven genomen over de bescherming van klokkenluiders en de openbaarheid van topinkomens en als een andere partij hard on crime is, is GroenLinks smart on crime met een uitgebalanceerd pakket alternatieven. Maar na een paar jaar mediawaardering voor het product kwaliteitsoppositie kwam ook de gewenning aan het merk. Waardoor al die tijdrovende initiatieven inmiddels alleen nog maar aandacht krijgen als GroenLinks er een verrassende meerderheid voor weet te verwerven. Bewerkelijke parlementaire initiatieven leveren namelijk veel minder op dan een hardwerkend kamerlid zou wensen. Tenzij er meer aandacht komt voor de presentatie van een initiatief, door daarbij intensiever aansluiting te zoeken bij milieugroepen, de vakbeweging en andere belangrijke maatschappelijke organisaties. Door parlementaire initiatieven zichtbaarder gepaard te laten gaan met goedgekozen buitenparlementaire acties, samenwerking met plaatselijke afdelingen of raadsfracties. Door ervoor te zorgen dat je doelen mede worden uitgedragen door belangrijke opiniemakers buiten de Haagse politiek, zodat je thema’s vleugels krijgen. Door vaker te kiezen voor een herkenbaar voorstel dan voor de complexiteit die meestal blijkt uit fractienotities en verkiezingsprogramma. Dus niet meer het partijstandpunt over de WAO in twintig pagina’s beleidsjargon verpakken en dat je het dan als lezer nog niet weet. Door te spreken in heldere taal en meer aandacht te besteden aan vorm, afstemming, draagvlak en de vraag of de boodschap aankomt.

5. Diversiteit

Het kamerlidmaatschap – ik spreek nu even over de Tweede Kamer in het algemeen – is in pakweg tien jaar tijd aan sterke inflatie onderhevig geraakt. Het is een gewone baan geworden, niet slecht voor je c.v., best aardig betaald. Er zijn haast geen parlementariërs meer die werkelijk maatschappelijk engagement, passie, gezag, authenticiteit, vasthoudendheid of eruditie uitstralen. Ze gaan angstvallig veel op elkaar lijken. Ze delen hetzelfde jargon en hanteren dezelfde werkwijzen. Ook GroenLinkse kamerleden passen in dat beeld: rond de 45, randstedeling, universitaire achtergrond, veel dossierkennis, liever genuanceerd dan gepassioneerd, liever aangepast dan authentiek, bang als de dood voor het tonen van verdeeldheid en twijfel. Die uitstraling van GroenLinks moet ons zorgen baren. Zeker een partij die uitdraagt dat diversiteit van groot belang is, moet niet langer genoegen nemen met eenvormigheid van haar eigen vertegenwoordigers.

Gerelateerde artikelen