9 minuten

Ergens tussen al die lichtjes

Uren staren we in de lucht, luisterend naar het geluid van de vliegtuigmotoren, wolken onder de vleugels, daarboven ijle lucht, nog hoger gewichtloze duisternis, nevelslierten...

De zon lijkt in de diepte onder te gaan, een tunnel vol geruis, stemmen op de achtergrond, we vergeten dat we vliegen, de voeten op de bodem, we leven in het heden, een vliegtuigje in de diepte, zwevend in dezelfde gewichtloosheid, we zijn open en alert, niets is ooit verdwenen, misschien zijn er mensen of dingen zoek geraakt maar niets is ooit verdwenen, we moeten een beweeglijkheid ontwikkelen om de dingen aan te raken, dwars door pixels en ether, dwars door de tijd, een stad strekt zich onder ons uit, honderdduizenden lichtjes, een glanzend tapijt, daarbinnen een veelvoud aan mogelijkheden, ontmoetingen, weerkaatsingen, je denkt ergens tussen al die lichtjes...

voorlopigheid
maar geen behoefte aan vastigheid

Laat in de avond loop ik over straat, de handen in mijn zakken, ik versnel mijn pas, de mensen vullen de stad, de stad vult de mensen, ik steek de straat over, de geur van een jongen die voor me loopt, twee giechelende vrouwen, de dagen rollen voort, ik ben zeventien, vijfenzeventig, vijfendertig, vierentwintig, ik wil de dingen zijn die ik zie, ieder gezicht en plaats mijn naam geven, ik steek de straat over, sla linksaf, ik ga naar binnen, het opzwepende ritme, een weemoedige stem, ik trek mijn trui uit, worstel me door de mensen naar voren, en daar een jonge vrouw achter haar microfoon, haar magere lijfje, de jongen achter zijn keyboards, de frictie tussen beat en droefheid, verlangen en gemis, mijn lippen bewegen mee, I walk the city late at night, does everyone here do the same, I want to be the things I see, give every face and place my name, I cross the street, take a right, pick up the pace, pass a fight, did I grow up just to stay home, I'm not immune, I love this tune, I wanna love more,

I just
wanna love more

Mijn eerste stad strekte zich uit over de grote tafel op zolder. Mijn grootvader had haar in zijn jeugdjaren rond de eeuwwisseling gebouwd. In het midden stond het Centraal Station. Een sierlijk gebouw met ramen van glas en deuren met koperen klinken. Op het perron hing een bord 'Plaatskaarten gereed houden!' De ijzeren spoorlijn doorkruiste en omsingelde de stad. Langs het spoor stonden de huizen, hotels, een watertoren, een kerk en een school.

Mijn vader voegde er in de jaren dertig een dierentuin en een pakhuis aan toe. En een hijskraan van meccano. Ik moderniseerde de stad in mijn jeugd met nieuwbouw van Lego. Naast de oude ijzeren spoorrails legde ik een nieuwe spoorlijn aan voor treinen die niet opgewonden hoefden te worden maar reden op batterijen. Mijn stad was een moderne stad met een historisch centrum.

Ik was als kind vooral geïnteresseerd in de techniek van de stad, in de openbare ruimten, in de transportmogelijkheden. Ik ontwierp straten, boulevards, rotondes en parkeervakken voor mijn matchbox-autootjes. Ik bedacht een parcours voor de drie generaties poppetjes van tin, rubber en plastic. Aan de rand van de tafel legde ik een havencomplex en een luchthaven aan. Ik richtte zelfs een raketbasis in.

Soms had ik genoeg van de openbaarheid van de stad en had ik zin in de privé-wereld van het poppenhuis, en als me dat niet privé genoeg was, ging ik over tot het aan- en uitkleden van Barbie, Ken, en Skipper. Het dorp waarin ik opgroeide, de weilanden, de bossen, de koeien en paarden interesseerden me niet.

Mijn grootmoeder nam me mee naar de echte stad. We kwamen aan met de trein op het Centraal Station. Via een grote boulevard waar we ijsjes aten, liepen we hand in hand naar de rondvaartboten. We voeren door de grachten en het havengebied. Het was alsof ik zelf verkleind was tot het formaat van een poppetje en nu door mijn eigen speelgoedwereld voer. Ik denk dat ik op mijn eerste bezoek aan de stad niet de bewoners heb bekeken, wel de gebouwen, de auto's, de etalages. Het is een onthutsende vaststelling: de enige gezichten die me interesseerden, waren die van de wassenbeelden van Madame Tussaud, want die leken net echt.

Ik keek naar poppen voordat ik naar mensen keek. Ik begon pas andere mensen te observeren toen ik naar mijzelf had leren kijken. Daarna heb ik nooit meer een stad kunnen zien zonder naar haar bewoners te kijken. Die keer met mijn grootmoeder was misschien de laatste keer.
Ik probeer het wel eens, de stad an sich te bekijken, alleen de gebouwen, de pleinen, de straten... maar die blik in dat ene gezicht van die ene voorbijganger kan in één klap de hele stad uitschakelen.

Van de vele kleine geschiedenissen die de stad vertelt, vond ik lange tijd de liefdesgeschiedenissen het belangrijkste. Ze werden beheerst door een onbegrijpelijke kracht. Je kon het toeval noemen of noodzaak. Soms heette het toeval noodlot, maar het noodlot aanvaardde ik moeiteloos omdat een nieuw toeval het weer kon uitschakelen.
De stad werd de stad van de gezichten en de gezichten openden de weg tot de lichamen, ik wilde ze allemaal leren kennen.

Douglas Coupland beschrijft in Lara’s Book, gewijd aan Lara Croft, hoe de werkelijkheid onze dromen opvolgt. In het jaar 1900 lazen jonge mensen de verhalen van Jules Verne en fantaseerden ze over het bouwen van luchtschepen en ultrasnelle voertuigen. Toen ze ouder werden bouwden ze, natuurlijk, vliegtuigen en auto’s. In de jaren ‘30 en ‘40 waren veel jonge mensen geobsedeerd door SF-verhalen over ruimte en reizen en raketten, dus natuurlijk toen deze jonge mensen opgroeiden bouwden ze het NASA-ruimtevaartprogramma en TV-satellieten, en jumbojets. In de jaren ‘50 en ‘60 lazen jonge mensen over robots, regeringssamenzweringen, James Bond-achtige miniatuur spionagetoestelletjes en mutant figures. En nu leven we in een wereld van robots, klonen, microchips, computerspelletjes, climb the stairs, dive into the pool, swim through the tunnel, shoot the crocodiles, climb to the corner, drop to the floor, jump to the walkway, throw the switch, run, jumb, grab, find the secret, ding, ding, ding.

In de speelgoedwinkel op de luchthaven zie ik poppen die levensecht lijken, het zijn kinderen van alle rassen, met zulke realistische ogen en monden, het is angstaanjagend. Ik moet denken aan prostitutie en slavernij.
Ik zeg tegen de verkoopster dat je die poppen toch niet zomaar in een etalage kunt zetten, maar zij beweert dat je ze heel goed in een etalage kunt zetten, ik zeg dat je met die poppen toch niet kunt spelen, maar zij beweert dat je er wel mee kan spelen.
Ik zeg: maar je kunt daar eigenlijk – als je goed nadenkt – toch niet mee spelen maar zij zegt dat je er ook in dat geval mee kunt spelen.
Ik zeg: maar dit zijn net echte mensen, het zijn toch geen poppen meer, maar de verkoopster verzekert me dat het echt poppen zijn. Ja, zeg ik, maar ze zijn te echt om mee te spelen.
De verkoopster zegt dat het kunstwerken zijn, ze worden verzameld, ze zijn gemaakt door echte kunstenaressen – aan hun foto’s te zien zijn het brave huismoeders – in de meeste gevallen zijn het hun eigen kinderen die ze kopiëren.
Ik kijk naar Shireem uit Bali, Neblina uit Zwitserland, Liliane uit Nederland, ik vind hen obsceen.

Ik herinner me moeilijkheden die ik als kind had met het kleuren van de mens. Ik gebruikte geel, en roze en bruin, ik mengde, nooit kreeg ik de kleur van de mens. Wel de kleren, de huizen, de bomen en de lucht maar niet de mens. Ik kleurde de huid niet meer in. Ik liet het de kleur van het papier

Ik zit in het vliegtuig. Een Boeing 747 van Air France. In de kop, op de eerste verdieping.
Het is eigenlijk wel feestelijk, met zo’n kleine groep mensen bovenin.
Het is als op een VIP-balkon in een discotheek.
Of backstage tijdens een concert.
Zouden we hier een feestje kunnen bouwen?
De deur van de cockpit openzetten en allemaal met een glas in de hand van het uitzicht genieten.
Die tijden zijn voorbij, die tijden hebben nooit bestaan.
Die tijden zoals ik die graag zou willen.
De wereld zoals die er eigenlijk uit zou moeten zien.
De ideale wereld waarin niemand bang voor iemand hoeft te zijn.
Het grenzeloze vertrouwen en de verbazing van de lichtheid van het vliegen. Zo licht als de bubbeltjes die opstijgen in ons glas.
In de jaren tachtig en negentig vloog ik regelmatig stukjes mee in de cockpit.
Ik vroeg het vriendelijk aan het cabinepersoneel.
Ik dacht dat alles lukte wat ik wilde, dat de wil voorspellend was.
Maar in de 21ste eeuw vertrouwt niemand elkaar echt.

Sinds de aanslagen in New York hebben vliegtuigjes geen lachende gezichtjes meer. Na Madrid en Londen voelt niemand zich in de metro geborgen. De trein lijkt sinds de bomkoffers in Keulen geen veilig alternatief. De onbezonnenheid is weg. Toch heb ik de liefde van mijn leven in het openbaar vervoer ontmoet.
Ik dacht vroeger dat ik tot de eerste generatie behoorde die vrij en zorgeloos was. Doemdenkers vond ik zeurpieten. Greenpeace en Amnesty zouden de wereld wel redden. In mijn klas zaten alleen optimisten. Maar net toen we ons in het volle leven wilden storten was daar aids. Opeens leken liefde en dood onlosmakelijk met elkaar verbonden. De feestvreugde werd getemperd maar als je voorzichtig was bleef je tenminste gezond.
De jaren negentig waren euforisch. Het leek goed te gaan met de wereld en de economie en we stapten voortdurend in lachende vliegtuigjes. We vierden feest overal. Wat waren we allemaal lief voor elkaar! Poppetjes springend op elektronische muziek. Een nieuw bestaan. Ik dacht werkelijk dat het met de mensheid goed zou komen. Dat denk ik nog steeds.
11 september was het keerpunt. Terwijl we de beelden zagen van de vliegtuigen die de WTC invlogen wisten we dat het gedaan was met de lichtheid. Oorlog was niet iets ver weg maar tussen ons in. Het kon ieder moment en overal de kop opsteken. Hoe lief en onschuldig we onszelf ook vonden, we hadden vijanden en die vijanden woonden in ons midden. Onze ogen gingen open. We werden gedwongen tot realisme.
Voortaan kunnen we het ons niet meer permitteren naïef of onnadenkend te zijn. De wereld is te gevaarlijk. We zijn ons meer dan ooit bewust van onze eigen kwetsbaarheid en dat van de ander. Van wat iedereen bindt. Het leven zelf. Ieder wordt op zijn eigen verantwoordelijkheid gewezen. Is dat geen gouden kans?
Wij moeten luisteren, nadenken, praten, opletten, verontwaardigd zijn, opmerkzaam, onthecht, actief, politiek, voorzichtig, moedig, geduldig, ons niet door angsten laten leiden, of door ons ego, maar wel door wijsheid en liefde.

Yuri Usachev schreef in het dagboek dat hij bijhield in Mir Space Station: ‘Als je op de aarde neerkijkt overspoelen interessante indrukken de geest. Je hoort of leest vaak dat de aarde fragiel en weerloos is, dat haar atmosfeer er omheen is gewikkeld als een delicaat laagje, maar ik ben het er niet mee eens. Voor mij lijkt de aarde groot, enorm, trots, majesteitelijk, in harmonie met de kosmos. Naast de aarde voel je je niet als een stofdeeltje, zij onderdrukt je niet, integendeel, het is alsof je deel van haar uitmaakt, het feit dat zij daar beneden onder jou drijft heeft een eigen muziek die moeilijk in woorden is uit te drukken. Je hebt niet het gevoel dat jij boven de aarde vliegt maar dat de aarde onder jou drijft.’

Er bestaan astronauten en kosmonauten en taikonauten en je hebt de mensen die op aarde blijven en tot die laatste categorie behoren wij nog steeds, hoe verscheurd we ons ook voelen, we leiden het klassieke leven op aarde, en hoe onregelmatig we ook leven, we zijn wakker of we slapen en als het koud is doen we een dikke jas aan en als het warm is trekken we die weer uit. Onze mogelijkheden zijn niet eindeloos, omdat we niet door muren kunnen lopen.

Gerelateerde artikelen