11 minuten

Gekozen leiders en de stem van het volk

Obama's op polderformaat

Het succes van populisten en de onmacht van hun tegenstanders bewijst dat leiderschap en charisma cruciaal zijn. Daarbij hoort de rechtstreekse verkiezing van gezagsdragers. Zo krijgen we politici met meer ambitie, durf, eigenzinnigheid en charisma: Obama’s op polderformaat.

“Er is weer hoop voor het volk”, juichte het PVV-Kamerlid Hero Brinkman toen zijn anti-Europese partij fors bleek te hebben gewonnen bij de Europese verkiezingen. Zijn leider Wilders zei tijdens het slotdebat: “De kiezer heeft altijd gelijk. Het CDA heeft een derde verloren, de PvdA is gehalveerd. Normaal zou je dan toch zeggen: ik pak mijn biezen en ga een andere leuke baan zoeken.” Maar zijn tafelgenoten vonden dat de kiezer iets heel anders had gezegd. Het waren Europese en geen nationale verkiezingen, het verlies viel mee (CDA), en waar het niet meeviel (PvdA) zou de kiezer de volgende keer vast weer tot bezinning komen.

Het volk en de politieke waarheid. Het probleem is dat geen van beide bestaan in de democratie. De kreet ‘de kiezer heeft altijd gelijk’ is voor politici eerder een aanleiding om over de rug van die kiezer hun eigen gelijk te halen. Stembusuitslagen suggereren hooguit een globale tendens, maar er is altijd ruimte voor het partijdig bijbuigen van de ‘volkswil’. Het politieke gelijk komt pas tot stand in de wisselwerking tussen de volksstem en de draai die de volksvertegenwoordigers eraan geven (denk aan uitdrukkingen als: ‘de kiezer heeft gesproken, nu is de politiek weer aan zet’ of ‘verkiezingen verloren, formatie gewonnen’).

‘De kiezer heeft altijd gelijk’ is daarom een typisch populistische uitspraak. Populisten geloven dat het volk de politieke waarheid belichaamt. De bestuurlijke elite is volksvreemd, heeft het per definitie mis en flest de boel.

Gevaarlijke illusie

Voormalig LPF-Kamerlid Joost Eerdmans reageerde op het verwijt van populisme steevast met de boutade: “Het is toch mijn vák om het volk na te praten?”

Een van de mixed blessings van het populisme is dat het democraten in spiegelbeeld duidelijk maakt wat democratie niet is. Democratie valt niet samen met de heerschappij van het volk of de wil en het gelijk van de meerderheid. Het verwarrende is dat populisten, in plaats van verklaarde tegenstanders ervan te zijn, het klassieke democratische gedachtegoed juist uiterst serieus nemen. Het zijn radicale democraten die vasthouden aan de letterlijke, oorspronkelijke betekenis van het woord democratie: government of the people, by the people, for the people. Een klassieke formule die in de jaren zestig en zeventig nog voluit door links werd omarmd (en nog steeds door Obama!), maar die tegenwoordig vooral in trek is bij populistisch rechts. 

Maar een ‘regering door het volk’ is op zijn best een naïeve bezweringsformule en op zijn slechtst een gevaarlijke illusie. Klassieke idealen als die van de volkssoevereiniteit, het zelfbestuur of de volksmacht verhullen gemakkelijk dat de macht altijd wordt uitgeoefend door een elite van vertegenwoordigers van het volk. Democratisering in letterlijke zin leidt tot nivellering, heerschappij van de middelmaat en meerderheidstirannie. De kern van het gevaar en van de illusie is dat men streeft naar volkseenheid, naar een politieke en culturele identiteit tussen regeerders en geregeerden, in de autoritaire traditie van denkers als Thomas Hobbes, Jean-Jacques Rousseau en Carl Schmitt.

Regenten

Populisten gaan ervan uit dat de kloof tussen burgers en bestuur kan en moet worden opgeheven. Zij wantrouwen in principe alle volksvertegenwoordiging – behalve natuurlijk die van henzelf. Maar de moderne democratie is alleen mogelijk bij de gratie van representatie en politieke arbeidsdeling. Representatie schept een bepaalde afstand tussen vertegenwoordigers en volk die een productieve conversatie en wisselwerking tussen beide mogelijk maakt, waarbij de politieke waarheid steeds in het midden ligt. In een pluralistische democratie is de volkssoevereiniteit principieel opgesplitst in machten en tegenmachten die elkaar in evenwicht houden, zonder dat één ervan kan worden aangewezen als de diepste kern of oorsprong van alle andere. De politieke macht komt juist voort uit hun interactie: zij welt op in de holte tussen vertegenwoordigers en vertegenwoordigden, zoals de Groningse filosoof Frank Ankersmit zegt.

Die opbreking van de soevereiniteit vindt niet alleen plaats in het horizontale vlak, in de vorm van de trias politica (de scheiding tussen wetgevende, uitvoerende en rechtsprekende machten), van scheidingen als die tussen kerk en staat of staat en markt, of van de traditionele links-rechtsverdeling. Daarnaast kent de democratie ook altijd een verticale dimensie, waarin het functionele onderscheid en de wisselwerking tussen top en basis, tussen de elite van politieke professionals en het grote kiezerspubliek, centraal staat. Ook in deze verticale dimensie (de beruchte ‘kloof’) is er sprake van machtenscheidingen en machtsbalansen, en dus van productieve belangentegenstellingen, spanningen en conflicten.

Zelfs de meest democratische democratie is in die zin een eliteheerschappij. Zonder krachtige elites en levendig leiderschap is elk politiek systeem ten dode gedoemd. De democratie is juist het systeem waarin elites en leiderschap zich in de grootste vrijheid kunnen vormen. Zij geeft zoveel mogelijk gewone mensen de kans op basis van eigen verdienste en in een eerlijke concurrentie tot de elite van ongewone mensen toe te treden. Maar deze meritocratische selectie roept onvermijdelijk nieuwe belangen in het leven. Elke elite zal de neiging vertonen om zich in te graven in de macht en zijn positie en privileges voor nieuwkomers willen afsluiten. Oude regenten kunnen worden afgezet, maar daarvoor komen nieuwe in de plaats die na verloop van tijd weer regenteske neigingen gaan vertonen. Die onvermijdelijke oligarchisering en circulatie van elites is echter geen reden voor pessimisme en apathie, maar juist voor optimisme en engagement. Want het is altijd de moeite waard om de zittende politieke klasse te vervangen door ambitieuze nieuwkomers en uitdagers. 

Charisma

Het populisme stelt ons daarmee voor een meervoudige uitdaging. Populisten spelen zowel in op de behoefte aan leiderschap in de politiek, aan een zelfbewuste elite die een goed verhaal vertelt en het ‘voordoet’, als op de even sterke behoefte aan een ruimere volksinvloed op beleid en bestuur. Het leiderschapsprobleem wordt door populisten echter meteen in autoritaire richting bijgebogen. De leider wordt geacht de volksstem onmiddellijk tot uitdrukking te brengen, zonder de representatieve omwegen van partij en parlement. Persoon en partij vallen samen. Zo kan het model van een autoritaire leiderschapsbeweging worden ingezet tegen de zittende elite en het gevestigde partijenkartel. Terwijl de leider een centrale rol speelt als woordvoerder en dus als aanjager van volkse sentimenten van angst, onbehagen, woede en trots, wordt die aanwakkerende rol tegelijkertijd onzichtbaar gemaakt: hij doet zich voor als het passieve mondstuk van die volkse sentimenten.  

Vanwege de egalitaire inslag van onze cultuur en de begrijpelijke associaties met de fascistische bewegingen uit de jaren dertig is deze leiderschapskwestie vooral door linkse democraten lange tijd intellectueel verwaarloosd. Maar het succes van de populisten (en de  onmacht van hun tegenstanders) bewijst nogmaals dat de leiderschapsfactor – en die van het persoonlijk charisma – een cruciaal verschil maakt in de politieke krachtsverhoudingen. Progressieven moeten daarom serieuzer nadenken over nieuwe vormen van leiderschap en hoe die kunnen worden ingepast in de bestaande representatieve democratie.

Paternalisme

Een van de ingrediënten van goed leiderschap is de moed om anders te denken, het lef om tegen de publieke opinie in te gaan. Hoewel leiders door het volk worden gekozen, hebben zij als politieke professionals een onafhankelijke rol en opdracht. Zij vormen hun eigen opinies ‘zonder last of ruggespraak’ met hun achterban, met wie zij een soms spanningsvolle interactie aangaan, en die zij dus ook moeten kunnen en durven tegenspreken. Een nieuw, zelfbewuste elitisme gaat dus gepaard met een milde vorm van paternalisme. Het populistische ‘ik zegt wat u denkt’ wordt: ‘ik zeg wat u nog niet heeft bedacht’.

De burger/kiezer moet op zijn beurt erkennen dat hij niet de waarheid in pacht heeft, maar professionals nodig heeft die inspirerende verhalen vertellen en vergezichten bieden die hem kunnen (ver)leiden tot een beter inzicht in het algemeen belang. Dit zou je ‘autopaternalisme’ kunnen noemen. Een goed voorbeeld is de kwaliteitspers: je neemt een abonnement op een krant of weekblad om je door journalistieke professionals te laten in- en voorlichten, met als doel om je (gebrek aan, of gebrekkige) mening aan die van hen te kunnen  scherpen.

Die paradoxale zelfbinding van kiezers (de bereidheid je te laten leiden) moet worden aangevuld met een gelijksoortige zelfbinding van de gekozen elite, die beseft dat zij altijd kan degenereren tot een zelfgenoegzame oligarchie. In die eeuwige dreiging van corruptie van de kennismacht ligt de tweede grote uitdaging van het populisme. Juist de anti-elitaire of ‘anti-politieke’ inslag ervan kan worden gemobiliseerd om de elites bij de les te houden en het systeem open te houden voor politieke buitenstaanders en politieke vernieuwing.

Een democratisch systeem moet daarom in één en dezelfde beweging zowel het politieke vertrouwen als het politieke wantrouwen organiseren. Dus als de elite- of leiderschapsfuncties aan de bovenkant van de democratische pyramide sterker worden geprofileerd, moeten bij wijze van contragewicht ook de populaire of plebiscitaire functies aan de onderkant worden versterkt. De politieke elite moet meer ruimte scheppen om zich te laten tegenspreken en te laten vetoën door ‘de stem van het volk’.

Hilversum

Het populisme daagt ons zodoende uit om de verticale lijn van de democratie te intensiveren en het Huis van Thorbecke tegelijkertijd te ‘verhogen’ en te ‘verdiepen’. Die verticale communicatie tussen elite en massa wordt tegenwoordig steeds sterker bemiddeld door de massamedia en steeds minder door klassieke vertegenwoordigende organen als politieke partijen en het parlement. In die veranderde communicatiestructuur ligt een derde grote uitdaging van het populisme. Populisten hebben immers sneller en handiger dan traditionele elites weten in te spelen op de mogelijkheden van politieke mobilisatie die de media, en vooral de televisie, bieden. Die hangen vooral samen met de tendens naar personalisering en emotionalisering van de politiek: het ontstaan van een nieuw soort directheid, nabijheid en herkenbaarheid van politieke issues en sentimenten via van de media bekende persoonlijkheden. Dit was de grote betekenis van het spektakel-Fortuyn: hij belichaamde letterlijk de doorbraak van de celebritycultuur en de stijlvolle personalisering van de politiek.

Die centraliteit van de elektronische communicatie heeft een nieuwe machtsverhouding geschapen tussen media en politiek. Veel meer dan een doorgeefluik van politieke meningen en stemmingen zijn nieuwsmedia zelf politieke instituties geworden, medespelers bij de agendering en articulatie van politieke issues, wensen en belangen. Maar net als in de populistische politiek bestaat ook bij de media de neiging om die performatieve, (mede)scheppende rol te verhullen. Mediapopulisme ontstaat zodra de kloof tussen mediaprofessionals en kijkers wordt weggeredeneerd en journalisten de stem van het volk gaan napraten onder het misleidende motto: de zappende kijker heeft altijd gelijk. Het gezonde volksgevoel wordt dan door de media ongefilterd weer aan datzelfde volk teruggegeven, maar dan duizendmaal uitvergroot en bekleed met het gezag van ‘Hilversum’ en van beroemde presentatoren. Het resultaat is een enorme echoput waarin zelfaangestelde woordvoerders van het volk dingen roepen die er weer uitkomen als de zogenaamd authentieke ‘stem van het volk’.

Het gevaar van dit mediapopulisme moet scherper worden onderkend. Maar ook hier moeten we openstaan voor mogelijkheden om de democratie te verdiepen. De mediale beeldcultuur maakt ook een nieuw soort politieke identificatie mogelijk: zij bevordert de emotionele herkenbaarheid van politici op allerlei kenmerken van persoonlijke stijl. Zowel politici als kijkers/kiezers blijken in die hoogstpersoonlijk profilering geïnteresseerd te zijn: via talkshows, autobiografische boeken, persoonlijke websites, weblogs, vriendennetwerken en eindeloos getwitter. Politici voeren steeds meer voorkeurscampagnes, kiezers maken op hun beurt steeds meer gebruik van de voorkeurstem. Een meer persoonsgerichte democratie zou meer ruimte kunnen maken voor het politieke individualisme van zowel kiezers als gekozenen, en een groter politiek publiek kunnen aanspreken. Niet voor niets is de belangstelling voor de sterk gepersonaliseerde en gemediatiseerde Amerikaanse presidentsverkiezingen ook in Nederland intens.

Louterend

De clou van deze beschouwing is dat juist de personendemocratie behulpzaam kan zijn om zowel de ‘elitaire’ als de ‘populaire’ dimensies van de democratie steviger te verankeren. Dit voornemen kan het beste gestalte krijgen via een vernieuwing van het kiesstelsel volgens het model D66-Fortuyn, waarbij elementen van directe democratie worden ingepast in het bestaande vertegenwoordigende stelsel. De rechtstreekse verkiezing van uitvoerende gezagsdragers als de burgemeester, de regiocommissaris en de minister-president verleent deze leidersposities een apart mandaat en een eigen machtsbasis, waardoor ze aantrekkelijker worden voor meer uitgesproken persoonlijkheden. Persoonsverkiezingen brengen een ander soort politicus voor het voetlicht: mensen met meer ambitie, durf, eigenzinnigheid en charisma: Obama’s op polderformaat.

De persoonlijke concurrentieslag in de media werkt louterend en bevordert de herkenbaarheid van kandidaten. Gewone, ook lager opgeleide burgers zijn dan beter in staat om zich wel of niet te herkennen in deze uitzonderlijke individuen en de politieke thema’s die zij belichamen. Directe persoonsverkiezingen vormen op die manier een tegenwicht tegen de politieke dominantie van hoger opgeleiden (de ‘diplomademocratie’) en kunnen de kloof met lager opgeleiden verkleinen. Burgers krijgen een meer directe invloed op de coalitie- en regeringsvorming. Het aantal kiesmomenten wordt vermenigvuldigd, voorbij de huidige vierjaarlijkse routine. Lokale verkiezingen worden minder sterk door landelijke gedomineerd. Referenda zijn een ander kanaal voor effectieve zeggenschap van onderop, mits zij niet worden gezien als uitingen van de soevereine volkswil maar als een middel om de wisselwerking tussen politici en burgers te intensiveren.

Het populisme dwingt ons er dus toe om het elitaire karakter van de vertegenwoordigende democratie duidelijker en zelfbewuster te formuleren. Maar omdat politieke elitevorming altijd kan ontaarden in machtsmisbruik, kan juist de anti-elitaire inslag van het populisme helpen om verticale tegenmachten te vormen en het volk beter te laten ‘terugpraten’. De democratie is al met al een eigenaardig geval. Democratische leiders moeten niet samenvallen met het volk, maar voorop lopen, en dus vooruit lopen op de massa. Wij stemmen dus niet alleen op politici om onze stem te laten horen, maar ook om onszelf te laten verheffen en tegenspreken. Dat doen wij vanuit het gelouterde inzicht dat wij, het volk, niet de wijsheid in pacht hebben, en daarom niet soeverein kunnen zijn. 

Dick Pels is oud-directeur van Bureau de Helling. Zijn boek Het volk bestaat niet. Leiderschap en populisme in de mediademocratie verscheen in 2010 bij De Bezige Bij.

Gerelateerde artikelen