11 minuten

Geloof in getallen

De kwantificering van de werkelijkheid

Het begin van onze getallencultuur ligt in de 19de eeuw, met de opkomst van statistiek. De dichter Wordsworth gruwde er van, tegenover de abstractie van de statistiek stelde hij 'de echte mens' en 'het gevoel'. Dat lijkt op de Fortuynsiaanse kritiek dat de 'de politiek niet weet wat er leeft'. 

Het is onbetwistbaar dat politieke besluitvorming tegenwoordig in belangrijke mate afhankelijk is van getallen, en van het geloof dat daaraan gehecht wordt. Denk aan de 45 minuten claim die twijfelende Labour-parlementariërs over de streep moest trekken om Blair's Irak-oorlog te steunen. Denk aan de CPB-berekeningen over de omvang van het begrotingstekort (0,2 procent van het BNP) waarop Balkenende uiteindelijk zijn breuk met Bos baseerde. Denk aan de 79,9 procent op tijd vertrekkende treinen, waarmee Netelenbos het toenmalige NS-bestuur naar huis stuurde. Hoe verschillend deze voorbeelden ook van elkaar zijn, zij tonen de macht en het prestige dat tegenwoordig in de politieke ruimte aan getallen wordt toegekend.

In twee magistrale boeken heeft de wetenschapshistoricus Ted Porter onderzocht wat de consequenties van deze ontwikkeling zijn. Porters antwoord bestaat grofweg uit de volgende twee delen. In de eerste plaats is de explosieve toename van kwantificering niet alleen maar een intern wetenschappelijke ontwikkeling geweest, maar juist vooral gestuurd door de behoeften van overheden en bedrijfsleven. In de tweede plaats verdedigt Porter de sterke these dat kwantificering niet zomaar gezien moet worden als een poging tot objectivering, maar dat kwantificering gebruikt wordt om een gebrek aan vertrouwen in (overheids-)besluiten te overwinnen. Het grijpen naar kwantitatieve informatie door beleidsmakers is dan eerder een uitdrukking van ‘zwakke besluitvorming’. Het is de verdienste van wetenschapsstudies dat zij de afgelopen twintig jaar hebben laten zien waar deze zwakheden te vinden zijn en hoe kwantificering dient om conflicten ‘uit te middelen’.

De hierboven gegeven voorbeelden zijn illustratief. De Britse onderzoekscommissie naar de toedracht van de dood van de Defensie-adviseur Kelly heeft ons de afgelopen maanden dagelijks in steeds meer detail laten zien hoe het Britse overheidsbeleid inzake Irak leed aan een evident vertrouwensgebrek bij parlementariërs en het Britse publiek. In een poging deze over te halen tot steun heeft de inner circle van Blair een cruciale kwantitatieve claim ingevoegd over de dreiging die er van Saddam uit zou gaan. De CPB-tekortberekening diende bij de Nederlandse informatieronde tussen Bos en Balkenende eveneens om een beslissing te forceren. Balkenende had in de aanloop tot de verkiezingen geen misverstand laten bestaan over zijn weerzin tegen de PvdA en het gebrek aan vertrouwen tussen beide personen spetterde van het televisiescherm. Maar Balkenende verschool zich achter een CPB-voorspelling om de breuk te rechtvaardigen. En met betrekking tot het derde voorbeeld, het getouwtrek tussen Netelenbos, reizigers en NS-directie over de betrouwbaarheid van de NS, valt een soortgelijk verhaal te vertellen. Een tot het uiterste getergde Netelenbos (die het zelf zo ver had laten komen) hield vast aan haar norm van 80 procent, waar de NS-directie vrolijk 79,9 procent presenteerde.

Lawine

We kunnen deze voorbeelden afdoen als aberraties, als voorbeelden van een te ver doorgevoerde getallencultuur, maar dat zou voorbij gaan aan het fundamentelere punt dat kwantificering de politieke ruimte definitief heeft veranderd. Dat heeft te maken met de opkomst en doorbraak van de statistiek of, wat de Balie en De Groene Amsterdammer in een cyclus over dit onderwerp een aantal jaren geleden zo mooi hebben aangeduid als het ‘Statistisch Universum’ (zie: http://www.groene.nl/1999/10/gdv_statistiek.html). Een aantal lezenswaardige bijdragen van, onder anderen, Gerard de Vries en Pieter Hilhorst, toonden hoezeer onze huidige samenleving in zijn besluitvorming afhankelijk is geworden van dit nieuwe type van argumentatie. Het begin daarvan ligt in de negentiende eeuw en kreeg in de twintigste eeuw zijn definitieve vorm en dominante positie.

Vanaf het begin van de negentiende eeuw werd de samenleving bedolven onder een lawine van getallen. Deze getallenproductie werd gevoed door een toenemende vraag van overheid en markt; overheden waren uit op controle en beheersing van hun onderdanen, bedrijven wilden effectieve en efficiënte kostenberekeningen kunnen maken, zoals bijvoorbeeld het snel in belang toenemende verzekeringswezen. Maar de toenemende vraag naar getallen had ook te maken met de opkomende democratiseringsbewegingen en de roep om transparantie in politieke besluitvorming. Vroeg in de negentiende eeuw werd statistiek vooral met de Staat geassocieerd, zoals in het woord statistiek nog doorklinkt. ‘Statists’ of ‘political arithmeticians’, zoals statistici in die tijd genoemd werden, verzamelden voornamelijk gegevens over geboorte, criminaliteit en de handelsbalans om een inschatting te kunnen maken van de staatsmacht.

Meetfouten

Met de doorbraak van het werk van Adolphe Quételet halverwege de negentiende eeuw kreeg het gebruik van statistiek in het sociale domein een meer systematisch karakter. Dat had te maken met een transfer van onderzoeksmethoden uit de natuurwetenschappen naar het sociale domein. Quételet behandelde sociale statistische gegevens zoals een astronoom metingen van de planeetbanen gebruikte: om tot wetmatigheden te komen. Wetten die niet langer gebonden waren aan individuele waarnemingen en observaties, maar aan wat daar achter lag. Waarnemingen waren onvermijdelijk met fouten geladen en juist het middelen van fouten toonde de diepere werkelijkheid; de aandacht in onderzoek verschoof van het verklaren van complexe individuele gebeurtenissen naar het definiëren van gemiddelden. Een prachtig voorbeeld van deze verschuiving (beschreven in Alder's The Measure of All Things) is het verschil in taakopvatting van de twee wetenschappers die verantwoordelijk waren voor de constructie van de standaardmeter. Waar de een, Méchain, meetfouten zag als een persoonlijk moreel falen, zag de ander, Delambre, de onvermijdelijkheid ervan in. In plaats van een probleem werden fouten juist een gedeelte van de oplossing. De ‘normale verdeling’ en uiteindelijk het idee van een ‘distributie over een populatie’ kwamen hieruit voort.

Cholera

Voor het denken over de sociale orde waren de gevolgen verregaand. Individuele afwijkingen werden tot dan toe als overtredingen van een (door God gegeven) morele orde gezien, maar door de aandacht op gemiddelden te richten wordt deze orde niet meer aan het individu, maar aan de achterliggende statistische regelmatigheid toegerekend. Het is al vaker gezegd en het is echt zo: met de statistiek werd de samenleving uitgevonden. Zoals iemand in een bespreking van Quételet's Physique Sociale schreef: “Als we overgaan van individuen naar de massa, vinden we zelfs in gebeurtenissen die volkomen toevallig lijken een regulariteit, een volgtijdelijke orde, die alleen het gevolg kan zijn van een vaste oorzaak.” Met behulp van statistiek konden oorzaken worden opgespoord, zoals de medicus John Snow halverwege de negentiende eeuw de bron van een cholera-epidemie in Londen afleidde uit haar verspreidingsgebied.

Veel ‘data’-verzameling in het begin van de negentiende eeuw had nog helemaal niet het karakter van tegenwoordig. Zo moesten er, om kwantificering mogelijk te maken, belangrijke keuzes gemaakt worden, zoals het bepalen van de grootheden waarin gemeten zou gaan worden. Het was bijvoorbeeld in het geheel niet vanzelfsprekend om de welvaart van een land te meten in termen van geld. Dat is verre van triviaal zoals blijkt uit de nog steeds voortdurende discussies over het meten van armoede en welvaart, waar het werk van Amartya Sen in belangrijke mate aan is gewijd, en uit wereldwijde onenigheid over het meten van milieu-effecten op welvaart.

Nieuw was dat Quételet sociale wetmatigheid visualiseerde. Waar tot dan toe sociale wetenschappers (zoals John Stuart Mill) hun wetmatigheden gezocht hadden in de handelingsmotieven van mensen – in ongemeten grootheden als eigenbelang – daar toonde Quételet regelmatigheden in een samenleving (zelfmoorden, misdrijven, etc.). In tabellen en vervolgens in grafieken waren deze regelmatigheden daadwerkelijk te zien. Deze visualisering droeg en draagt nog steeds in belangrijke mate bij aan het aureool van objectiviteit waarmee kwantitatieve informatie omgeven is. Maar zoals niemand ooit de aarde in een ellips om de zon heeft zien cirkelen, heeft niemand sociale wetmatigheden ooit anders gezien dan met de middelen waarmee deze worden weergegeven. Of anders gezegd: alle objectiviteit is geconstrueerde objectiviteit – maar dat maakt haar niet minder objectief.

Paniek

Laat ik een aantal voorbeelden geven ter verduidelijking. Het gaat me om twee zaken: de creatie van een nieuw fenomeen en de inperking van het domain of discourse, de ‘gespreksruimte’. Een mooi voorbeeld van het eerste is het idee van conjunctuurcycli. Tot ver in de negentiende eeuw concentreerden politieke economen zich op de verklaring van de economische crisis en probeerden alle oorzaken die tot een beurspaniek hadden bijgedragen in kaart te brengen. Met de komst van tabellen en grafieken verschoof echter de aandacht van de individuele historische gebeurtenissen naar een constructie die pas uit de tabellen zichtbaar werd: een gebeurtenis door de tijd, zoals een conjunctuurgolf. Bijgaand plaatje uit het werk van de Franse statisticus Clément Juglar laat goed zien hoe Juglar de overgang maakt van tabel naar het nieuwe fenomeen – dat wil zeggen: hoe hij een conjunctuurcyclus creëerde. Zodra de conjunctuurgolf er ‘was’, werden geheel andere vragen en andere doelen gesteld dan voorheen; het ging niet meer om het inventariseren van alle oorzaken van een crisis en zo te proberen een crisis in de toekomst te voorkomen, maar om het dempen van de conjunctuur. Daar hoorde andere informatie bij en andere beleidsinstrumenten.

Een goed voorbeeld van de inperking van de gespreksruimte is Jan Tinbergens vroege econometrische werk. Tinbergens macro-economische model van de Nederlandse economie definieerde welke verschillende ‘sectoren’ er in de economie waren en hoe deze met elkaar samenhingen. Daarmee werd tevens de speelruimte voor kritische discussie vastgelegd, net zoals de keuze van meeteenheden op de assen vastlegt waarover we vervolgens nog kunnen praten. Vergelijkbaar met Juglars conjunctuurcyclus wordt door de manier waarop een (nieuw) fenomeen wordt geconstrueerd, vastgelegd in welke termen er vervolgens over kan worden gesproken. Dat was tien jaar geleden ook een van de bezwaren bij GroenLinks tegen de doorrekening van haar verkiezingsprogramma. Terecht werd naar voren gebracht dat het CPB-model niet normatief neutraal is en dat geldt in het algemeen voor de objectief geconstrueerde werkelijkheid van de statistiek.

Ikea

Statistiek construeerde niet alleen een nieuwe werkelijkheid, het gaf ook een norm en de middelen om beleid te beoordelen. Beheersing was natuurlijk van oudsher een belangrijke drijfveer achter de census. Door de massa te meten, kon ze worden getemd. De vrucht hiervan kan iedereen vandaag de dag aan den lijve ervaren bij McDonald’s of bij Ikea, waar we krijgen voorgeschoteld wat we volgens de statistieken het liefst willen hebben. Quételets ‘homme moyen’ rolde niet alleen uit de berekeningen, maar werd ook de norm waar het individu zich naar diende te richten, zoals iedere ouder tegenwoordig bij het consultatiebureau ervaart. Wie denkt de statistieken te ontspringen door zijn of haar kind de DKTP-prik te onthouden, staat met de mond vol tanden als het kleintje polio krijgt. Alleen statistische informatie over de eventuele nadelige gevolgen van de prik zelf, biedt een rechtvaardiging voor zo'n beslissing.

Statistiek introduceerde evenwel niet alleen nieuwe vormen van beheersing, maar ook van bevrijding. Friedrich Engels maakte gebruik van hetzelfde statistisch materiaal als liberale politieke economen om de arbeidsomstandigheden in het Victoriaanse Engeland aan de kaak te stellen. De Engelse Fabian Society (voorloper van Labour) verzamelde uitgebreid statistieken met hetzelfde doel. Het was in deze geest dat de jonge Tinbergen zich richtte tot de socialistische voorman Wibaut met de vraag of iemand met een natuurwetenschappelijke achtergrond en met een interesse in economie en statistiek ‘nuttig’ zou kunnen zijn ‘voor de arbeidersklasse’. En het succes van de invloedrijke Men and Religion Forward Movement in het begin van de twintigste eeuw in de VS was meer gelegen in de statistieken die werden verzameld over de achtergebleven regionen van de samenleving die aan het oog van bestuurders waren ontsnapt dan in haar pogingen tot herevangelisatie. In New York liepen de mensen de straat op om, ondanks de regen, statistical parades bij te wonen, waarin allerlei sociaal-economische gegevens werden gepresenteerd en de vooruitgang werd getoond die de gemeente op deze gebieden had geboekt. Statistiek gaf niet alleen de tot dan toe amorfe massa gezicht, maar ook het beleid.

Gevoel

Lang voordat het geloof in getallen zijn huidige macht verwierf, verzette William Wordsworth zich, in The Prelude (1805) tegen het huwelijk tussen economie, statistiek en beleid en stelde daar een geloof in de ‘echte mens’ tegenover. Hij zag slechts “Ambition, folly, madness in the men” die zich in hun streven de publieke zaak te dienen lieten leiden door de "false philosophy ... of modern Statists". Zij verloren zo:

A more judicious knowledge of what makes
The dignity of individual Man,
Of Man, no composition of the thought,
Abstraction, Shadow, image, but the man
Of whom we read, the man whom we behold
With our own eyes. 

Ik ben er zeker van dat Wordsworth's klacht sympathiek klinkt bij al diegenen die vinden dat de getallencultuur te ver is doorgeschoten, niet alleen in Nederland. En ja, de drie voorbeelden uit het begin lijken dat inderdaad te bevestigen. Is het niet juist het te grote vertrouwen in statistiek die maakt dat de kloof tussen politiek en ‘de burger’ onoverbrugbaar groot is geworden? En gaf het rapport van het Sociaal en Cultureel Planbureau daar alweer een jaar geleden niet een prachtige illustratie van door met allerlei statistieken te laten zien dat ‘Nederland tevreden was’, terwijl de opkomst van Pim Fortuyn vlak daarop het tegendeel leek aan te tonen. ‘De Politiek’, kortom, ‘weet niet wat er leeft’. Eerlijk gezegd klinkt mij dat allemaal als valse romantiek in de oren, van hetzelfde soort als dat te vinden is bij Dickens. Hoe valt er tegenwoordig anders te praten over ‘het feit’ dat ‘de mensen zich onveiliger voelen’ dan door middel van statistiek? Louter ‘het gevoel’, of ‘de bewering’, kan geen basis zijn voor rationele politieke besluitvorming. Dat laatste was wat het politiek radicalisme in het Victoriaanse Engeland, dat ijverde voor democratie en transparantie van besluitvorming, voorstond. De keus lijkt te zijn die tussen het zichtbaar maken van het individu in al zijn complexiteit en het inkaderen van individuen in statistieken en tabellen. Natuurlijk is het de taak van kritische politiek om deze statistieken en tabellen niet voor feit aan te nemen en op hun vooronderstellingen te onderzoeken. De maat van alle dingen is geen gegeven. Maar dat neemt niet weg dat ook alternatieven op basis van statistieken zullen moeten worden geformuleerd, of dit nu gaat om de geluidsnormen bij Schiphol, de veiligheid op straat, budgettering in de zorg, of in het algemeen het kritiseren van de kaasschaafmethode van Balkenende, Dittrich en Zalm.

Literatuur:

- Porter, Theodore M., 1986: The rise of statistical thinking 1820-1900, Princeton: Princeton University Press.
- Porter, Theodore M., 1995: Trust in Numbers: The Pursuit of Objectivity in Science and Public Life, Princeton: Princeton University Press.
- Cooke Taylor, William., 1835: Objects and Advantages of Statistical Science, The Foreign Quarterly Review, 16: 205-229.
- Tufte, Edward R., 1997: Visual explanations: images and quantities, evidence and narrative. Cheshire, Graphics Press.

Gerelateerde artikelen