54 minuten

Geloven in politiek

Een analyse van het vocabulaire van GroenLinks

In welke samenleving gelooft GroenLinks? Wat zijn de kernwoorden van deze partij? De bewegingsruimte voor individuele burgers lijkt het belangrijkste kwaliteitskenmerk. De laatste jaren is bovendien 'vrijheid' een centraal begrip geworden.

De polis van de politiek is als de god van de theologie: de hele onderneming is erop gericht, maar iedereen heeft er een ander beeld bij. Ik richt me in deze bijdrage op de samenleving die GroenLinks voor ogen staat. In welke samenleving gelooft deze politieke partij? GroenLinks ontstond in 1990 uit een samengaan van de Evangelische Volkspartij (EVP), de Pacifistische Socialistische Partij (PSP), de Politieke Partij Radicalen (PPR) en de Communistische Partij Nederland (CPN). Deze vier partijen hadden grootse, utopische beelden van de ideale samenleving, van het Koninkrijk Gods (EVP) tot de klasseloze samenleving (CPN). Daarbij vergeleken klinkt het spreken van GroenLinks over een ‘open’ samenleving bescheiden. Instrumenteel bijna.
De bewegingsruimte voor individuele burgers lijkt het belangrijkste kwaliteitskenmerk. Neem onderstaand citaat uit het verkiezingsprogramma van 1994:

‘GroenLinks kiest zonder terughoudendheid voor ‘de individualisering’, in de zin van meer persoonlijke zelfstandigheid. Maar daar moet onmiddellijk aan toegevoegd worden dat dit een keuze is voor het individu, niet voor het individualisme.’

Voor het individu, niet voor het individualisme. Dat klinkt mooi, maar wat houdt die keuze voor het individu in? Waarin verschilt het precies van individualisme in de zin van ‘ieder voor zich en God voor ons allen’? Is individualiteit denkbaar zonder gemeenschap, en gemeenschap zonder enige vorm van geloven? Is oog hebben voor de mens als individu een goede strategie om individualisme tegen te gaan? Of moeten we ‘niet voor het individualisme’ lezen als waarschuwing voor een mogelijke bijwerking van kiezen voor het individu? Maar hoe komen we dan voorbij ons individuele zelf? Allemaal vragen die ‘kiezen voor het individu’ oproept en die verband houden met de centrale vraag naar het beeld van de polis in de politiek van GroenLinks.
In mijn zoeken naar een antwoord richt ik me op het taalgebruik van GroenLinks in op het internet beschikbare teksten. De beeldtaal van reclamespotjes en televisieoptredens van politici neem ik niet mee, evenmin als door hen geschreven boeken. Op basis van de in de appendix genoemde bronnen is mijn conclusie dat het denken binnen GroenLinks over hoe voorbij het individualisme te komen stagneert. Angst voor populisme en het buiten de politiek willen houden van ‘geloven’ lijken daar debet aan. Ik plaats ‘geloven’ hier even tussen aanhalingstekens, omdat het zoveel en zelfs tegenstrijdige zaken kan aanduiden. In de slotparagraaf ga ik in op de vraag hoe binnen GroenLinks is omgegaan met geloven, met name in de met georganiseerde godsdienst geassocieerde zin van het woord. Ik verken daar de mogelijkheid dat het zoveel mogelijk buiten de politiek willen houden van religie en levensbeschouwing GroenLinks blokkeert in het formuleren van een uitgewerkte en aansprekende visie op de samenleving.
Het is een mogelijkheid. Maar eerst ruim aandacht voor de feiten. Ik begin met wat in het eerste verkiezingsprogramma voor de Tweede Kamer van 1989 gezegd wordt over de gewenste kwaliteit van de samenleving en ga na in hoeverre en hoe de woorden die daar vallen, terugkeren in latere teksten. ‘Groen’ en ‘links’ ontbreken op de in 1989 geformuleerde lijst van zelfgekozen trefwoorden voor de kwaliteit van de samenleving. In de paragraaf ‘Rood, groen, blauw: de GroenLinkse driekleur?’ ga ik in op de betekenisverschuiving die de woorden groen en links hebben ondergaan door toevoeging van het nodige blauw. Rood links is anders, concludeer ik, maar niet nadat ik in de paragraaf ‘Het particuliere vocabulaire van GroenLinks’ het betekenisveld van ‘samenleving’ in mijn bronnen heb verkend. In de voorlaatste paragraaf ga ik in op de vraag hoe men, met behoud van de keuze voor het individu, voorbij individualisme in de zin van egoïsme en consumentisme wil komen.
In het betekenisveld van ‘samenleving’ blijkt het woord ‘open’ in opkomst. Dat ‘open’ blijkt niet alleen open in de zin van ‘toegankelijk’ maar ook open in de zin van ‘leeg’, ‘oningevuld’. Om wat meer vat te krijgen op de samenleving waarin GroenLinks gelooft en op de mogelijkheden die deze partij ziet om die samenleving te realiseren, gebruik ik inzichten van de Britse politieke filosoof John Gray. In Strohonden. Gedachten over mensen en andere dieren (2002) geeft hij een schets van het westerse humanisme, dat op het lijf van GroenLinks lijkt geschreven. Gray wil niet zozeer voorbij het individualisme, hij wil voorbij het centraal stellen van mensen als soort. Hij wil voorbij het humanisme. Ik ben geen lid van GroenLinks, al zou ik wel wat ‘groener’ willen zijn. Ik ben ook geen volgeling van John Gray, maar zijn provocatieve teksten confronteren mij wel met het geloof dat in mij zit. Gray, met al zijn weerzin tegen christendom en humanisme, beaamt het oude theologische inzicht dat we niet kunnen kiezen wat we geloven. Wat wel kan is rekenschap afleggen van het geloof dat in ons is. Gray’s teksten helpen om het impliciete geloof dat in GroenLinks zit, te expliciteren. Zoals het woordonderzoek helpt om het expliciete – in verkiezingsprogramma’s geformuleerde – geloof te relativeren.

De kwaliteit van de samenleving in zes woorden

In het eerste verkiezingsprogramma voor de Tweede Kamer van 1989 omschrijft GroenLinks de kwaliteit van de samenleving die de partij voor ogen staat met de trefwoorden ‘Persoonlijke zelfstandigheid, democratisering, geweldloosheid, creativiteit, verdraagzaamheid en emancipatie’. Het blijkt dat deze woorden zelden worden gebruikt. Voor ik overschakel op de op de termen die feitelijk domineren, ga ik in op deze waarschijnlijk zorgvuldig afgewogen woorden. Opmerkelijk is dat ze, geheel in lijn met de keuze voor het individu, merendeels meer toepaspaar zijn op individuen dan op de samenleving als geheel.

Persoonlijke zelfstandigheid en emancipatie
Persoonlijke zelfstandigheid en emancipatie zijn de termen die het dichtst in de buurt liggen van de uitgesproken ‘keuze voor het individu’. Hoewel de term persoonlijke zelfstandigheid als trefwoord wordt benoemd in het eerste partijprogramma, komt deze woordcombinatie in het tekstcorpus verder niet voor. Het woord persoonlijk komt vooral voor in de oneliner: het persoonlijke is politiek. Andere meer dan eens voorkomende combinaties zijn ‘persoonlijke ontplooiing’ en ‘persoonlijke vrijheid’.
Het woord zelfstandigheid komt vooral voor in de combinatie ‘economische zelfstandigheid’, en verder meer dan eens in ‘nationale’ en ‘individuele’ zelfstandigheid. In de laatste programma’s van de EVP en de CPN komt het ook voor in de context van het zelfstandig blijven van deze partijen.
Interessant is onderstaand citaat uit een blog op PlaneetGroenLinks.nl waarin het verschil met het liberale begrip van zelfstandigheid wordt gearticuleerd:

‘In de rechtse variant van vrijzinnigheid/liberalisme begint de redenering bij de zelfstandigheid van het individu. De gelijkheid van kansen tussen alle individuen – om zich sociaal-cultureel vrij te vechten, of om sociaaleconomisch wel te varen – wordt voorondersteld. Elk individu wordt dan ook geacht in gelijke mate eigen verantwoordelijkheid te kunnen nemen. Dat niet doen wordt gezien als een keuze. Bij de linkse variant eindigt de redenering juist bij die zelfstandigheid. De veronderstelling is dat niet iedereen gelijke kansen heeft, maar die wel zou moeten hebben. Het ontgroeien van vanaf de geboorte meegegeven achterstanden, individuele emancipatie en empowerment zijn het doel van het beleid, waarbij van oudsher de nadruk ligt op onderwijs, maatschappelijke voorzieningen en een mobiliserend sociaal vangnet.’

Persoonlijke zelfstandigheid en emancipatie hangen dan samen, in die zin dat zelfstandigheid een uitkomst is van emancipatie, die in het verlengde ligt van het ontgroeien van achterstanden. Emancipatie is overigens wel een vaak voorkomend woord in de teksten van GroenLinks, al wisselt het accent op groepen die zich zouden moeten emanciperen – van vrouwen en mensen met een handicap naar homo’s en laagopgeleide jongeren. Emancipatie wordt niet alleen in verband gebracht met individualisering (‘Individualisering als proces van emancipatie’), maar ook met integratie (‘Integratie is emancipatie’). En: ‘GroenLinks is de emancipatiepartij van Nederland.’ Van de genoemde trefwoorden is emancipatie het woord dat, na democratisering, het meest frequent wordt gebruikt in de verkiezingsprogramma’s.
‘Emancipatie’ is bovendien enige trefwoord dat in de statuten voorkomt. ‘Een categorale groep is een zelforganisatie van mensen binnen de Vereniging op grond van een door hen als gemeenschappelijk ervaren kenmerk, dat overeenstemt met door de Vereniging nagestreefde emancipatie en/of discriminatie.’ Merk op hoe hier het bestaansrecht van een ‘categorale’ (lees: niet vrij gekozen) groep gekoppeld wordt aan emancipatie. Als alle leden uitgeëmancipeerd zijn, of niet langer gediscrimineerd worden op grond van een ‘als gemeenschappelijk ervaren kenmerk’, is het: einde groep.

Geweldloosheid en verdraagzaamheid
In de grote betoging tegen de plaatsing van kruisraketten op 21 november 1981 liep 80% mee van het gezamenlijke ledental van de partijen die later samen GroenLinks zouden vormen. Ik haal dit uit de door Gerrit Voerman en Paul Lucardie geredigeerde bundel Van de straat naar de staat? GroenLinks 1990-2010. Beschreven wordt hoe de kernwapenkwestie voor een groot deel van CDA-werkgroep Niet Bij Brood Alleen (NBBA) de aanleiding was om met het CDA te breken. Uit een fusie van dat uitgetreden deel met de Evangelische Progressieve Volkspartij (EPV) ontstond in 1981 de Evangelische Volkspartij (EVP). De waarde van geweldloosheid stond vooral hoog binnen de PSP, de Pacifistisch Socialistische Partij. Voerman stelt dat GroenLinks in het eerste verkiezingsprogramma wel het neutralisme, maar niet het pacifisme van de PSP geheel overnam. Bij veel PSP’ers van het eerste uur had het pacifisme een absoluut en ethisch karakter. Geleidelijk werd het volgens Voerman meer politiek-strategisch.
Verderop in de bundel beschrijft Dik Verkuil hoe defensie een heikel onderwerp bleef. In oktober 1999 schaarde de Tweede Kamer-fractie zich ‘na een stevige discussie’ achter de nota De krijgsmacht als vredestichter, waarin gesteld werd dat GroenLinks de NAVO moest aanvaarden. Het nieuwe standpunt was volgens Verkuil

‘zeker zo moralistisch als het oude. De NAVO-bombardementen en de NAVO zelf werden niet aanvaard omdat dit in het Nederlandse of westerse belang zou zijn, maar omdat de voorstanders dachten hiermee de zaak van de mensenrechten het beste te dienen en genocide te kunnen voorkomen.’

De oorlogen in Bosnië en Kosovo vormden de aanleiding tot het debat. Rond de latere oorlog tegen het terrorisme en de inval in Afghanistan was het debat niet minder hevig. En de commotie rond de steun van de Tweede Kamer-fractie aan de civiele politietrainingsmissie naar Afghanistan ligt nog vers in het geheugen. ‘Het zit in de genen van GroenLinks om vanuit idealisme internationale politiek te willen voeren’, aldus fractievoorzitter Jolande Sap daarover in de Tweede Kamer. En op GroenLinks.nl:

‘De missie wordt een civiele missie en geen paramilitaire. GroenLinks heeft het voor elkaar gekregen dat de politieopleiding van 6 naar 18 weken is uitgebreid. Hierdoor kan er lesgegeven worden in taal en schrijfvaardigheden, mensenrechten, wetskennis en goed bestuur.’

Nu naar geweldloosheid als trefwoord. Kort en goed: na het eenmalige gebruik in het eerste verkiezingsprogramma komt het in geen enkel later verkiezingsprogramma meer voor. De hoogste frequentie (5x) haalt het verder in De Helling, allemaal het herfstnummer van 2008, dat 1968 als thema had.
Zoals het woord geweldloosheid vooral voorkomt in de context van defensiedebatten, zo komt het woord verdraagzaamheid vooral voor in de context van het integratiedebat. Ook niet vaak trouwens. Slechts één keer nog haalt het woord het verkiezingsprogramma: ‘Solidariteit en verdraagzaamheid ontstaan uit vrijwillige ontmoetingen en gemeenschappelijke activiteiten met andere mensen’ (2004). In de laatste verkiezingsprogramma’s van de voorlopers komt het voor bij de CPN: ‘De CPN knoopt aan bij de in ons land bestaande tradities van verdraagzaamheid, geestelijke vrijheid, vrijheid van geweten en denken, afkeer van onderdrukking, racisme en kolonialisme.’ Dat was 1989. In 2008 wordt verdraagzaamheid in De Helling in stelling gebracht tegen het groeiende populisme. Er wordt gesproken over een benauwende stemming ‘waarin redelijk overleg en verdraagzaamheid heeft plaatsgemaakt voor de stem van het volk en nationale trots’ (herfst 2008) en er wordt voor gepleit om in te gaan ‘tegen een politiek van angst en de overreactie te lijf te gaan met de deugden van nuchterheid, verdraagzaamheid en matiging’ (lente 2008).

Democratisering
Ook op het punt van het denken over democratisering valt er uit Van de straat naar de staat? het nodige te halen. Zoals dat de CPN in 1984 het adagium van ‘volksdemocratie’ of ‘dictatuur van het proletariaat’ verruilde voor vernieuwing van de parlementaire democratie en ‘vormen van directe democratie’. En dat de partijstructuur en de identiteit van GroenLinks minder kenmerken vertonen van een maatschappelijke beweging dan andere Europese groene partijen. De Duitse politicoloog Wolfgang Rüdig stelt dat in zijn bijdrage en hij verklaart het uit een verschil in ontstaansgeschiedenis. Anders dan de meeste groene partijen kwam GroenLinks niet rechtstreeks voort uit een maatschappelijke beweging, maar was de totstandkoming van de partij het resultaat van een fusie van bestaande politieke partijen. De keerzijde van een minder hoge verwachting ten aanzien van het actief zijn van de leden is wel dat GroenLinks er meer dan andere EGP-leden in geslaagd is om een aanzienlijk deel van het electoraat tot partijlidmaatschap te bewegen: 43,9 kiezers per lid. Een belangrijk element dat GroenLinks niet heeft overgenomen van andere groene partijen is het beginsel van het gedeelde leiderschap. Het ledencongres werd meteen na oprichting in 1990 vervangen door een afgevaardigdencongres, maar in de loop van de jaren negentig feitelijk (en in 2001 ook formeel) hersteld. Met alle andere groene partijen heeft GroenLinks, bij alle waardering voor de parlementaire democratie, niettemin van oudsher de beginselen van radicale democratie en van basisdemocratie of directe democratie hoog in het vaandel gehad.
Radicale democratie wordt echter in 2008 niet meer als doel genoemd, maar wel ‘gelijke zeggenschap’ en ‘burgerparticipatie’. Dick Pels schrijft de opkomst van het ‘neorepublikeinse burgerschapsidioom’ en de verwatering van het linkse populisme dat daarin zichtbaar wordt, toe aan een verkeerde reactie op de opkomst van het rechtse populisme:

‘Het denken over democratisering binnen GroenLinks lijkt stil te staan, tenminste sinds het pamflet Agenda voor een democratische cultuur uit 2002. Mijn stelling is dat de doorbraak van Fortuyn in dat jaar Groene en andere Linksers op het verkeerde been heeft gezet.’

Democratische vernieuwing werd door populisten als Pim Fortuyn gekoppeld aan personenpolitiek, het ideaal van de volkssoevereiniteit ging samenvallen met de bescherming van de Nederlandse culturele eigenheid, en GroenLinks werd ingedeeld bij de elites. Een en ander maakte een groot deel van de achterban van GroenLinks kopschuw voor elke vorm van directe democratie. Dat op het verkiezingscongres van 18 april 2010 ook het referendum uit het programma verdwijnt, vormt voor Pels de aanleiding voor zijn artikel. Hij pleit ervoor om de democratische vernieuwingsgedachte, die ook tot de eigen linkse traditie behoort, terug te kapen.

‘Het eerste wat we moeten doen is radicaal afscheid nemen van de letterlijke betekenis van democratie zoals die door rechtse én linkse populisten worden omarmd. (…) Letterlijke democratie leidt al gauw tot volkseenheidsdenken, nivellering en meerderheidstirannie. De niet-letterlijke democratie veronderstelt daarentegen een arbeidsdeling en productieve wisselwerking tussen twee type actoren: politieke professionals en politieke leken. De vertegenwoordigende democratie behoudt daarmee een zeker aristocratisch element.’

De wisselwerking tussen de gekozen elite en de burgers die deze elite kiezen moet volgens Pels niet idyllisch worden opgevat, maar dialectisch. Macht werkt altijd corrumperend: ‘Juist daarom moet het populisme met zijn anti-elitaire inslag als een welkome uitdaging worden beschouwd.’
Het woordonderzoek bevestigt de omslag in 2002. Het woord democratie is en blijft van de zelfbenoemde trefwoorden het enige woord dat beklijft, maar het komt na 2002 minder voor, en nauwelijks nog in combinatie met adjectieven als ‘direct’, ‘radicaal’, ‘fundamenteel’ of ‘werkelijk’. Op de website PlaneetGroenLinks.nl wordt directe democratie uitgelegd als het geven van een grotere stem aan mensen, en radicale democratisering als uitbreiding van onderwerpen waarover democratische beslissingen gaan. Die onderwerpen bewegen zich van dichtbij naar verder af, van bedrijven, politiek, technologie, onderwijs en media geleidelijk meer richting IMF, Wereldbank, de VN en, met stip op één, Europa. Die verschuiving van lokaal en landelijk naar Europa als het aangrijpingspunt voor de globaliserende wereld gaat ook op voor het forum waarop de democratie directer zou moeten worden. Op het in 2010 door GroenLinks Amsterdam georganiseerde Piratendebat in Pakhuis de Zwijger werden de aanwezigen opgeroepen om Europa te bestoken als het meest voor druk van onderop gevoelige podium. Het onderwerp was internet. Tegenover overheden en bedrijven die naar middelen zoeken om via internet informatie te verzamelen en/of te censureren en/of te beschermen zouden zij digitale burgerrechten moeten opeisen. De vrijheid op internet diende veiliggesteld te worden. Ook het verkiezingsprogramma van 2010 ademt die geest. In het hoofdstuk ‘Vrijzinnig samenleven’ is een korte paragraaf gewijd aan internet. ‘Digitale vrijheid’ is de titel van die paragraaf, en het gaat vooral over de vrijheid van internetters:

‘Het internet is de eigentijdse drukpers. Het is de plaaggeest van dictators en de muze van uitvinders. Een moderne democratie en een creatieve economie leven van bytes en breedband. Maar het web zindert alleen als het vrij blijft van poortwachters en spionnen. Als iedereen toegang heeft tot het net. En niemand hoeft te vrezen dat z’n muisklikken worden verklikt.’

Het is opvallend dat internet binnen GroenLinks zelden onderwerp van discussie is, en als het dat bij gelegenheid wel is, gaat het primair over vrijheid: vrije uitwisseling, vrije informatie en recht op privacy. Actieve GroenLinksers zijn goed vertegenwoordigd op internetfora en binnen sociale media, maar zij gebruiken die podia vooral om met geestverwanten te communiceren. De kansen die internet biedt voor meer directe vormen van democratie worden alleen aangestipt, niet grondig verkend. Dat kan angst voor populisme zijn. Maar dat verklaart dan weer niet waarom er geen debat is over hoe juist ook internet populistische stromingen kan versterken. Ik verwijs hier naar het manifest You are not a gadget van Jaron Lanier uit 2010, in het Nederlands vertaald onder de titel Nee, je bent geen gadget. Lanier is een van de pioniers van internet. Hij was het die de uitdrukking ‘virtuele werkelijkheid’ introduceerde. In dit manifest komt hij met de term ‘cybermaoïsme’, een waarschuwing tegen de in de structuur van het internet ingebouwde tendens tot kuddegedrag. Internet bedreigt volgens Lanier de democratie, vooral ook omdat met de invloed van internet de middenklasse verdwijnt, om te beginnen de middenklasse van culturele en intellectuele professionals. De ‘open’ of ‘gratis’ cultuur van internet is gunstig voor de enkelingen die zich hebben weten te positioneren op strategische posities, zoals de eigenaren van Google, Wikileads en Facebook, maar een ramp voor de creativiteit.

Creativiteit
In de programma’s van de voorlopers komt het woord creativiteit alleen bij de EVP voor, vooral als aanduiding van het scheppende vermogen dat ieder mens als ‘beelddrager Gods’ in zich heeft, en incidenteel in de zin van onconventioneel en vernieuwend. In latere teksten komt het alleen in die laatste zin voor, en bijna altijd als iets van wat node gemist wordt. Vanaf het eerste verkiezingsprogramma uit 1989 tot berichten op de site van GroenLinks van 2010 wordt er incidenteel om gevraagd. ‘Er is een bredere visie en meer creativiteit nodig dan de monoloog van financieringstekort en belastingverlaging’ (eerste verkiezingsprogramma) en: ‘De ongekende economische krimp vraagt om creatieve maatregelen die de economie uit het slop helpen’ (GroenLinks.nl, 26 mei 2010). De eerste associaties liggen bij kunstenaarschap en vooral bij innovatie en ondernemerschap. Niet bij de partij: ‘Er zit te weinig creativiteit en perspectief in de partij’ (De Helling, zomer 2008). Op de site van GroenLinks presenteert Tweede Kamerlid Tofik Dibi zichzelf als creatief: ‘Met veel enthousiasme heb ik de afgelopen jaren op scherpe en creatieve wijze een dominante rol gespeeld in het politieke debat rondom integratie, onderwijs en de jeugdzorg.’ Erg overtuigend klinkt dat niet. GroenLinks mist duidelijk politici als Antanas Mockus, de burgemeester van Bogotá (Columbia), beroemd om zijn onorthodoxe methodes, zoals het inzetten van mimespelers tegen verkeersovertreders. Het aantal dodelijke ongelukken ging met de helft omlaag! Binnen GroenLinks is een vergelijkbare creativiteit afwezig, terwijl dat zo mooi zou passen in het streven naar een ontspannen en onthaaste samenleving, bij het beleden non-conformisme, en bij de als ideaal geziene ‘libertaire’ levenshouding. Het enige wat ik tegenkwam in de onderzochte digitale bestanden wat in de richting komt, was enthousiasme over de introductie van een alternatieve formule voor het Bruto Nationaal Product, het Bruto Nationaal Geluk. Maar dat idee kwam niet van binnenuit, maar van koning Jigme Singye Wangchuk van Bhutan. Hij ontwikkelde deze alternatieve maatstaf. Het idee sloeg (tijdelijk) aan in GroenLinks-kringen naar aanleiding van de eerste ‘Gross National Happiness’-conferentie in Bhutan in 2004.

Rood, groen, blauw: de GroenLinkse driekleur?

Opmerkelijk afwezig in het rijtje van zelfgekozen trefwoorden zijn de woorden groen en links, de sinds de oprichting onaangevochten labels van de partij. PSP en CPN vonden aanvankelijk dat de PPR het milieu ‘overaccentueerde’ en te weinig aandacht had voor sociaaleconomische problemen . Maar al tekende een PSP-afgevaardigde aan niet goed te worden van de ‘madeliefjestaal’, uiteindelijk tekenden ze toch samen in 1984 het Groen(!) Progressief Akkoord. Het eerste verkiezingsprogramma was zowel radicaal groen als radicaal links, ‘met voorrang voor milieu boven inkomen’.
Op een eerdere woordenlijst, opgenomen in het in 1983 door PPR-, CPN- en PSP-leden opgestelde ‘Manifest voor een Linkse Doorbraak’ komen ‘links’ en ‘groen’ ook niet voor, maar wel vergelijkbare termen: socialistisch, communistisch en solidair (voor links) en ecologisch (voor groen). Een eenduidige verklaring waarom ‘groen’ en ‘links’ en equivalente termen in het eerste verkiezingsprogramma voor de Tweede Kamer niet genoemd worden als kernkwaliteiten van de beoogde samenleving valt niet te geven. Misschien omdat die kwaliteiten te vanzelfsprekend waren. Misschien omdat het expliciteren van die kwaliteiten interne verschillen zou uitvergroten – verschillen in wat prioriteit heeft (groen boven links of links boven groen) en verschillen in interpretatie (met name over wat links is; vergelijkbaar met verschillen binnen christelijke partijen over wat christelijk is). Beide verklaringen sluiten elkaar overigens niet uit. In zekere zin komen ze samen in een derde mogelijke verklaring, namelijk de aanwezigheid van een derde, algemeen gedeelde, maar niet in de partijnaam verdisconteerde kernkwaliteit, namelijk ‘vrijheid’.
In november 2005 presenteerden Femke Halsema en mede-Kamerlid Ineke van Gent een manifest met als titel ‘Vrijheid Eerlijk Delen. 18 vrijzinnige voorstellen voor sociale politiek’. Halsema ontving daarop van de JOVD de ‘Liberaal van het Jaar’-prijs. Maar ook binnen de partij werd het liberalisme in toenemende mate als een bron voor het GroenLinkse denken erkend. Op de site GroenLinksPlaneet.nl trof ik een blogtekst van Simon Otjes, lid van GroenLinks en promovendus politicologie in Leiden, waarin hij het idee van een GroenLinks-prisma introduceert:

‘In het GroenLinkse gedachtegoed zijn er verschillende idealen die samen de posities van GroenLinks bepalen. Schematisch gezien zijn er drie idealen: duurzaamheid, vrijheid en solidariteit. Deze hangen samen met verschillende klassieke ideologieën: ecologisme, liberalisme en socialisme. En ook met verschillende organisaties en groeperingen binnen en om de partij: milieuorganisaties, emancipatiegroepen en vakbonden. In campagne termen stelt GroenLinks vaak dat ze Groen, Sociaal en Open is. De GroenLinkse visie kan, als door een prisma, dus uiteenvallen in drie perspectieven: Groen, Rood en Blauw.’

Het woord liberalisme valt in dit citaat, maar liberaal en liberalisme liggen toch niet helemaal lekker binnen GroenLinks. Links-liberaal kan nog net, maar bij voorkeur valt de keus op woorden als vrijheid en vrijzinnigheid. Ook Otjes vermijdt het woord liberaal en gaat binnen en buiten dit citaat over op de adjectieven ‘blauw’ en ‘open’, en op de waarden ‘vrijheid’, ‘emancipatie’, ‘diversiteit’ en ‘innovatie’. De tekst van Otjes is prototypisch voor een verschuiving in het taalgebruik van GroenLinks in de richting van meer adjectieven en waarden en minder Grote Woorden. Idealen worden ‘benaderingen’ en ‘perspectieven’ op ‘thema’s’ als zorg, milieu, democratie en onderwijs, die als kleuren vallen te combineren. De complexiteit van de daaruit voortkomende visies en posities is dan vervolgens een kwaliteit waarmee Otjes GroenLinks complimenteert. Een teken van genuanceerdheid. Een kwaliteitskeurmerk. Zoals diverse auteurs in Van de Straat naar de Staat opmerken: GroenLinks blijft links, maar minder radicaal; en GroenLinks blijft groen, maar de nadruk op antigroei neemt af. Rood en groen vermengen zich met blauw.
Mijn woordonderzoek bevestigt die ontwikkeling: het woord ‘ecologisch’ maakt plaats voor het beter met groei te combineren woord ‘duurzaam’. Het woord ‘links’ blijft, maar Paul Lucardie en Wijbrandt van Schuur signaleren een verandering van betekenis:

‘In de jaren negentig ging het vooral om sociaaleconomische verdelingskwesties, waarbij ‘links’ stond voor meer gelijkheid en ‘rechts’ voor meer ongelijkheid; sinds 2002 zijn sociaal culturele vraagstukken en in het bijzonder de integratie van migranten in toenemende mate de betekenis van deze termen gaan bepalen, waarbij ‘links’ de immigranten mét hun eigen waarden en gewoonten wil aanvaarden en ‘rechts’ beperking van immigratie en aanpassing aan Nederlandse waarden en gewoonten verlangt.’

Het streven naar herverdeling van macht, inkomen, vermogen en arbeid blijft een constante in de programma’s van GroenLinks, maar de eisen worden volgens hen geleidelijk aan minder radicaal. De partij krijgt meer sympathie voor de markteconomie, al blijft zij terughoudend ten aanzien van privatisering van staatsbedrijven en marktwerking binnen de publieke sector.
In mijn woordonderzoek constateer ik inderdaad een toenemende frequentie van woorden als markt, economie en, met stip op één, vrijheid. Van het zogenaamde islamdebat tot en met het debat over de (nieuwe) media – geen discussie zonder een hoge frequentie van het woord vrijheid. Het geringe debat dat gevoerd wordt over internet gaat als gezegd uitsluitend over vrijheid: vrijheid in de zin van vrij verkeer op de digitale snelweg en vrijheid in de zin van bescherming van privacy. Het blauw van GroenLinks is niet het blauw van meer blauw op straat maar het blauw van meer lucht, minder toezicht. Iedereen moet vooral vrij zijn te doen en te laten wat hij wil. De vervulling van het menselijk bestaan ligt in het realiseren van keuzes. Als vrijheid gerelativeerd wordt, dan is dat ten opzichte van het ‘traditionele liberale vrijheidsbegrip’ dat ‘ontoereikend (is) om het streven naar individuele zelfstandigheid volledig te dekken’. Er is meer gelijkheid nodig om vrijheid te realiseren. En meer vrijheid is nodig om individuele keuzes te realiseren.
Ik maak een eerste uitstapje naar John Gray. Als Gray stelt dat wij het goede leven hebben gelijkgesteld met het gekozen leven, dan geldt dat in ultieme mate voor GroenLinks. Dat ideaal spoort volgens Gray echter niet met hoe we in feite leven. Wij zijn niet de auteurs van ons leven; we zijn niet eens medeauteurs van de gebeurtenissen die ons het diepste raken. Persoonlijke autonomie is het werk van onze verbeelding, niet de manier waarop we leven. Toch zijn we in een tijd geworpen waarin alles provisorisch is. Nieuwe technologieën veranderen ons leven dagelijks. De tradities van het verleden kunnen niet worden teruggehaald. En we hebben bijna geen idee van wat de toekomst zal brengen. We zijn gedwongen om te leven alsof we vrij zijn. De cultus van de vrijheid weerspiegelt het feit dat we onze levens moeten improviseren. ‘Keuze is een fetisj geworden, maar het kenmerk van een fetisj is dat die niet wordt gekozen.’
Naar aanleiding van de Thomas More-lezing die Gray in 2008 in Nederland gaf, is zijn werk besproken in de De Helling en in De Linker Wang. Maar het is niet aangeslagen. Ik kom daarop terug. Voor nu constateer ik dat GroenLinks vrijheid hoog in het vaandel heeft, maar zonder te reflecteren op het fictieve aspect van die vrijheid. En zonder de spanning tussen duurzaamheid en vrijheid te verkennen.

Het particuliere vocabulaire van GroenLinks

Wat is nu het particuliere vocabulaire van teksten van GroenLinks, en dan met name in het spreken van GroenLinks over de samenleving? Ik merkte al op dat het merkwaardig is dat ‘groen’ en ‘links’ in het eerste verkiezingsprogramma voor de Tweede Kamer niet genoemd worden als trefwoorden voor de samenleving die GroenLinks voor ogen staat. In de ogen van de kiezers zijn dat wel de primaire waarden waar GroenLinks voor staat. Illustratief is ‘Het oordeel over de politieke partijen in Woordenwolk’ op Joop.nl (3 juni 2010). Via Peil.nl was in de daaraan voorafgaande week aan mensen gevraagd om in woorden aan te geven waarom men op 9 juni op een bepaalde partij wilde gaan stemmen. Het oordeel van de kiezers van GroenLinks werd gepresenteerd in onderstaande woordenwolk.

Een woord als ‘liberaal’, prominent aanwezig in de woordwolk van D66, of vergelijkbare termen als ‘open’ en ‘vrij’ ontbreken volledig. Dat ligt anders als je kijkt naar de woordwolken die de zoekterm ‘samenleving’ oplevert in de door mij verzamelde bestanden van GroenLinks. Om de hypothese van Dick Pels, namelijk dat 2002 een breukjaar is, te testen, heb ik ze gesplitst in bestanden van vóór 2002 en bestanden van ná 2002.

De overeenkomsten en verschillen tussen deze woordwolken zijn interessant. Anders dan in de woordwolk van kiezersmotivaties komt het woord ‘open’ in de beide woordwolken van tekstbestanden van GroenLinks wel voor. In de bestanden na 2002 zelfs prominent. En in beide woordwolken zit het adjectief ‘Nederlandse’. Het zelfstandig naamwoord ‘Nederland’ ontbreekt echter, evenals op de woordwolk van kiezersmotivaties. Een vergelijking met motivaties van kiezers op andere partijen maakt duidelijk hoe uitzonderlijk dat is. In de PVV-woordwolk is ‘Nederland’ het meest prominente woord, maar ook bij alle andere partijen komt het voor, behalve bij de SGP. De SGP heeft wel het woord ‘land’ in de lijst, waarmee GroenLinks de grootste uitzondering blijft. Ook heel bijzonder is de frequentie waarmee het woord ‘standpunten’ genoemd wordt. Die wordt door de kiezers van geen enkele andere partij geëvenaard.
Dan de verschillen tussen de bestanden van GroenLinks van vóór en van ná 2002. Die zijn zonder meer opvallend. Het meest opvallend is nog wel de frequentie waarin het woord ‘samenleving’ gebruikt wordt. Die is na 2002 met ruim de helft afgenomen. ‘Mensen’ staan in beide woordwolken centraal. De meest significante verschuivingen zijn verder dat ‘multicultureel’ vervangen is door ‘open’, ‘duurzaam’ het gewonnen heeft van ‘ecologisch’ en dat Europa als uit het niets opkomt, evenals het woord ‘vrijzinnig’. De door Pels gesignaleerde opkomst van het burgerschapsidioom wordt niet bevestigd. Het woord ‘burgers’ wordt niet minder of vaker gebruikt, maar wel minder in samenhang met ‘samenleving’. Tot 2002 worden burgers vooral geassocieerd met ‘samenleving’ en met ‘maatschappelijke organisaties’. Na 2002 in toenemende mate met Europa.
Bij alle continuïteit is er dus wel degelijk sprake van een verschuiving, een verschuiving in de richting van Europa, ‘open’ en ‘vrijzinnig’. Daarmee is nog niets gezegd over mogelijke verschillen binnen GroenLinks. Op een politiek café over religie, in mei 2010, stelde Dick Pels dat er een verschil is tussen een atheïstische stroming en een stroming die zich thuis voelt bij De Linker Wang. Afgaande op een vergelijking tussen de digitaal beschikbare nummers van De Linker Wang en nummers van De Helling uit eenzelfde periode zijn de verschillen niet groot. Als je direct religiegerelateerde termen (geloof, kerken, god) buiten beschouwing laat, is sprake van een opvallende homogeniteit.
Typerend voorbeeld is onderstaand citaat uit een inleiding van Ruard Ganzevoort, voorzitter van De Linker Wang, op een debat over het koningschap. De ultieme boodschap die hij uit de bijbel haalt, is dat ieder mens zelf zijn eigen keuzes moet maken, en zijn seculiere vertaling van aanvaarding van Gods Koningschap is democratie:

‘Het koningschap is niet alleen nu omstreden. Dat was het in het oude Israël bij invoering al. Sterker nog: de beweging naar het instellen van een koningshuis wordt in de bijbel beschreven als een verzet tegen God zelf. De koning is helemaal niet bij voorbaat de door God gegeven leider, maar juist een teken dat mensen zich niet door God willen laten leiden. In de Statenvertaling klinkt dan de reactie van God als volgt: ‘Míj hebben zij verworpen, dat Ik geen Koning over hen zou zijn’ (1 Sam. 8:7). (…) de ultieme boodschap is dat er geen enkele instantie tussen de mens en God staat. Geen leider, geen heerser, geen koning, geen paus. Uiteindelijk is ieder mens zelf verantwoording schuldig en heeft ieder mens zelf de keuzes in het leven te maken.

Als ik die fundamentele wijsheid vertaal naar meer seculiere termen – want zo voer ik het debat als politicus – dan leidt dat tot een systeem waarin de verantwoordelijkheid ligt bij mensen zelf. Bij het volk dus. Een democratie dus.’

Ledenenquêtes laten eenzelfde homogeniteit zien. In ‘Verschillend sinds de geboorte. De leden van GroenLinks vergeleken met leden van andere groene partijen in Europa’, refereert Wolfgang Rüdig aan een in 1994 gehouden enquête onder de leden van GroenLinks, waaruit bleek dat 86% van de leden hoger onderwijs had genoten, 49% professioneel of zeer technisch werk verrichtte, en 23% een leidinggevende of managementpositie bezette. GroenLinks-leden bleken met name werkzaam in het onderwijs, de gezondheidszorg en de maatschappelijke dienstverlening (45%). En ten slotte: ‘GroenLinks-leden zijn vaker dan leden van andere groene partijen niet-religieus; slechts 41% (tegenover 55% elders) hangt een geloof aan.’ GroenLinks-leden zijn minder actief dan andere groenen, maar wel actiever buiten de partij: 78% is lid van minstens één milieuorganisatie, 51% is lid van een vakbond. Lucardie en Voerman stellen in het afsluitende hoofdstuk van Van de Straat naar de Staat dat analyse van latere ledenonderzoeken, uit 2002 en 2010, leert dat de nieuwe leden weinig verschillen van de oude. Hooguit zijn ze ‘iets gematigder, iets liberaler, iets diervriendelijker’. De enige echte verandering zit er volgens hen in dat de leden beduidend meer van regeringsdeelname zijn gaan verwachten. Vandaar de titel van hun boek. En ook zij benadrukken de factor onkerkelijkheid:

‘GroenLinks werft haar leden vooral onder academici, hbo’ers en onkerkelijken. Het aandeel van vrouwen neemt gestaag toe al zijn ze nog steeds ondervertegenwoordigd. Met het oog op de toekomst lijkt dat een gunstige ontwikkeling, aangezien het opleidingsniveau en de onkerkelijkheid in Nederland eerder stijgen dan dalen.’

Rood links is anders

De nadruk in de interpretatie van de cijfers op ‘onkerkelijkheid’ is opmerkelijk, zeker ook tegen de achtergrond van de instroom van christelijk geïnspireerde leden vanuit de EVP, de PPR en de CPN (Christenen voor het Socialisme). Ik noemde al de betekenisverschuiving van het woord links, die Lucardie en Van Schuur signaleerden, van sociaaleconomisch bepaald naar meer sociaal-cultureel. ‘Onkerkelijk’ lijkt een element te zijn geworden van die meer sociaal-culturele betekenis van ‘links’. De verklaring daarvoor kan niet zijn dat de kerken in Nederland in de periode van het ontstaan van GroenLinks tot nu voor meer ongelijkheid zouden zijn (de sociaaleconomische betekenis van ‘rechts’) of meer voor aanpassing van allochtonen aan de Nederlandse waarden en gewoonten (de sociaal-culturele betekenis van ‘rechts’). Het tegendeel is het geval. De meest voor de hand liggende verklaring lijkt mij dat ‘kerkelijk’, binnen en buiten GroenLinks, sinds de jaren zestig in toenemende mate geassocieerd wordt met gemeenschap en traditie en als zodanig met conservatief. GroenLinks is niet antikerkelijk, maar wel huiverig voor alle vormen van verbondenheid die niet uitdrukkelijk zijn gekozen. Als de verhouding tussen individu en gemeenschap een kwestie van de kip en het ei is, dan kiest GroenLinks ondubbelzinnig voor het ik als basis voor welk wij dan ook. Oud links, rood links, is anders.
De vorig jaar overleden Tony Judt noemt een geloof in collectieve actie ten bate van het collectieve welzijn de essentie van de sociaaldemocratie. In zijn politieke testament, Het land is moe. Verhandeling over onze ontevredenheid, omschrijft hij, met een verwijzing naar Michael Oakeshott, de polis van de politiek als een op vertrouwen gebaseerde gemeenschap. Zijn vervolgvraag is dan: wie vertrouwen wij? En wat is een werkbare schaal voor een op vertrouwen gebaseerde gemeenschap? Of we het nu leuk vinden of niet, stelt Judt, mensen vertrouwen elkaar meer naarmate ze meer met elkaar gemeen hebben. Een diverse maatschappij bevordert een minimalistische aanpak van sociale hervormingen. Omvang speelt ook een rol:

‘Ongebonden burgerschap is heel geschikt voor intellectuelen, maar de meeste mensen wonen in een gedefinieerde omgeving. De definitie ervan is gebonden aan plaats, tijd, taal, misschien zelfs religie en – helaas – soms ook aan huidskleur en andere elementen.’

In de Nederlandse politieke arena lijkt GroenLinks de grootste voorstander van zo’n ongebonden, kosmopolitisch (de kosmos als polis) burgerschap. De beweging van de straat naar de staat heeft niet geleid tot enig noemenswaardig debat over de Nederlandse identiteit. Ook het spreken over/in termen van gemeenschappen en collectieven neemt af. Als onderstroom bleef het vooral uit de PPR en de PSP afkomstige streven om de politiek te verankeren in kleinschalige gemeenschappen overigens wel bestaan. Zo staat in het in 2001 door twaalf wethouders van CDA en GroenLinks opgestelde manifest Een nieuwe lente dat de politiek weer aansluiting moet vinden bij de gemeenschapszin in de samenleving. Afgaand op twee onder GroenLinks-leden afgenomen interviews over hun politieke opvattingen (in 2002 en 2010), wordt die onderstroom sterker. In 2010 was maar liefst 51% (tegen 38% in 2002) het eens met de stelling dat de markt- en planeconomie beide hebben gefaald en dat gezocht moet worden naar een andere economische orde, gebaseerd op kleinschalige gemeenschappen.
In het taalgebruik zie ik die trend nog niet terug. Het ‘niet voor individualisme’ lijkt vooral uitdrukking te krijgen in uitspraken tegen tweedelingen: tegen de digitale tweedeling, de tweedeling tussen arm en rijk, de kloof tussen publieke armoede en private rijkdom, die tussen kopers en huurders, en tegen de segregatie tussen zwarte en witte scholen. En, nieuwste loot aan de splitsingsboom, tegen de religieuze tweedeling. Femke Halsema in Opzij:

‘Ik vind het een ongelooflijk verlies aan beschaving dat we een religieuze tweedeling hebben in ons land. Bevolkingsgroepen worden afgerekend op hun religie, cultuur en etniciteit. Er is totaal geen oog meer voor de mens als individu.’

Dan zijn we weer terug bij wat in het GroenLinkse taalspel af is: bij de mens als individu. Als de partij in de loop van de afgelopen twintig jaar groener is geworden, ook in de zin van meer pro-dier, dan is zelfs dat meer uit de overtuiging dat dieren ook als individu gezien moeten worden dan uit waardering voor wat John Gray dierlijke deugden noemt.
Waardering voor die dierlijke deugden zou een uitweg kunnen bieden uit het moralisme dat GroenLinks-leden in de genen zit, maar dat ze tegelijk als een slechte eigenschap zien. Dat moralisme komt volgens Gray voort uit de westerse fixatie ‘op de kloof tussen wat is en wat er zou moeten zijn’. Het feit dat wij geen autonome subjecten zijn, haalt volgens Gray de moraliteit onderuit, maar is de enige grond voor ethiek. Als ons zelf zo vast zou zijn als we denken dat het is, zouden we een wereld die overloopt van discontinuïteiten niet aankunnen. Als we echt monaden waren, opgesloten in ons zelf, zouden we niet de vluchtige empathie met andere wezens hebben die de bron is van ethiek. Autonomie betekent handelen op grond van redenen die ik zelf heb gekozen; maar de les van de cognitiewetenschap is dat er geen zelf is dat de keuze kan maken. ‘Moraal is een ziekte die de mens eigen is, het goede leven is een verfijning van de deugden van dieren.’

Voorbij het individualisme?

Het in de stijl van de troonrede geschreven beginselprogramma van GroenLinks uit 2008 bevat geen artikel over het goede leven. Wel één zin waarin het gaat over het goede leven: ‘Gezond eten, een fijne woning en schone lucht horen bij het goede leven.’ En meerdere verwijzingen naar individualisering en gemeenschapszin:

‘GroenLinks staat voor een combinatie van openheid en gemeenschapszin. Voor ons gaat individualisering om emancipatie, verantwoordelijkheid en betrokkenheid, niet om egoïsme en consumentisme. Gemeenschapszin is de ambitie om – alle verschillen die er tussen mensen en groepen kunnen zijn accepterend – met elkaar te streven naar een open, vrije, ontspannen en solidaire samenleving.’

Individualisering blijft voorafgaan aan gemeenschapszin. Als het gaat om de kwaliteit van de samenleving blijven termen als ‘open’, ‘vrij’ en ‘ontspannen’ voorafgaan aan ‘solidair’.
Traditionele gemeenschappen staan onder aanhoudende verdenking individuen in hun vrijheid te belemmeren. En homogene gemeenschappen worden leeg verklaard: ‘Gemeenschapszin is een leeg begrip in een samenleving waarin iedereen dezelfde waarden, normen en leefstijlen deelt.’ GroenLinks staat voor het ideaal van ‘moderne gemeenschapszin’. Wat dat inhoudt, behalve dat we zelf bepalen hoe we ons willen verbinden, blijft open. Wat ons volgens GroenLinks bindt, lijkt een oningevuld begrip van vrijheid. De in 1994 al expliciet uitgesproken keuze ‘voor het individu, niet voor het individualisme’ wordt hier in iets andere woorden herhaald. En opnieuw wordt individualisering niet alleen voorgesteld als verenigbaar met gemeenschapszin, maar zelfs als bevorderlijk voor gemeenschapszin.
Individualisering is altijd goed. De ‘schaduwzijde’ van individualisering wordt incidenteel aangeduid met ‘individualisme’: ‘voor het individu, niet voor het individualisme’. Van Dale geeft als eerste betekenis daarvoor ‘leer die de rechten van het individu boven de gemeenschap stelt’ en als tweede betekenis ‘het voor alles bewaren der persoonlijke onafhankelijkheid, levenshouding die de mens naar zijn wezen isoleerbaar acht van de gemeenschap’. In die betekenissen komt het woord in het corpus van de door mij onderzochte teksten niet voor. Het heeft daarin de bovengenoemde negatieve betekenis, die uitgelegd wordt als een combinatie van egoïsme en consumentisme. Of het heeft juist een positieve, op gemeenschapszin afgestemde, betekenis. Nadere aanduidingen van individualisme in die positieve zin zijn ‘sociaalindividualisme’ en ‘moreelindividualisme’. In twee artikelen in De Helling worden die termen uitgelegd. ‘Moreelindividualisme’ is ‘gebaseerd op het geloof dat de mens in de kern goed is en dat het er daarom op aankomt om die kern te doorgronden en te ontwikkelen’. ‘Sociaalindividualisme’ betekent ‘een ferm, politiek verzet tegen de heersende uitleg van individualisme als consumentisme en egoïsme’.
Aan het begin van dit artikel stelde ik de vraag of oog hebben voor het individu een goede strategie is om individualisme in die negatieve zin van het woord tegen te gaan. De teksten van GroenLinks die ik heb gelezen hebben mij geen antwoord op die vraag gegeven. Het antwoord zou positief kunnen zijn als de term individu ingevuld wordt als ‘persoon’ in de betekenis die Jaron Lanier daaraan geeft. Lanier begint zijn al eerder aangehaalde manifest zwaar retorisch:

‘Het is begin eenentwintigste eeuw en dat betekent dat deze woorden voornamelijk gelezen zullen worden door niet-mensen: robots of domme drommen, bestaande uit mensen die niet langer als individu handelen. (…) Algoritmen zullen correlaties vinden tussen de mensen die mijn woorden lezen en wat zij aanschaffen. (…) Uiteindelijk zullen deze woorden een bijdrage leveren aan het fortuin van die paar mensen die zich hebben weten te positioneren als heer en meester van de computing clouds. (…) En toch ben jij, individu, de zeldzaamheid onder mijn lezers, degene die ik hoop te bereiken. (…) Wat ik wil zeggen is: je moet wel iemand zijn voor je jezelf kunt delen.’

Het eerste deel van het manifest, getiteld ‘Wat is een mens’, zou interessante stof zijn voor een GroenLinks-beraad. Lanier contrasteert zijn begrip van wat een mens is namelijk met de virtuele identiteiten die actief zijn op internet. Voor GroenLinks is de wijze waarop die virtuele identiteiten elkaar vinden juist een schoolvoorbeeld van hoe we langs de weg van de individualisering tot nieuwe, ‘lichte’ gemeenschappen kunnen komen:

‘Door het ontstaan van virtuele identiteiten zijn debat en dialoog mogelijk zonder traditioneel (onder)scheidende symbolen als geslacht, ras of maatschappelijke positie. De sociale potenties van de digitale informatiesamenleving zijn enorm. (…) De enorme groei aan virtuele gemeenschappen wijst erop dat mensen nieuwe verbanden met elkaar aangaan.’

Een groter contrast is nauwelijks denkbaar. Waar GroenLinks enthousiast is dat op internet achterstandsgroepen van weleer een voorsprong nemen, ziet Lanier op internet een achterbuurtcultuur ontstaan. Als internet-pionier heeft hij de begintijd meegemaakt en die vond hij geweldig. Een grote groep mensen die iets samen deden, simpelweg omdat het een goed idee was. Maar de kant die internet op is gegaan is volgens hem pervers. Jonge mensen worden aangemoedigd om gestandaardiseerde profielen aan te maken op sites als Facebook. Een hele generatie groeit op met een beperkte verwachting van wat een persoon kan zijn. Als ontwerpers van digitale technologieën een programma ontwerpen dat van jou verwacht dat je met een computer omgaat als was het een mens, dan vragen ze jou om in een uithoek van je brein ergens te accepteren dat jij begrepen kunt worden als een programma. Maar een persoon is geen programma. ‘Iemand zijn is geen pasklare formule, maar een zoektocht, een mysterie, een kwestie van geloof.’
Áls mens zijn voor GroenLinks al een kwestie van geloof is, dan van ‘het geloof dat de mens in de kern goed is’, een sociaal wezen dat ‘open staat naar anderen’. En vooral ook van het geloof dat iedereen talenten heeft. Talenten die ontwikkeld kunnen worden en moeten worden. In zekere zin is de openheid van het mensbeeld van GroenLinks schijn. De meeste leden zijn hoogopgeleid en veel, zo niet alle, heil van individualisering, gezien als menswording, wordt verwacht van het onderwijs. GroenLinks staat ‘voor een onderwijsstelsel dat emancipatie en zelfontplooiing als ideaal heeft’, maar dat vereist wel levenslang leren, te beginnen met opvoedingsondersteuning en voorschoolse educatie. Spijbelaars zijn geen individuen die zich emanciperen uit de knellende band van de school. Het beginselprogramma eindigt met een viertal ‘toekomstvisies’ van een groene en veilige wereld, een sociaal land en een open samenleving:

‘Wij willen een sociaal land
2018… De leerplichtambtenaren hebben hun werk zo goed gedaan dat de schooluitval vrijwel tot nul is gedaald. Alle kinderen gaan met plezier naar school en halen hun startkwalificatie. (…)

Wij willen een open samenleving
2018… Jan Zhou en Aisha Jansen hebben evenveel kansen om aangenomen te worden als ze solliciteren op een baan. (…) De kinderen van Jan en Aisha gaan naar dezelfde school en maken evenveel kans op het halen van hun diploma. Niet alle Ahmeds en Sannes doen aan Ramadan of Kerst en de meeste Fatima’s en Peters hebben geen idee waarom je met Pinksteren een extra dag vrij hebt. Maar ze gaan wel samen naar de voor- en naschoolse opvang en leren elkaar de liedjes van hun opa’s en oma’s.’

De schakel tussen individualisering en een moderne gemeenschap lijkt voor GroenLinks te liggen in het onderwijs. Door die link niet als zodanig te benoemen, ontslaat GroenLinks zich van de taak te reflecteren op de relatie tussen leerplicht en de beleden vrijheid om zelf te bepalen hoe we ons willen verbinden aan organisaties en gemeenschappen. En van de taak om te expliciteren wat goed onderwijs inhoudelijk inhoudt. Niet leren waar Pinksteren voor staat. Maar wat moeten kinderen wel leren om te zorgen dat hun individualisering leidt tot verantwoordelijkheid en betrokkenheid? Waarbij moeten ze zich betrokken gaan voelen en waarvoor verantwoordelijk? Het spreken over gemeenschap van GroenLinks is even ‘open’ als het spreken over het individu. En even schijnbaar open. Er wordt wel degelijk inhoud aan gegeven, met name in het vasthouden aan de rode draad van herverdeling van macht, vermogen, werk en inkomen, en de groene draad van duurzaamheid. Maar het spreken in termen van gemeenschapszin en solidariteit is sporadisch en mager, en dat geldt ook voor woorden als cultuur en beschaving in enigszins concrete zin. De primaire associatie bij gemeenschap in GroenLinks teksten is ‘internationaal’ en ‘Europees’. Toch ligt in het denken in gemeenschappen, culturen en beschavingen een veel logischer link tussen ‘groen’ en ‘links’ dan in ‘vrijheid’. Vanuit het ecologische denken ligt de gedachte dat mensen het beste gedijen in organisch gegroeide gemeenschappen voor de hand. Organisch gegroeide gemeenschappen zijn even lokaal als levend. En daar ligt de mogelijke brug naar links. Dan niet in de betekenis van een opgelegde multiculturaliteit, maar wel in de zin van de eenvoudige acceptatie van iedereen die lokaal aanwezig is. ‘Multicultureel. O, je bedoelt zoals de wereld?’ (Loesje). En links in de ‘oude’ zin van meer gelijkheid. Nabijheid en vertrouwdheid verzwakken het draagvlak voor ongelijke verdelingen, en versterken het geloof in de mogelijkheid van collectieve actie.
Er zijn ook tegengeluiden. Pogingen om de algemene trend van het accentueren van de keuze voor het individu te keren. NAAM schrijft in een recensie van Femke Halsema’s boek Geluk:

‘Dat individualisme in een tijd van sterke sociale banden die als onderdrukkend werden ervaren een emanciperende werking had, betekent niet dat het dat nog steeds heeft in een samenleving waar sociale verbanden juist als te zwak worden ervaren.’

En een paar nummers later beschrijft Marius Ernsting, oud CPN’er en medeoprichter van de partij, de zijns inziens meest wezenlijke punten voor de komende jaren in vier wij-zinnen: ‘Wij zijn fundamenteel internationaal georiënteerd’; ‘Wij zijn duurzaam’; ‘Wij geloven in de veerkracht van mensen’; en ‘Wij zijn vrijzinnig’. Aanleiding voor de beschouwing van Ernsting over de toekomst van links vormde het uitkomen van Van de straat naar de staat, het boek over twintig jaar GroenLinks waaraan ik al meerdere keren refereerde. Tegenover het ‘typisch rechtse anti-overheids vocabulaire’ van het net aangetreden kabinet Rutte claimt Ernsting voor links het woord ‘behoudend’. ‘Zijn we letterlijk behoudend geworden? Het antwoord moet luiden: inderdaad.’ Waar ‘de club van Rutte’ in zijn ogen de ultieme afrekening is met zo’n beetje alles wat in veertig jaar door progressieve partijen en bewegingen is bereikt, moet links zich verenigen om verloren terrein terug te winnen. Om te verdedigen wat er nog is aan sociaal erfgoed. Ernsting pleit voor een coalitie van partijen ‘om de dingen die we samen vinden ook samen te doen’.
De frequentie waarmee de woorden ‘samen’ en ‘wij’ vallen, is voor GroenLinks-begrippen ongehoord hoog, en ook de inhoudelijke uitwerking die Ernsting geeft aan zijn kernpunten is een poging om voorbij het individualisme te komen. Onder het punt ‘Wij zijn fundamenteel internationaal georiënteerd’ zet Ernsting zich af tegen het ‘benauwende nationale dat de PVV en de VVD kenmerkt’. Maar hij belijdt ook schuld.

‘Tegelijk hebben we in onze ijver voor mondiale rechtvaardigheid misschien te weinig oog gehad voor het gevoel van ontheemding, dat met het verlies van de zuilen, de landsgrenzen, de gulden en de instroom van nieuwe culturen gepaard ging.’

Er moet volgens hem een serieuze discussie komen over ‘het bevorderen van culturele identiteit en de verankering daarvan’. Over wat die culturele identiteit dan inhoudt en of die ook, maar dan anders, nationaal is, laat Ernstig zich niet uit. Hoewel de partij zeer pro-Europa is, eist GroenLinks tot nu nationale zeggenschap over zaken als softdrugs, euthanasie en het homohuwelijk. Zouden deze items – die hetzelfde profiel vertonen als orthodoxe christelijke en islamitische standpunten, maar dan omgekeerd – in aanmerking komen voor opname in een alternatieve nationale identiteit? Softdrugs en homohuwelijk als onze nieuwe klompen en kaas?
Ernstings tweede punt – ‘Wij zijn duurzaam!’ – bevat weinig nieuws, maar wel weer een hand in eigen boezem: de neiging tot profetische onheilsboodschappen moet worden onderdrukt. Een reëel uitzicht bieden op een beter leven is overtuigender. Beter in welk opzicht? Daar laat Ernsting zich niet over uit. Ook niet over de kans dat onheilsboodschappen uitkomen.
Ik maak weer even een uitstapje naar John Gray, die eenvoudig stelt dat we afstevenen op een Era van Eenzaamheid waarin er weinig anders op aarde overblijft dan mensen en de prothetische omgeving die hen in leven houdt. De gelukkige worp die de menselijke soort tot zijn huidige machtspositie heeft gebracht is fataal geweest voor talloze andere levensvormen. Dat valt niet projectmatig op te lossen. We zijn gewoon met teveel en onze voetdruk heeft, hoe licht ook, toch een bepaald gewicht per persoon. Een wereldbevolking die de 8 miljard nadert – dat kan de wereld niet aan. Mogelijk dat de aarde door klimaatverandering zichzelf verlost van de overdosis mensen. Als bijeffect van klimaatverandering treden wellicht ook nieuwe ziektes op, die ook een bijdrage leveren aan het bestrijden van de mensenplaag. Epidemiologie en microbiologie zijn volgens Gray betere gidsen voor de toekomst dan onze hoop en onze plannen. Oorlog kan ook impact hebben.
Tegenover zo’n onheilsscenario werkt een oningevuld uitzicht op een beter leven weinig overtuigend. In termen van Gray is het duurzaamheidsdenken van GroenLinks slechts een andere versie van humanisme, geen alternatief. In een groot deel van de geschiedenis en gedurende de hele prehistorie zagen mensen zichzelf niet als anders dan de andere dieren waaronder ze leefden. Het animistische gevoel van ‘horen bij de rest van de natuur’ was normaal. Echte liefhebbers van de aarde dromen er niet van om hoeders van de aarde te zijn. Zij dromen van een tijd waarin mensen er niet meer toe doen.
Gray wil voorbij het humanisme, dat hij ziet als een seculiere voortzetting van het christendom. Hij richt zijn speren daarbij vooral op drie geloofsovertuigingen: het geloof in de mens als een soort die zijn eigen bestemming kan bepalen, de seculiere voortzetting van het christelijke geloof in de mens als kroon van de schepping; het geloof in vooruitgang, seculier voor verlossing van het kwade; en het geloof in wetenschap. De punten van Ernsting, met name de eerste twee, ademen deze geloofsovertuigingen. Het geloof in de wetenschap is binnen GroenLinks vooral aanwezig in het heil dat wordt verwacht van onderwijs. Op dit ‘geloofsaspect’ kom ik in de slotparagraaf terug.
‘Wij geloven in de veerkracht van mensen.’ In de uitleg die hij hieraan geeft, relativeert Ernsting zijn eerdere pleidooi voor behoud van wat is bereikt op het gebied van sociale politiek. Als het mensen economisch of sociaal even minder gaat, is een sociaal zekerheidsstelsel niet de oplossing. Dat houdt mensen gevangen in hun tegenspoed. Met behulp van onderwijs en ondersteuning moeten ze terug in het maatschappelijke leven en het arbeidsproces. De voorlopige uitkomst van een proces binnen GroenLinks waarin arbeid geleidelijk aan meer gewicht krijgt? Lucardie en Pennings stellen dat het in de jaren negentig binnen de partij sterk levende idee de mensheid te moeten bevrijden van de arbeidsplicht, na 2002 vervaagt. Ik denk meteen weer aan Gray, aan zijn opmerking over de ironie van de geschiedenis dat arbeid, is geworden van merkteken van een slaaf tot een teken van ‘er echt bij horen’. Er zullen altijd mensen zijn die het niet redden, maar volgens Ernsting moeten we ‘aan de harde boodschap: ‘degenen die wel kunnen maar niet willen kunnen het schudden’’. Het spreken in de wij-vorm dient hier dus in feite om mensen uit te sluiten.
‘Wij zijn vrijzinnig.’ De identiteitsbepaling is het laatste punt dat Ernsting aandraagt voor een op te stellen kernprogramma. ‘Vrijzinnigheid’ en ‘open cultuur’ zijn in het GroenLinks-jargon de opvolgers van ‘multiculturaliteit’. In de uitleg die Ernsting hier geeft aan vrijzinnigheid gaat vrijheid boven alles.

‘De basis van ons denken is geworteld in de vrije mens, die in vrijheid kiest voor zijn levensovertuiging, voor de inrichting van zijn leven, voor het aangaan van sociale verbanden en voor een overheid die hem daarvoor de ruimte verschaft.’

Maar wat als die vrije mens er in vrijheid voor kiest om de boel te vervuilen en om lak aan anderen te hebben? Ernsting erkent ‘dat er een spanning zit tussen de burger en de sociale samenleving als die burger niet geneigd is om ‘het goede te kiezen’, oftewel lekker voor zichzelf gaat ‘en de rest bekijkt het maar’’. Hoe komen we dan voorbij het individualisme? Cultuuroverdracht is volgens Ernsting het antwoord.

‘Vrijzinnigheid zonder continue overdracht van noties van het goede leven en het belang van maatschappelijke verplichtingen ontaardt in een samenleving waarin samen is verdwenen en het leven eenzaam wordt.’

Kiezen voor het individu betekent niet: kiezen voor jezelf. Bij Ernsting niet maar ook in geen enkele andere tekst in de door mij onderzochte bestanden. Kiezen voor het individu betekent in de context van GroenLinks: kiezen voor de ander, voor de ander als individu. In die zin staat het niet zo ver af van de recent door De Linker Wang bepleite ‘compassie’ als ‘het hart van GroenLinks’. De keuze staat ook niet haaks op hechten aan gemeenschapszin, maar wat wel opmerkelijk genoeg ontbreekt, is een enigszins aangeklede visie op gemeenschappen, op de samenleving, op de cultuur die overgedragen moet worden. Veel verder dan een abstracte schets van de gewenste samenleving als een verzameling van vrijzinnige burgers komt het nergens. Ik citeer uit ‘Vrijzinnig links’, het artikel van Femke Halsema uit 2004, waarmee de discussie over vrijzinnigheid begon.

‘Vrijzinnig burgerschap is geen onderwerping aan de staat of aan derden, maar is gelijkwaardige en vrije deelname aan de samenleving. Dat houdt vanzelfsprekend de plicht in – voor allochtonen en autochtonen – om zich te emanciperen en anderen daarbij niet te schaden. Zonder echter het recht om af te wijken en ‘anders’ te zijn in te moeten leveren. Vrijzinnige burgers participeren volwaardig in de samenleving. Ze zijn goed opgeleid, mondig en economisch en sociaal zelfstandig. Ze maken autonome keuzes voor de inrichting van hun eigen leven: relatie, seksualiteit, religie, politiek, woonplaats, werk, opleiding, kleding, etc. Vrijzinnige burgers nemen hun maatschappelijke verantwoordelijkheid, kennen en respecteren gangbare waarden en normen, en zijn actief in zelfgekozen sociale verbanden. Daarbij hoort ook het recht gevrijwaard te worden van oneigenlijke staatsdwang. (…) Burgers hoeven niet te worden bestookt met normen-en-waardensites, noch moeten zij een gekunstelde nationale identiteit krijgen opgedrongen.’

Geen ‘gekunstelde nationale identiteit’. Maar wat wel? Aan welke samenleving moeten wij deelnemen? Ik zie een combinatie van mogelijke redenen voor het uitblijven van een beeldender en meer concrete visie op de samenleving. Angst voor populisme en het ‘links laten liggen van geloven’ spelen daarin mijn inziens een belangrijke rol. Met name dat links laten liggen van geloven interesseert mij. En vanwaar de keuze voor het woord vrijzinnigheid? Het is een fijnzinnig woord, dat verraadt dat het GroenLinks meer om immateriële waarden gaat dan om materiële. Het betekent zoveel als je niet aan vaste leerstellingen hechtend. En het komt uit een religieus taalveld, waarin het staat tegenover dogmatisch.

Geloven in GroenLinks

Ik refereerde al aan Dick Pels, die wees op een het denken over een sterke democratie blokkerende angst voor het populisme. Het creatieve nadenken over nieuwe vormen van politiek bedrijven (directe en radicale democratie) stagneert zijns inziens door de opkomst van het rechtse populisme. Het nadenken over nieuwe vormen en inhouden van de polis van de politiek lijkt binnen GroenLinks van meet af aan geblokkeerd door een al even stagnerende neiging om geloven buiten de politiek te houden. Het gescheiden willen houden van geloof en politiek zou te maken kunnen hebben met wat John Gray het geloof in de wetenschap noemt. Het woord geloven heeft binnen het door mij onderzochte bestand van teksten van GroenLinks in de regel de alledaagse betekenis van iets zonder goede redenen voor waar aannemen. Geloven in het simpele schema ‘staat versus markt’, bijvoorbeeld. Als werkwoord komt geloven overigens nauwelijks voor. ‘Geloof’ komt wel vaak voor, en de als vrijwel synonieme termen gehanteerde woorden ‘religie’ en ‘godsdienst’ – en dan vooral in reeksen van groepskenmerken en/of privévoorkeuren. In een zin als ‘Mensen bevechten elkaar op grond van geloof, klasse, kleur en etniciteit’ lijkt ‘geloof’ een groepskenmerk. In zinnen als ‘iedereen beleeft zijn geloof op eigen wijze’ en ‘iedereen heeft recht op een eigen mening, religie, leefstijl of seksuele voorkeur’ lijken ‘geloof’ en ‘religie’ te duiden op een individueel gedachtegoed. Een en ander geheel in lijn met de ‘linkse’ associatie van geloven met ‘gemeenschap’ en met het standpunt van GroenLinks dat het horen bij een religieuze groepering een individuele keuze zou moeten zijn.
Geloven lijkt van meet af aan tot een persoonlijke aangelegenheid verklaard, en waar het persoonlijke politiek moest worden, gold dat niet voor geloven. De religieallergie van een deel van de oude garde, de babybomers, spoorde daarbij met de religiekritiek van de aan de CPN gelieerde Christenen voor het Socialisme. In het voetspoor van theologen als Karl Barth en Kornelis Heiko Miskotte trokken zij een religiekritische lijn door de bijbelse geschriften die Marc de Kesel in zijn boek Goden breken recent opnieuw onder de aandacht bracht:

‘Het eerste waar een monotheïstische religiositeit zich zorgen om maakt, is niet het ongeloof van mensen, maar juist hun geloof. Dat ze zich te snel tot iets transcendents bekennen (…): daar hebben de Jesaja’s en de Jeremia’s van alle tijden zich tegen gekeerd. Hun kritische vuurwerk mikt op de typisch menselijke neiging de eigen wensen voor werkelijkheid te nemen en zich in comfortabel godsgeloof te nestelen.’

Spannender was het overbruggen van de kloof tussen de Christenen voor het Socialisme en de uit de EVP en PPR komende christenen. Voorstanders van een linkse confessionele politiek, de EVP-instroom, kregen een eigen plek binnen het platform De Linker Wang, waarnaar vervolgens alle zaken betreffende religie konden worden doorgeschoven.Ik refereerde al aan Dick Pels, die wees op een het denken over een sterke democratie blokkerende angst voor het populisme. Het creatieve nadenken over nieuwe vormen van politiek bedrijven (directe en radicale democratie) stagneert zijns inziens door de opkomst van het rechtse populisme. Het nadenken over nieuwe vormen en inhouden van de polis van de politiek lijkt binnen GroenLinks van meet af aan geblokkeerd door een al even stagnerende neiging om geloven buiten de politiek te houden. Het gescheiden willen houden van geloof en politiek zou te maken kunnen hebben met wat John Gray het geloof in de wetenschap noemt. Het woord geloven heeft binnen het door mij onderzochte bestand van teksten van GroenLinks in de regel de alledaagse betekenis van iets zonder goede redenen voor waar aannemen. Geloven in het simpele schema ‘staat versus markt’, bijvoorbeeld. Als werkwoord komt geloven overigens nauwelijks voor. ‘Geloof’ komt wel vaak voor, en de als vrijwel synonieme termen gehanteerde woorden ‘religie’ en ‘godsdienst’ – en dan vooral in reeksen van groepskenmerken en/of privévoorkeuren. In een zin als ‘Mensen bevechten elkaar op grond van geloof, klasse, kleur en etniciteit’ lijkt ‘geloof’ een groepskenmerk. In zinnen als ‘iedereen beleeft zijn geloof op eigen wijze’ en ‘iedereen heeft recht op een eigen mening, religie, leefstijl of seksuele voorkeur’ lijken ‘geloof’ en ‘religie’ te duiden op een individueel gedachtegoed. Een en ander geheel in lijn met de ‘linkse’ associatie van geloven met ‘gemeenschap’ en met het standpunt van GroenLinks dat het horen bij een religieuze groepering een individuele keuze zou moeten zijn.
Geloven lijkt van meet af aan tot een persoonlijke aangelegenheid verklaard, en waar het persoonlijke politiek moest worden, gold dat niet voor geloven. De religieallergie van een deel van de oude garde, de babybomers, spoorde daarbij met de religiekritiek van de aan de CPN gelieerde Christenen voor het Socialisme. In het voetspoor van theologen als Karl Barth en Kornelis Heiko Miskotte trokken zij een religiekritische lijn door de bijbelse geschriften die Marc de Kesel in zijn boek Goden breken recent opnieuw onder de aandacht bracht:

‘Het eerste waar een monotheïstische religiositeit zich zorgen om maakt, is niet het ongeloof van mensen, maar juist hun geloof. Dat ze zich te snel tot iets transcendents bekennen (…): daar hebben de Jesaja’s en de Jeremia’s van alle tijden zich tegen gekeerd. Hun kritische vuurwerk mikt op de typisch menselijke neiging de eigen wensen voor werkelijkheid te nemen en zich in comfortabel godsgeloof te nestelen.’

Spannender was het overbruggen van de kloof tussen de Christenen voor het Socialisme en de uit de EVP en PPR komende christenen. Voorstanders van een linkse confessionele politiek, de EVP-instroom, kregen een eigen plek binnen het platform De Linker Wang, waarnaar vervolgens alle zaken betreffende religie konden worden doorgeschoven.
En toen kwam het maatschappelijke debat over de islam. Binnen GroenLinks riep het grove en beledigende over een kam scheren van iedereen die ook maar iets met de islam had, sympathie op voor individuele islamieten. De insteek bleef het individu, maar als individuen, en zeker individuen die GroenLinks graag bij de partij wilde betrekken, inspiratie wilden opdoen in een religieuze organisatie, dan moest dat kunnen.

‘Zij verdienen de ruimte en het respect dat alle godsdiensten binnen een rechtstaat toekomt. Wie ze dat niet biedt, drijft ze rechtstreeks in handen van de fundamentalisten.’

De terugkeer van religie op de maatschappelijke agenda confronteerde GroenLinks in zekere zin met een verandering in het denken over religie, die bijna geruisloos was verlopen. Twee jaar na het verschijnen van het WRR-rapport over geloven in het publieke domein, waarin die verandering is beschreven, wijdt De Helling een special aan religie in de samenleving. ‘Deze Helling biedt weerstand aan de linkse neiging om het thema ‘religie’ uit verlegenheid maar links te laten liggen en draagt materiaal aan voor het debat over een visie van GroenLinks ten aanzien van religie in de publieke ruimte’, aldus Erica Meijers in haar voorwoord.
Dat debat komt ondertussen niet echt op gang. In 2009 doet een groep studenten een nieuwe poging om godsdienst op de politieke agenda te krijgen. In september 2010 organiseren zij, in samenwerking met het Wetenschappelijk Bureau en met Stichting De Linker Wang, de bijeenkomst ‘Godsdienstvrijheid of vrij van Godsdienst’. Ook hier lag het accent op de rol van religie in de publieke ruimte. De titel, bedoeld om de zaken op scherp te stellen, was in feite een herhaling van schijntegenstellingen. Alle combinaties bleken dan ook mogelijk, met als typerend credo de uitspraak van Femke Halsema (‘Ik ben niet gelovig’), gevolgd door een pleidooi voor godsdienstvrijheid, mits daarmee geen inbreuk wordt gedaan op andere grondrechten. Niet meteen een opmaat voor een nieuw ‘vrij’ denken over waar GroenLinks-leden, individueel en als partij, in geloven. Maar toch: het feit dat hier driehonderd leden op afkwamen, is een teken aan de wand. De bijeenkomst zou eerst plaatsvinden in het gebouw van de Eerste Kamer, maar werd vanwege de grote belangstelling verplaatst naar de Jacobikerk in Utrecht.
Er zijn meer signalen dat opzijgeschoven ‘geloofskwesties’ bespreekbaar worden. De opkomst van het woord ‘vrijzinnig’ binnen het vocabulaire van GroenLinks is zo’n signaal. Vrijzinnig heeft een sterke connotatie met geloof. Als ondogmatisch geloof staat het tegenover dogmatisch geloof. Als zodanig is het effectiever tegen fundamentalisme dan een starre afwijzing van elke vorm van geloof. Het is vrij zinnig om het eigen geloof in ‘mensen’ als vorm van ‘geloven’ te zien en het daarmee tegelijkertijd te relativeren. Juist het niet als geloven zien van ‘geloof in mensen’ maakt dit geloof dogmatisch. Als John Gray stelt dat het humanisme een voortzetting is van hetzelfde christendom waar het zich zo obsessief tegen verzet, dan valt hij niet direct het geloofskarakter van het humanisme aan, als wel de inhoud van dat geloof. Mensen zijn geen rationele wezens. Zonder illusies kunnen we niet leven, al zouden we dat willen. Het is daarom zinloos om illusies aan te vallen omdat ze illusies zijn. Wat wel zin heeft is aandacht schenken aan de kwaliteit van illusies.

‘Als het niet om waarheid, maar om geluk en vrijheid gaat, waarom moet de filosofie dan het laatste woord hebben? Waarom zouden geloof en mythe niet dezelfde rechten hebben? Vroeger zochten filosofen naar gemoedsrust, terwijl ze deden alsof zij de waarheid zochten. Misschien moeten wij onszelf een ander doel stellen: ontdekken welke illusies wij kunnen opgeven, en welke wij nooit zullen afschudden. Wij zullen nog steeds zoekers naar waarheid zijn, meer dan in het verleden, maar wij zullen afstand doen van de hoop op een leven zonder illusies. Voortaan zal ons doel zijn om onze niet te overwinnen illusies vast te stellen. Welke onwaarheden zouden wij kunnen laten vallen, en welke kunnen we niet missen? Dat is de vraag, en dat is het experiment.’

Dat geloven in een betere wereld irrationeel is, is op zich nog geen reden om het af te zweren – als we dat al zouden kunnen. Zelfs Gray meent dat voor nu een irrationeel geloof in vooruitgang een tegengif kan zijn tegen nihilisme. Hoop doet leven, en ‘geloof’ in de zin van vertrouwen in het bestaan, de waarde en de macht van zaken die je niet ziet, voedt de verbeelding; je ziet het voor je. Dat is weer een voedingsbodem voor non-conformistisch handelen en een voorwaarde voor verandering van een onrechtvaardige en spilzieke wereld. Zonder geloof worden er geen bergen verzet.
Maar ‘geloven’ is meer dan ‘een vaste grond der dingen die men hoopt, en een bewijs van zaken die men niet ziet’ (Hebr. 11:1). Geloven in de vrijzinnige zin is ook een sterk besef van contingentie – een moeilijk, maar mooi woord voor toeval, hogere machten en (onderlinge) afhankelijkheid. We hebben onszelf niet gemaakt en ons eigen leven is, om met de Jordanese schrijver Nassim Nicholas Taleb te spreken, meer het cumulatieve effect van een handvol onvoorziene ingrijpende gebeurtenissen dan het al dan niet geslaagde resultaat van een uitgestippeld project. Zijn boek De Zwarte Zwaan is een prachtige, moderne vertaling van contingentie besef. Een zwarte zwaan zien is een totaal onverwachte gebeurtenis met ingrijpende gevolgen, waarvoor we achteraf verklaringen zoeken en dus vinden. Taleb noemt 11 september 2001 en de beurscrash van 1987 als voorbeeld, alsmede de opkomst van internet. We zouden er zijns inziens goed aan doen daarvoor open te staan in plaats van ons blind te staren op wat we menen te weten. Gray verwoordt een vergelijkbaar besef van contingentie onder verwijzing naar het eeuwenoude taoïsme. In de bijbel wordt deze wijze van geloven het meest uitgesproken verwoord in het boek Prediker.
Ook deze modus van geloven is van belang voor een politieke partij die onconventioneel wil handelen. Dat vereist overgave en alertheid: openstaan voor wat zich voordoet. Ik heb het gevoel dat ook deze wijze van geloven doorbreekt binnen GroenLinks. Je zou de voorkeur binnen GroenLinks voor het woord ‘open’ boven ‘liberaal’ zo kunnen interpreteren. Significant is het in 2009 verschenen boek Er zijn altijd anderen van Herman Meijer, een van de oprichters van Christenen voor het Socialisme en van 2003 tot 2006 voorzitter van GroenLinks. Het boek is een persoonlijke terugblik op veertig jaar buiten- en binnenparlementaire politieke betrokkenheid. Ik citeer het slot van het voorwoord:

‘De strijd tussen christenen en atheïsten, gaat die wel over het bestaan van God? Of gaat die eerder over de opvatting van wat een subject is – mens zijn, hoe doe je dat. (…) Wat ook een ontdekking voor me was, dat is het nut van het denken over onszelf als afhankelijke wezens, en pas daarna als min of meer autonome individuen. Niet primair uitgaan van individuele autonomie, maar eerst onder ogen zien van wie en wat we allemaal afhankelijk zijn. Dat bespaart ons illusies en geeft een eerlijker kijk op anderen met wie we werelden delen. Het kan een realistischer begrip van vrijheid opleveren, niet als autonome individuen, maar als de passende vormgeving van afhankelijkheden. Wie groot geworden is met keuzevrijheid en individuele expressie doet dat niet vanzelf, maar daarom is het niet minder nuttig of zelfs plezierig. De voor onze maatschappij gebruikelijke individualiteit kan immers ook een vorm van slecht gecompenseerde eenzaamheid zijn.’

Herman Meijer heeft het over ‘de voor onze maatschappij gebruikelijke individualiteit’. Als mijn onderzoek iets duidelijk heeft gemaakt, dan is het wel dat GroenLinks zonder enige reserve is meegegaan met die trend en dit conformisme als een keuze heeft verkocht.
Ook op het punt van het geloof in een open samenleving lijkt de partij nu op een tweesprong te staan. Het woord ‘open’ kan twee betekenissen hebben: niet gesloten, toegankelijk, en: niet gevuld, onbepaald. Bij alle nadruk op het ‘open’ in de zin van het niet gesloten en toegankelijk zijn van de samenleving is weinig inhoud gegeven aan de gewenste of feitelijke identiteit van die samenleving. Het uit de taboesfeer komen van praten over het persoonlijke geloof lijkt mij daarvoor een eerste stap in de goede richting. Los van het evidente belang voor een democratische partij dat alle leden zich vrij voelen te spreken over wat voor hen van belang is, is ruimte voor geloven van belang om te kunnen geloven in politiek. Dis is belangrijk, omdat bij politiek verbeeldingskracht komt kijken, en relativeringsvermogen, gevoel voor contingentie en alertheid – allemaal wijzen van ‘geloven’ en die ieder voor zich en bij elkaar genomen een rol spelen in het ‘onszelf voorbij’ komen.
Om onszelf voorbij te komen moeten we eerst een ‘wij’ worden. Met de uitgesproken keuze voor het individu en het geloof in een open samenleving – een seculiere versie van het oudtestamentische gebod geen gesneden beelden te maken van God? – wekt GroenLinks op zijn minst de schijn ons op te roepen aan onszelf voorbij te gaan zonder eerst de nodige gemeenschapszin te cultiveren. Wat op dat punt nog te leren valt van religies, minder van de vrijzinnige geloofstradities en meer van de minder vrijzinnige hoofdstromen, staat in Religie voor atheïsten, een door de populaire Britse filosoof Alain de Botton geschreven gebruikersgids. De inzichten die hij aan religies ontleent en die in het seculiere leven van pas kunnen komen, betreffen in de eerste plaats hoe tegemoet te komen aan ‘de behoefte om, ondanks onze diepgewortelde egoïstische en gewelddadige neigingen, op harmonieuze wijze in gemeenschappen samen te leven’. Religies bieden een scala aan seculier te vertalen rituelen: ‘het soort rituelen dat, net als de beraadslagingen in parlementsgebouwen en rechtbanken, helpt onze weerbarstige, kwetsbare samenlevingen bijeen te houden’. En van religies leren we ook ‘dat een goede gemeenschap inziet hoeveel er in ons schuilt dat eigenlijk niets van een gemeenschap weten wil’. Voor GroenLinks lijkt me dat les 1.

Dit artikel is opgenomen in de recent verschenen bundel ‘Onszelf voorbij. Over de grenzen van verbondenheid’? Red. Joris Verheijen en Jonneke Bekkenkamp, Almere: Parthenon 2011, p. 50-83. Prijs €25. (ISBN 9789079578276).
Voor meer informatie zie www.nieuwwij.nl.

Gerelateerde artikelen