8 minuten

Gemopper in de democratische leegte

Brood en spelen in Vogelaarwijken

Democratisering is niet alleen bestuurlijke en parlementaire vernieuwing. Zeggenschap van mensen over hun eigen leven is misschien wel allereerst van belang in de eigen buurt. Kunnen kleinschalige bewonersinitiatieven de democratische leegte opvullen?

Het zijn “de mensen die de wijken maken”, aldus het Actieplan Krachtwijken 2007. De Vogelaarwijkaanpak wil de complexe problematiek in achterstandswijken middels een meer democratische aanpak te lijf gaan. Zogenaamde bewonersinitiatieven hebben een belangrijke publieke taak te vervullen in het bevorderen van sociale cohesie en het bestrijden van sociaal en politiek wantrouwen. Actief burgerschap lijkt het toverwoord te zijn. Maar werkt dat wel?

Naaiclubjes

Sinds 2007 is de Vogelaarwijkaanpak de directe opvolger van het Grote Steden Beleid, Onze Buurt aan Zet en het 56-wijken beleid. In deze wijkaanpak worden wonderen verwacht van de actieve bijdrage van bewoners. Beleidsmakers en politici lijken het idee te hebben omarmd dat ´doeners´ in het publieke domein met hun acties beslissen over hoe dat publieke domein er uit komt te zien. Op deze manier moeten twee vliegen in één klap worden geslagen: de problemen moeten worden aangepakt en de spreekwoordelijke democratische leegte moet worden opgevuld. Deze ‘doeners’ zijn vooral actief in zogenaamde bewonersinitiatieven. Dit zijn kleinschalige, informele verbanden van bewoners die activiteiten ontwikkelen of iets relatiefs kleins willen veranderen in de openbare ruimte in de wijk. Koffieochtenden, naaiclubjes, eetgroepjes, huiswerkklassen, tuinieren, het opknappen van een speelplek, het aanpassen van verkeerssituaties, feestelijke bijeenkomsten, taallessen etc. Het zijn enkele voorbeelden van een heel scala aan actieve bezigheden. Vaak zijn de initiatieven kleinschalig van opzet en eenmalig. Ook zijn de groepjes bewoners meestal homogeen van samenstelling. Soort zoekt soort is vaak het credo. Elke wijk heeft een eigen ‘bewonersinitiatievenbudget’ toegekend gekregen. Om een indruk te geven; een wijk als Kanaleneiland in Utrecht heeft bijvoorbeeld 1,3 miljoen euro gereserveerd voor initiatieven van bewoners. Geen geringe bedragen dus en er zijn hoge verwachtingen aan gekoppeld.

Dat is niet nieuw. Het wijkenbeleid heeft een lange voorgeschiedenis waarbij altijd een dubbele agenda speelde: enerzijds was het een zoektocht naar een publieke gemeenschap vanuit zorg om een gebrek aan sociale cohesie; anderzijds een poging om het gebrek aan sociaal en politiek vertrouwen terug te winnen.

Na de Tweede Wereldoorlog was het vertrouwen in de traditionele democratische instituties ver gedaald en veel bestuurders maakten zich zorgen over de afnemende naleving van sociale normen. Bevordering van de gemeenschapszin kon dit vertrouwen terugbrengen, zo werd gehoopt. Gemeenschapsleven op het niveau van de wijk werd een nieuw ideaal.

Al in de tweede helft van de jaren vijftig werd het ideaal van de buurtgemeenschap echter bekritiseerd door de socioloog Jacques van Doorn die verklaarde dat een wijk niet per definitie ook een gemeenschap vormt. In de jaren zestig en zeventig kreeg de wijkaanpak weer een nieuwe impuls. De stedelijke vernieuwing bloeide op, tegelijk met het proces van ontzuiling. Zo ontstond een basis voor een visie op de burger als lid van een lokale gemeenschap in plaats van de godsdienstige of levensbeschouwelijke gemeenschap.

De jaren negentig kenmerkte zich door algemene publieke en politieke zorg over de sociale segregatie in achterstandswijken. Het was in deze context dat het CDA/PvdA-kabinet (1989-1994) het wijkbeleid een nieuwe impuls gaf door nationale maatregelen via lokaal niveau te implementeren. Het advies aan gemeenten was het beleid te richten op buurten en wijken, problemen samen met bewoners en instellingen aan te pakken en meer zeggenschap en verantwoording te geven aan burgers. De ’burger’ werd wederom een ’bewoner’ en aangrijpingspunt van beleid, aldus het WRR-rapport uit 2005.

Maar zijn de verwachtingen niet te hooggespannen? Ten eerste: wat is precies het publieke domein en op welke manier wordt daar invulling aan gegeven? De verschillende burgerschapsopvattingen geven op verschillende wijzen antwoord op die vraag. Ten tweede: hoe kijken bewoners aan tegen de verwachtingen van de Vogelaarwijkaanpak?

Eilandenrijk

Het republikeinse ideaal van het publieke belang ligt stevig verankerd in allerlei mooi vormgegeven beleidsrapporten. Deze verwachting is ook terug te vinden in de wijkactieplannen waar constant het wijkbelang wordt benadrukt. Ook vindt men het terug in de criteria voor de bewonersbudgetten: de activiteiten moeten voor àlle bewoners open en toegankelijk zijn en dienen problemen in de wijk aan te pakken.

Maar de dagelijkse praktijk van de beleidsuitvoering is een heel andere. Bewoners krijgen constant te horen dat er veel geld beschikbaar is voor al hun activiteiten en worden aangejaagd om toch vooral initiatieven in te dienen, want, zoals een ambtenaar verwoordde: “Het budget moet wel op. Het is inderdaad van de zotte, maar anders krijgen we volgend jaar minder. Nou ja, dan kijk je wat minder strikt naar de criteria hoor.” In de praktijk komt dit neer op soms honderden kleine initiatiefjes – een heel eilandenrijk aan goede bedoelingen dat nauwelijks een bijdrage levert aan het publieke belang.

Deze uitingen van burgerschap door bewoners zijn namelijk erg geënt op de communitaristische traditie, die is gestoeld op loyaliteit aan en identificatie met de eigen gemeenschap. Men doet iets voor de vrienden, kennissen of directe buren. Of men doet iets binnen de natuurlijke gemeenschap waarin men zich al bevindt. Deze natuurlijke gemeenschap wordt in achterstandswijken vaak afgebakend door etnische en culturele scheidslijnen. Er zijn zowel Hindoestaanse, Marokkaanse als Turkse naaiclubjes, islamitische als christelijke bijeenkomsten, en elk groepje harkt haar (moes)tuintje fijntjes aan zonder het besef dat driehonderd meter verderop wellicht hetzelfde gebeurt, maar dan net iets anders. Of zoals een ambtenaar het verwoordde: “En ja, het is niet uitgangspunt van beleid maar gebeurt toch dat groepen mensen samenklitten. We hebben een Turkse, Hindoestaanse en Surinaamse naaigroep. Culturele groepen zijn het gewoon. In naam zijn ze open, toegankelijk. Maar in de praktijk…?”.

Actief burgerschap in de vorm van bewonersinitiatieven reikt niet ver over nabije relaties heen. Binding met de buurt als zodanig of identificatie met het publieke belang van de wijk is spaarzaam. Men doet vooral iets voor mensen die men kent of bewoners die toch al behoren tot de gemeenschap waar men zich dagelijks in beweegt. Dit hoeft niet erg te zijn, maar het staat wel haaks op de gedachte van het creëren van sociale cohesie, van gemeenschapsvorming op wijkniveau en van een publiek belang (Actieplan Krachtwijken 2007). Juist de mogelijkheid voor burgerschap op wijkniveau is afhankelijk van de overschrijding van grenzen en het revitaliseren van de publieke dimensies van vele activiteiten. In het geval van de wijkaanpak zou dit betekenen dat de som der verschillende bewonersinitiatieven iets groters oplevert dan een eilandenrijk aan verschillende belangen.

Maar in werkelijkheid wordt het idee van een wijkgemeenschap niet ontwikkeld door bewonersinitiatieven, want bewoners worden nauwelijks geprikkeld over de eigen schutting heen te kijken, zichzelf te verdiepen in de ander, te reflecteren, te leren over elkaar of elkaars problemen. Ook omdat ze simpelweg niet in contact komen met elkaar. Het idee dat bewoners moeten worden begeleid in hun transformatie naar ´burgers´ die bepaalde democratische competenties moeten aanleren om met elkaar en elkaars verschillen te leren omgaan en te leren hoe ze gezamenlijk vorm kunnen geven aan een groter, publiek belang, vindt veel meer weerklank in de (neo)republikeinse burgerschaptraditie. Dit aspect van burgerschap komt veel minder tot uiting in de Vogelaarwijkaanpak.

Brood en spelen

Een tweede aspect van de communitaristische benadering is dat de nadruk veel meer ligt op sociale participatie, in plaats van politieke participatie. Het komt vooral aan op doen en organiseren in plaats van meedenken en meepraten over beleid. Het standaard beleidsantwoord nu komt neer op de leus dat in achterstandswijken genoeg eigen kracht onder bewoners is en dat deze dus ingezet kan worden om samen het publieke domein vorm te geven.

De overheid vraagt van bewoners om mee te doen, om zelf activiteiten te bedenken en te organiseren. Vindt u dat de speeltuin in de wijk verloedert? Heeft u overlast? Dient u maar een initiatief in om nieuwe speeltoestellen aan te vragen en maakt u zelf maar met een aantal buurtmoeders een rooster om de speeltuin te beheren. Wij zorgen voor het budget. Vindt u dat er te weinig oog is voor de problemen van allochtone vrouwen in de wijk? Organiseert u maar koffieochtenden, een naaiclub of een informatiebijeenkomst. Of zoals een ambtenaar verwoordde: “Het is niet u vraagt, wij draaien.” Dit is een vorm van betrokkenheid die vooral gericht is op participatie middels doen in plaats van participatie middels meepraten en meedenken over het beleid. De buurtoverleggen en de wijkcomités zijn in wijken als Slotermeer in Amsterdam en Kanaleneiland in Utrecht grotendeels verdwenen

Een veelgehoorde klacht van actieve bewoners is dan ook dat met de Vogelaarwijkaanpak juist het meepraten en meedenken is verdwenen of van karakter is veranderd: “Het zijn van die bijeenkomsten, met Vogelaar ook....dan komt er een toeter, een glas champagne, op de foto en voor de rest, het is gewoon....tja...wel leuk geprobeerd, maar het gaat om een grotere visie. En een echte aanpak, echte inspraak. Niet voor de show.” Of zoals een bewoner van een andere wijk het verwoordde: “En het is gewoon jammer ook dat bijvoorbeeld die buurtoverleggen die heb je ook niet meer. Dat is ook heel jammer. Dat was vier keer in het jaar, niet zo vaak hoor. Maar, dat je dingen naar voren kon gooien van, kan dat niet anders? Dan kun je het bespreken.”

Bij de  Vogelaaraanpak hebben beleidsmakers en professionals zich gebaseerd op een communitaristische interpretatie van burgerschap in plaats van op het (neo)republikeinse aspect van inspraak en politieke participatie. De kanalen voor inspraak en meedenken zijn als gevolg daarvan dichtgeslibd en ervoor in de plaats zijn goedbedoelde kleine initiatieven gekomen van buurtbewoners die het publieke domein wellicht tot op zekere hoogte delen maar zeker niet gezamenlijk vormgeven. Er wordt veel van ze gevraagd en er is ook veel budget beschikbaar om actief mee te doen in plaats van mee te denken en mee te praten. Zoals een bewoner een veelgehoorde klacht verwoordde: “geef het volk brood en spelen, dan mopperen ze niet meer”. Maar juist het meedenken en meepraten is van belang om het publieke belang vorm te geven en de democratische leegte op te vullen. Ondertussen drogen de Vogelaargelden op, en daarmee ook de budgetten voor bewonersinitiatieven. Het tij keert, en wat straks overblijft zijn eilandjes van bewoners waar een voedingsbodem voor teleurstelling en gebrek aan vertrouwen is gekweekt. Dan resoneert de echo van het gemopper nog luider in de democratische leegte.

Literatuur:

- H. van Gunsteren, A theory of citizenship. Organizing plurality in contemporary democracies, Boulder, Westview Press 1998.
- M. Hurenkamp, E. Tonkens en J.W. Duyvendak, Wat burgers bezielt: een onderzoek naar burgerinitiatieven, UvA: NICIS Kenniscentrum Grote Steden, Amsterdam/Den Haag 2006.
- Actieplan Krachtwijken, Ministerie VROM, juli 2007.
- T. van de Wijdeven, en F. Hendriks, Burgerschap in de doe-democratie, Den Haag: Nicis Institute 2010.
- Vertrouwen in de buurt, WRR rapport, Amsterdam University Press, 2005.

Gerelateerde artikelen