11 minuten

Gezonde Euro-scepsis

Pas op de plaats met Europa

Ondanks het 'nee' tegen de Grondwet zijn er geen aanwijzingen dat Nederland nu tegen Europa is. Wel is er alle reden om voorlopig kalm aan te doen met een verdere uitbouw van Europa. Ook GroenLinks moet met haar wensen over een socialer en groener Europa even een pas op de plaats maken. 

Met een meerderheid die zelfs voor de tegenstanders verrassend groot was, wees Nederland op 1 juni het Verdrag tot Vaststelling van een Grondwet af. In één klap leek onze reputatie van eurofiel land aan diggelen. Het nee-kamp, met daarin zowel LPF en Geert Wilders als de SP, vierde feest, als de dwerg die de grote reus had verslagen. De mineurstemming onder de voorstanders, die wekenlang een tot mislukken gedoemde campagne hadden gevoerd, duurde echter niet lang. In de dagen na het referendum trok een stoet van politici voorbij uit het ja-kamp (zowel van links als van rechts) die ons trachtten te doen geloven dat de uitslag precies hun idee over Europa bevestigde.

Het kabinet verengde de discussie meteen tot een centenkwestie: op de Europese top die kort volgde op de afwijzing van de Grondwet werd Thatcheriaans geroepen dat Nederland zijn geld terug wilde. Het algemene gevoel dat klonk vanuit CDA en VVD was dat het tijd werd een ‘pas op de plaats’ te maken en dat het proces van integratie te snel was gegaan. Het was daarom niet meer dan terecht dat de Nederlandse bevolking aan de rem had getrokken. Het linkse perspectief was geheel anders: de nee-stemmers hadden vooral tegen het huidige Europa van markt en munt gestemd. En niemand had toch tegen meer openheid en democratie gestemd? De linkse kiezer was toch niet tegen een groener en socialer Europa?

Om te beginnen een aantal observaties over het referendum, daarna ga ik in op de eigenlijk discussie: waarom Europa? Ten eerste was het de allereerste keer dat de bevolking door middel van een referendum de mogelijkheid kreeg zich uit te spreken over Europa. Grote stappen in het integratieproces – de Europese Akte, het verdrag van Maastricht, het verdrag van Amsterdam – waren allemaal genomen zonder dat de Nederlanders hierover waren geraadpleegd. Niet verwonderlijk dat alles wat mogelijk aan frustratie over Europa leefde in één keer naar boven kwam.

Ten tweede werd het debat gevoerd door Tweede Kamerleden en ministers die in de afgelopen vijftien jaar vakkundig het onderwerp Europa hadden weten te vermijden. In bijna geen land was de afgelopen jaren de desinteresse voor Europese zaken zo groot als in Nederland, getuige ook de obligate teksten over Europa die in de meeste nationale verkiezingsprogramma’s zijn opgenomen. Het pijnlijke resultaat van dit non-debat was de grote hoeveelheid feitelijke onjuistheden en onbenulligheden die via vele tv-kanalen over ons werd uitgestort. Voor- en tegenstanders deden daarin overigens niet voor elkaar onder. Blijkbaar werden degenen met daadwerkelijk verstand van zaken, de Nederlandse europarlementariërs, ongeschikt geacht mee te doen? Een derde factor, zeker niet onbelangrijk, was de rol van het kabinet. Nog nooit was een naoorlogs kabinet zo impopulair. De nee-stem was daarmee ook een proteststem tegen de regering die in zijn grote hervormingsijver grote groepen mensen tegen zich in het harnas jaagt. De pogingen van enkele ministers om donkere visioenen te schetsen van een toekomst zonder Grondwet versterkten dat nog.

Rookwolken

Wie voorbij de waan van de dag kijkt, moet zich de vraag stellen waarom de afgelopen jaren de Europese integratie altijd op zo’n brede steun kon rekenen. Voor de beantwoording van die vraag is het goed een onderscheid in herinnering te brengen dat de Amerikaanse politicoloog David Easton maakt tussen diffuse en specifieke steun (A Re-Assessment of the Concept of Political Support, 1975). Waar diffuse steun wijst op een min of meer passieve en algemene aanvaarding, gaat specifieke steun uit van een actieve en gerichte legitimering. Ter illustratie: iemand kan voorstander zijn van democratie als de meest geschikte staatsvorm. Een ander is niet alleen voorstander van democratie, maar heeft ook nog eens een sterke voorkeur voor een kiessysteem van evenredige vertegenwoordiging. Het eerste is een voorbeeld van diffuse steun (het algemene idee wordt gesteund), het tweede van specifieke steun (concrete institutionele invulling van die opvatting).

 Kopecky en Mudde passen dit idee toe op de Europese Unie (Two Sides of Euroscepticism, 2002) en maken aldus een onderscheid tussen het ‘idee’ van Europese integratie en de huidige Europese Unie. Overigens kunnen diffuse en specifieke steun in diverse combinaties voorkomen: zij die zowel het idee als de concrete uitvoering steunen worden door Kopecky en Mudde euro-enthousiastelingen genoemd. Diametraal daar tegenover staan de euro-afwijzers die niets moeten hebben van de EU en van het Europese idee. Eurosceptici steunen Europese integratie, maar zijn ontevreden met de huidige EU. Voor euro-pragmatici geldt precies het omgekeerde: hoewel zij Europese integratie afwijzen maken zij wel gebruik van de voordelen die de EU biedt. Deze indeling is bedacht om partijposities te definiëren, maar is evenzeer toepasbaar op publieke steun voor de EU.

Het onvermijdelijke aan het referendum is dat een dergelijke nuance verdwijnt en de tegenstelling wordt gereduceerd tot 'ja' of 'nee': enthousiastelingen komen te staan tegenover afwijzers. Partijen die eigenlijk verschillen in hun houding ten opzichte van Europa kwamen in hetzelfde kamp terecht. Zo stonden een euro-pragmatische partij als de VVD – die integratie toch met name steunt vanwege de voordelen van de vrije markt – en een euro-sceptische partij als GroenLinks – die juist ontevreden is met het huidige marktgerichte Europa – zij aan zij de Grondwet te verdedigen. Dat de Grondwet bij uitstek bovendien ook een document was dat de bestaande verhoudingen vastlegde, maakte het voor een sceptische partij niet eenvoudiger op deze tegelijk te verdedigen als instrument op weg naar een andere Europese Unie.

Nu de rookwolken van het referendum zijn opgetrokken, kunnen de politieke partijen ook weer naar hun oorspronkelijke positie terugkeren. Tegelijk dwingt het onverbloemde 'nee' hen allen wel tot herbezinning. Want hoe kon het dat zo’n brede meerderheid in de Tweede Kamer een volstrekt andere opvatting had dan de brede meerderheid onder de bevolking? Zijn we echt zo anti-Europees geworden? Uit de Eurobarometer, het halfjaarlijkse opinie-onderzoek in opdracht van de Europese Commissie, van voorjaar 2005 (kort voor het referendum) is op te maken dat nog altijd ruim driekwart van de Nederlanders het EU-lidmaatschap ‘een goede zaak’ vindt.

Signaal

Daarmee behoort Nederland samen met Ierland en Luxemburg tot de meest enthousiaste voorstanders. Het is dan ook zeker niet zo dat de bevolking zich volledig heeft afgekeerd van alles wat Europees is. Wel is te constateren dat de steun voor Europa een steeds utilitaristischer karakter krijgt. Waar een oudere generatie Europese samenwerking nog kon zien als uiting van een gevoel van nie wieder Krieg, is in een tijdperk van calculerende burgers vooral het economisch profijt dat van Europa getrokken kan worden dat telt. De onderlinge solidariteit, die binnenslands al onder druk staat, is ten opzichte van mede-Europeanen helemaal ver te zoeken.

Een tweede gegeven is de opleving van gevoelens van Nederlandse identiteit. Sinds de dagen van Fortuyn is het lang zo raar niet meer om trots op het Nederlanderschap te zijn. Eén van de merkwaardige uitingsvormen daarvan is het inburgeringsfetisjisme dat overtuigend door de huidige minister van Vreemdelingenzaken wordt uitgedragen. Maar ook de SP speelde op dit gevoel in door op zijn anti-Grondwet posters Nederland in zee te laten verdwijnen.

Deze constateringen doen niets af aan de diffuse steun voor Europese integratie. Naar mijn idee is het afwijzen van de Grondwet dan ook zeker geen 'nee' tegen Europa als zodanig, maar wel veelzeggend waar het de concrete toekomst van de Europese Unie betreft. Zoals eerder gememoreerd: de ene helft van de voorstanders zag in het 'nee' een roep om ‘pas op de plaats’ te maken, terwijl de andere helft meende dat de nee-stemmers eigenlijk een heel andere EU wensen. ‘Rechts’ ziet de wil om terug te keren naar de kern van integratie, namelijk economische samenwerking met daaraan gekoppeld enige vormen van politieke samenwerking. ‘Links’ stelt daar tegenover dat de Unie juist is doorgeschoten in het marktdenken van liberaliseren en privatiseren en ziet de wil om daar een ‘sociaal Europa’ naast te ontwikkelen. Wie heeft het signaal juist begrepen?

Inmenging

Opnieuw is het leerzaam om de Eurobarometer te raadplegen. Daarin wordt aan mensen gevraagd om voor een groot aantal beleidsterreinen aan te geven of de nationale overheid daarvoor verantwoordelijk zou moeten zijn of dat een gezamenlijk Europees beleid gewenst is. Een blik op de enquête-uitkomsten leert dat er door de tijd heen een tamelijk constant patroon is van beleidsterreinen die algemeen als nationaal of Europees worden gezien. Aan de ene kant is er een grote meerderheid voor Europese bevoegdheden inzake milieubeleid, aanpak van de georganiseerde misdaad, internationaal terrorisme, monetair beleid en buitenlands beleid. Daar tegenover staat dat een grote meerderheid cultuurbeleid, gezondheid en welzijn, onderwijs, (jeugd)criminaliteit en politie/justitie tot de verantwoordelijkheid van de nationale regering vindt horen. De beleidsterreinen die als Europees worden gezien, kunnen vanuit oogpunt van effectiviteit en schaalgrootte beter gezamenlijk geregeld worden. Voor de ‘nationale’ onderwerpen geldt dat er geen reden is om ze Europees te willen regelen, omdat het binnen de capaciteit van de nationale regering valt. Bovendien zijn deze beleidsterreinen sterk gekoppeld aan de eigen nationale historie, of het nu de overdracht van ideeën betreft (kunst, onderwijs) of de inrichting van de verzorgingsstaat.

Met andere woorden, er zit een onmiskenbare logica achter de verdeling van bevoegdheden zoals Nederlanders die, volgens de Eurobarometer, wensen. Hoewel mensen die zichzelf als links beschouwen vaker voorstander zijn van overheveling van bevoegdheden naar de EU, komt ook bij hen deze kern van nationale onderwerpen niet in het geding. Omgekeerd geldt dat wie zichzelf rechts noemen en daarmee op zich terughoudender tegenover Europees beleid staan, wel de genoemde Europese onderwerpen steunen. Bovenal geeft deze door de jaren heen stabiele opvatting aan dat een grote meerderheid voorstander is van de status quo: de gewenste Europese inmenging komt grotendeels overeen met de feitelijke situatie in de huidige EU. Het voorbehoud daarbij is dat het gaat om de formele bevoegdheden, niet om hoe daar inhoudelijk invulling aan wordt gegeven. De boodschap voor zowel links als rechts is daarmee dat zij iets te snel hun antwoord klaar hadden: Nederlanders willen niet meer bevoegdheden naar Brussel, maar zien ook geen noodzaak om beleid te renationaliseren. De nee-stem is daarmee inderdaad een signaal van ‘pas op de plaats’ maar dan vooral om tijd te nemen ons te bezinnen op wat een Unie van 25 landen bindt en welke intensiteit van samenwerking daarbij wenselijk is.

Misschien is het voordeel van de huidige impasse dat er tijd en ruimte komt voor het beter integreren van tien nieuwe lidstaten in de huidige Unie. De landen uit Oost-Europa hebben zich in bewonderenswaardig hoog tempo klaargestoomd voor het lidmaatschap. De EU moet zichzelf de tijd gunnen om de samenwerking met zulke verschillende landen succesvol te maken, zowel wat betreft de formele kant – het aanpassen van de besluitvorming – als de culturele kant – de verscheidenheid aan nationale tradities. Let wel, een ‘pas op de plaats’ betekent niet dat de EU af is. Verdieping van economische samenwerking, gezamenlijk buitenlands- en veiligheidsbeleid inclusief verdergaande militaire samenwerking is op den duur zeer wel mogelijk en zelfs wenselijk. Maar pas als iedereen er klaar voor is. Het gevaar van kopgroepen of een EU van meerdere snelheden is dat de laatkomers definitief tot achterblijvers verworden.

GroenLinks

Tenslotte nog een aantal opmerkingen over GroenLinks. In een artikel in de Helling in de herfst (nr. 3) van 2003 vroeg ik me af in hoeverre een referendum over de Grondwet tot interne tegenstellingen zou kunnen leiden en hoe GroenLinks zou omgaan met een massale nee-stem, ook vanuit de eigen achterban. De prangende vraag daarbij was hoe lang volgehouden kon worden dat Europa zich inderdaad in de zo gewenste democratische, groene en sociale richting zou gaan ontwikkelen zonder dat daarvoor zichtbare aanwijzingen waren. Wat betreft het eerste: er was inderdaad nogal wat verdeeldheid. Afhankelijk van welke peiling wordt geraadpleegd, was er onder de GroenLinks kiezers een nipte meerderheid of nipte minderheid vóór de Grondwet. Hoewel na rijp beraad binnen de partij werd gekozen voor een ja-campagne, bleek het draagvlak hiervoor achteraf kleiner dan gedacht.

Nu de Grondwet achter de horizon verdwijnt, is het ook moeilijker vol te houden dat Europa groener en socialer wordt. Hoewel de Grondwet door GroenLinks niet werd gezien als de blauwdruk voor een beter Europa, was hij wel nodig als een eerste belangrijke stap in de goede richting. Alvast een beetje democratischer en een beetje groener. Nu die stap uit lijkt te blijven, houden we een EU waarin de politieke integratie ver achter de economische integratie aanhobbelt. De conservatief-liberale wind die door diverse regeringen en ook door de Europese Commissie waait, biedt bovendien weinig hoop voor de nabije toekomst. De boodschap van de linkse nee-stem is dat GroenLinks zijn eigen pas op de plaats zal moeten maken. In een kritische bezinning over de toekomst van Europa moet vooral nagedacht worden over wát op wélk niveau geregeld moet worden. Voor sommige zaken is europeanisering niet nodig en misschien zelfs onwenselijk. Zo’n houding getuigt van gezonde euroscepsis.

Het pleidooi van ondermeer Kathalijne Buitenweg en Femke Halsema voor een kopgroep van landen die het Europa van ‘mens en milieu’ verder willen uitbouwen, loopt op de zaken vooruit. Allereerst is de vraag: wie zit daarop te wachten? Niet de linkse kiezers. Zij wezen in grote meerderheid de Grondwet – met een begin van zo’n sociale en groene uitbouw – af. Het zijn de linkse kiezers die, net als de rest van de bevolking, weinig verwachtingen hebben van een Europees sociaal model. Deze linkse kiezers vinden dat problemen van werkloosheid, armoede en vergrijzing geregeld horen te worden binnen de eigen verzorgingsstaat. Het staat een politieke partij natuurlijk vrij om voor de troepen uit te lopen en niet onnadenkend de publieke opinie of de eigen achterban te volgen. Maar er is nog een tweede en fundamenteler bezwaar tegen een kopgroep: naast het hierboven al genoemde gevaar van permanente ongelijkheid tussen de verschillende lidstaten, is de grote vraag hoe een Europa van meerdere snelheden aan democratische eisen kan voldoen. Haast onvermijdelijk wordt dat een ingewikkeld netwerk van grotere of kleinere groepen landen die intensiever met elkaar samenwerken en dat leidt tot ondoorzichtigheid en oncontroleerbaarheid. Mogelijk heel efficiënt, maar vanuit democratisch oogpunt een weinig aanlokkelijk toekomstperspectief.

Gerelateerde artikelen