9 minuten

Globalisering is te sturen

Interview met Joseph Stiglitz

Nobelprijswinnaar voor de economie Joseph Stiglitz is zeer kritisch over de spelregels van de globalisering. Die zijn ontworpen door het Westen in eigen voordeel en in het nadeel van arme landen. Desondanks is Stiglitz optimistisch, want hij gelooft in de mogelijkheid tot verandering.

Joseph Stiglitz is enige dagen in Nederland. Niet alleen voor de lezing die hij geeft over globalisering, maar vooral om zijn nieuwe boek te promoten: Making globalization work, in de Nederlandse vertaling: Eerlijke globalisering. In een Amsterdams hotel geeft hij het ene na het andere interview. Hij oogt vermoeid maar zodra hij begint te praten, spat de betrokkenheid er vanaf. Stiglitz is een man met een missie. De Amerikaanse congresverkiezingen zijn net voorbij. Hij is hoopvol over de politieke rol die de Democraten kunnen gaan spelen. “De schade stoppen die de president aanricht”, is volgens hem van groot belang. Bezorgd vraagt hij ons hoe rechts de politiek in Nederland is. Hij is verbaasd als hij hoort dat een milieu-georiënteerde partij GroenLinks zo weinig zetels in het parlement heeft.

In eerdere boeken en artikelen heeft Stiglitz forse kritiek geformuleerd op instellingen als het IMF en de Wereldbank. In zijn nieuwe boek, dat breder van opzet is, bekritiseert hij de voorstanders van globalisering. Hij gelooft niet dat meer vrijhandel vanzelfsprekend zal bijdragen aan oplossingen voor armoede en de opwarming van de aarde. De spelregels van globalisering zijn oneerlijk en ontworpen door en voor de rijke landen. Arme landen profiteren niet van het wereldhandelssysteem. Sterker nog, door de eisen die rijke landen en instituties als de Wereldbank, de WTO en het IMF stellen, wordt de armoede in arme landen groter en wordt de soevereiniteit van ontwikkelingslanden beperkt. Volgens Stiglitz ondermijnt globalisering de democratie.

Meer dan economen die geloven in marktwerking en vrijhandel, ontwerpt Stiglitz een politiek programma om internationale instituties (VN-instellingen, IMF, Wereldbank, WTO, etc.) aan te passen. In zijn ogen loopt het democratiseringsproces op mondiaal niveau achter bij de economische globalisering. Hij wil dat we internationaal beleid politiek beter kunnen sturen, “met meer oog voor arme landen en voor de armen in rijke landen.” Daarom komt hij ook in zijn nieuwe boek met voorstellen die het voor ontwikkelingslanden mogelijk maken om beter deel te nemen aan besluitvorming over mondiaal beleid. Hij stelt voor om de internationale instituties democratischer te maken door veranderingen aan te brengen in de vertegenwoordiging en de stemverhoudingen. Hij pleit voor grotere transparantie, meer openheid en een strengere verantwoordingsplicht voor internationale instellingen. Ook de stem van maatschappelijke organisaties (NGO's) moet volgens hem zwaarder wegen.

Volgens Stiglitz is er een mentaliteitsverandering nodig die leidt tot meer mondiaal denken en handelen. Hij pleit voor een nieuw mondiaal sociaal contract tussen ontwikkelde en minder ontwikkelde landen. Stiglitz' boek bevat een scala aan voorstellen dat daarvan onderdeel zou moeten zijn. Zo stelt hij een overeenkomst voor waarbij arme landen door rijke landen financieel worden gecompenseerd voor hun ecologische diensten. Zoals het behoud van biodiversiteit en het beperken van de opwarming van de aarde. Hij wil dat technologische kennis, vooral als het gaat om levensreddende medicijnen, tegen betaalbare prijzen beschikbaar komen voor ontwikkelingslanden. In het omgaan met intellectueel eigendom (patenten) vindt hij dat teveel rekening wordt gehouden met de belangen van het rijke bedrijfsleven in vergelijking met de noden van arme landen.

Stiglitz heeft veel geschreven over financieel-economische crises en de schuldenlast van ontwikkelingslanden. Arme landen hebben in het verleden veel te verduren gehad van de instabiliteit van het mondiale financiële systeem. Dat systeem, zo stelt hij, moet zo hervormd worden dat financiële risico's meer bij rijke en minder bij arme landen komen te liggen. Daarnaast moeten rijke landen meer geld besteden aan ontwikkelingshulp en het kwijtschelden van schulden. Stiglitz beseft dat hij een omvangrijk politiek programma voorstaat. Hij eindigt zijn boek met een verzuchting. “Het is een langdurige en zware taak. We wachten al te lang. Nu is het moment om een begin te maken.” Wij beginnen het interview daarom met een actuele politieke vraag.

De Democraten hebben de meerderheid verovert in het Amerikaanse Congres. Zal dat gevolgen hebben voor het Amerikaanse buitenlandbeleid?
“Op sommige terreinen zal er wat veranderen, maar op andere niet. Het extreme unilateralisme van Bush heeft gefaald. Dat geldt vooral voor het gebruik van militaire macht. Het heeft de situatie in Irak niet verbeterd. Integendeel, die is verslechterd. De Verenigde Staten hebben partners nodig. In het algemeen werkt multilateraal optreden veel beter.

In reactie op het beleid van Bush nemen de Democraten een tegenovergestelde positie in. Terwijl Bush niks wil weten van onderzoek naar de opwarming van de aarde, geloven de Democraten nu sterk in de wetenschap. Al Gore vocht als vice-president onder Bill Clinton voor een milieubeleid, maar werd toen tegengewerkt door bijvoorbeeld het ministerie van Financiën. De Democraten willen zich inzetten om klimaatverandering tegen te gaan. De enige tegenstand binnen de partij komt van de vakbonden die actief zijn in de auto- of olie-industrie.

De nederlaag van Bush biedt perspectief. Alleen al het stoppen van de schade die de president aanricht, is van groot belang. Zoals het stoppen van subsidies aan oliebedrijven en het zoeken naar olie op Antarctica. In deze verkiezingen heeft het grote bedrijfsleven verloren. Er zullen de komende jaren meer initiatieven komen voor de ontwikkeling van alternatieve energie. Maar op internationaal terrein blijft Bush als president het voortouw houden. Bijvoorbeeld internationale samenwerking op het gebied van klimaatverandering zal hij niet beginnen. Daarop moeten we nog twee jaar wachten.”

Wat zal er veranderen op het gebied van internationale handel?
“De Democraten zijn over de deugden van vrijhandel sceptischer dan de Republikeinen. Ze hechten meer belang aan het internationaal vastleggen van rechten voor werknemers en stellen hogere milieueisen. Ze zullen in ieder geval geen bilaterale handelsverdragen steunen. Dat is de praktische betekenis van de overwinning van de Democraten. De Doha-ronde [de onderhandelingen in de wereldhandelsorganisatie WTO; red.] zijn mislukt vanwege de landbouwsubsidies. De Democraten zullen niet in staat zijn om hier nieuwe initiatieven te nemen. Zij willen de landbouwstaten die hen in de verkiezingen hebben gesteund, niet voor het hoofd stoten. De Democraten zullen echter niet het beleid van Bush steunen om handelsverdragen tussen de Verenigde Staten en afzonderlijke landen te sluiten. Die zijn erg slecht, want ze schermen de markt af voor derden en zijn een stap terug in de tijd. Bush maakt onderscheid tussen wie wel en wie niet zijn vrienden zijn. Het risico is echter dat Europa in het gat springt en bilaterale handelsverdragen gaat sluiten.”

U pleit, in het belang van arme landen, voor het democratiseren van internationale instituties. Mensen als Amartya Sen en Jagdish Bhagwati denken dat globalisering succesvoller is als het nationale sociale beleid van de arme landen verbetert. Waar zitten de verschillen?
“Sen concentreert zich op het verbeteren van kansen voor mensen door te investeren in onderwijs en gezondheidszorg. Daar ben ik het mee eens. Zijn nadruk op goede nationale politiek is complementair aan mijn opvattingen over verbetering van het globaliseringsproces. De globalisering in zijn huidige vorm heeft allerlei negatieve gevolgen voor arme landen. Het verschil tussen ons beide is dat Sen een normatieve stelling formuleert en geen politiek-economische analyse maakt.

Bhagwati is een ander verhaal. We zijn het erover eens dat het te snel liberaliseren van de kapitaalmarkt niet goed is. Ook zijn we het eens over aanpassing van de wijze waarop we met intellectueel eigendom omgaan. Grote bedrijven in Europa en de Verenigde Staten willen hun belangen, hun technologische kennis, beschermen ten koste van ontwikkelingslanden. Maar ik ben het met hem oneens als het gaat over het effect van vrijhandel. Volgens Bhagwati leidt meer handel en het liberaliseren van markten tot meer economische groei. Daarvoor is geen bewijs. Volgens mij hebben de nationale overheid een rol te spelen bij het bepalen van de mate van liberalisering van markten. Nu is het zo dat multinationals de natuurlijke hulpbronnen van een land gebruiken en vervolgens vertrekken. Voor de schade die zij aanrichten zijn ze nu niet aansprakelijk te stellen. Dat moet veranderen.”

Daarom komt u met veel voorstellen om het proces van globalisering in betere banen te leiden. Met welke stap moeten we beginnen?
“Je hoeft niet alles tegelijk te doen om de wereld een beetje beter te maken. Ik had mijn boek misschien Making globalization work better moeten noemen. Het zijn vaak maar een paar mensen die het hele systeem verpesten. Kijk naar de katoenboeren. Ongeveer 25.000 erg rijke Amerikaanse katoenboeren krijgen drie tot vier miljard aan subsidies. Daarmee verzieken ze de markt en beschadigen ze ongeveer tien miljoen boeren in Afrika. Bij veel hervormingen zijn we allemaal beter af, op een paar hele rijke mensen na. Dat geldt ook voor de aanpak van klimaatverandering. Sommige dingen doen we al. Een mooi voorbeeld is dat we meebetalen aan het behoud van het regenwoud. Er komen steeds meer goede banken en maatschappelijke organisaties die duurzaam investeren.”

 Protestbewegingen zijn tegen globalisering. Vele politici in rijke landen, zowel van links als rechts, keren zich tegen internationalisering. Links vreest de gevolgen voor werk en inkomens en rechts wil de belangen van het eigen bedrijfsleven beschermen. Waarom bent u zo optimistisch over de mogelijkheden tot veranderingen in de internationale politiek?
“Critici hebben gelijk als ze zeggen dat globalisering vooral veel nadelen heeft. Als er niks verandert, kan globalisering maar beter stoppen, dat klopt. Maar niemand heeft er bezwaar tegen als we globalisering beter laten werken, als globalisering helpt bij de bestrijding van armoede en het beheersen van de klimaatverandering. Mensen zijn echter pessimistisch over de mogelijkheden om de globalisering bij te sturen in de goede richting. Ik ben optimistisch omdat ik het de goede kant op zie gaan. Ten eerste is de dynamiek veranderd. Vroeger bepaalden de rijke landen de agenda, nu staan ontwikkelingslanden sterker en bijten van zich af. De maatschappelijke organisaties worden professioneler en bouwen steeds meer kennis op over de effecten van globalisering.

Mijn tweede punt betreft het aantal verliezers. Het gaat erom dat we de effecten van slecht beleid zichtbaar maken. Neem bijvoorbeeld de subsidie die Bush gaf aan de staalindustrie. Die kostten meer banen dan dat ze opleverden. Bush liet daarom de staalsubsidies vallen bij de presidentsverkiezingen van 2004. Net als bij de katoensubsidies gaat het om enkele profiteurs en vele verliezers. We moeten de verliezers beter beschermen en politiek beter organiseren. Laten we beginnen met hervormingen die landen zelf kunnen doen. Veel schadelijke subsidies zijn om budgettaire redenen niet houdbaar. Dat geldt bijvoorbeeld voor de Europese landbouwsubsidies. Europa weet dat die met de nieuw toegetreden landen niet betaalbaar zijn. Het gaat om geld dat slecht besteed wordt. Dat is een sterke stimulans om beleid te veranderen”.

Waar zou Europa moeten beginnen?
“In de Verenigde Staten gaat het grootste deel van de landbouwsubsidies naar de rijkste boeren. Eén procent van de boeren krijgt maar liefst 25 procent van het totale budget. Mijn voorstel is om te beginnen boeren die meer dan 100.000 dollar winst maken geen subsidie meer te geven. En aan de boeren met een lager inkomen moeten we nog maar maximaal 100.000 dollar geven. Zo zou Europa ook kunnen beginnen.”

Literatuur:

- Joseph Stiglitz: Eerlijke globalisering, Het Spectrum, 2006; 19,95 euro.

Gerelateerde artikelen