12 minuten

Groei van geluk

We weten steeds meer over wat ons gelukkig maakt. Dat biedt betere aanknopingspunten voor beleid dan een discussie over de hoogte van de economische groei.

De toename van het Bruto Nationaal Product als maatstaf voor vooruitgang heeft altijd ter discussie gestaan. Een discussie die de laatste jaren weer opleeft. Hoogleraar economie Van den Bergh schreef in 2005 een artikel in het economenblad ESB met de titel BNP weg ermee! en de OESO stelde onlangs (in de publicatie Going for Growth) dat naast het BNP andere indicatoren geplaatst moeten worden, bijvoorbeeld om de baten van vrije tijd en de inkomensverdeling in beeld te krijgen. Het Innovatieplatform van premier Balkenende droomde in haar toekomstvisie over een land waar “Geluk naast economische groei een belangrijke graadmeter is voor de ontwikkeling van de samenleving” (2005). In het Verenigd Koninkrijk is het de conservatieve leider David Cameron die de politieke discussie leidt: “We should be thinking not just what is good for putting money in people's pockets but what is good for putting joy in people's hearts”. En in het vorige nummer van de Helling (3-2006) stelde Bram van der Lek, oud-PSP parlementariër, dat die groei ons niets oplevert maar wel ons milieu verziekt. Hij pleitte daarom voor een economie zonder groei.

Het BNP is wel eens vergeleken met een rekenmachine die kan optellen maar niet kan aftrekken. Een milieuramp wordt niet afgetrokken, het opruimen ervan wel opgeteld. Hetzelfde geldt voor het onderhouden van een omvangrijke gevangenispopulatie. Er zijn de afgelopen decennia tal van alternatieve indicatoren ontwikkeld die rekening houden met de duurzaamheid en/of sociale aspecten van de groei en meer recentelijk is er ook aandacht voor de welzijns- of geluksbeleving van mensen.

Critici van groei als Van der Lek vallen in dezelfde valkuil als de mensen die economische groei heilig verklaren. Beiden stellen namelijk een getal centraal en dat is niet waar het eigenlijk om moet gaan. Het zou moeten gaan over duurzaamheid en welzijn. Juist duurzame economische activiteiten hebben een mooie toekomst en kunnen een bijdrage leveren aan groei. Een groeiende economie kan goed samen gaan met tevreden werknemers en consumenten, en zo bijdragen aan het welzijn. In plaats van te pleiten voor nulgroei is het daarom zinvoller om na te denken over de manier waarop we duurzaam en geluksverhogend economisch handelen kunnen stimuleren. Wat daarvan de gevolgen op korte of lange termijn zullen zijn voor de economische groei valt met weinig zekerheid te zeggen, het maakt de groei als streefcijfer gewoonweg minder relevant. Niet de kwantiteit, maar de kwaliteit telt.

Masseur

Ons milieugebruik is verre van duurzaam. Volgens de maat van de ecologische voetafdruk staat Nederland voor de uitdaging haar milieubeslag met 60 procent te verkleinen. Dat kan, ook in combinatie met een toename van het BNP. Steeds meer economische waarde wordt gegenereerd met een fractie van het energie- en materiaalgebruik van voorheen. Dat zien we terug in de stormachtige groei van de dienstensector. Onze economie bestaat voor 70 procent uit dergelijke producten ‘die je niet op je voet kan laten vallen’. Dat zijn de bekende conducteurs en plantsoenmedewerkers, maar ook de whizzkids die op basis van ondoorgrondelijke algoritmes ons financieel risico spreiden, de ontwerpers van websites, de begeleiders in de crèche, de masseur, de mental coach en alle nu nog onvoorstelbare vormen van dienstverlening, tot de in Hollywood voor velen al onmisbare personal shopping assistant aan toe.

Maar ook de industrie is niet meer de rokende en materiaal verslindende fabriek. Deze verdient bijvoorbeeld geld door de dingen alsmaar kleiner te maken. Neem de nieuwste iPod, zo groot als een knoop, maar wel ruimte voor 250 nummers. Denk ook aan nieuwe en betere medicijnen voor de groeimarkt van gezondheid. Het Leidse biotechbedrijf Crucell richt zich op het ontwikkelen van vaccins tegen onder meer tuberculose, griep, hiv, malaria, ebola en miltvuur. IBM verdient elk jaar meer dan 1 miljard dollar aan de verkoop van haar ‘intellectueel kapitaal’, het recht op gebruik van de kennis die de onderzoekers van het bedrijf jaarlijks genereren. In de kenniseconomie wordt geld verdiend met de kennis en creativiteit van de werknemers.

Beleving

Ondertussen lijkt de diensten- en kenniseconomie overigens alweer een gepasseerd station. De echte winsten vallen te behalen in de belevingseconomie. Daarin concurreren bedrijven door te voorzien in de behoefte aan verhalen, door de waarden die ze uitdragen of de gemeenschap om het bedrijf heen. Dat gaat van het biologische streekkaasje tot de Olympische idealen die Nike uitdraagt. De economie wordt daarmee persoonlijker dan ooit tevoren. Sommigen spreken van de zingevingseconomie. Bedrijven moeten ergens voor staan, en daar bovendien ook echt naar leven.

Mensen zijn bereid te betalen voor beleving en zingeving zoals blijkt uit het prijsverschil van een factor 10 tussen een jurk van H&M en een jurk van Gucci. In feite een vertienvoudiging van de economie, met een milieubeslag van evenveel stof en slechts een hippe ontwerper en een slimme marketeer in een Florentijns kantoor erbij. Illustratief is ook de uitspraak van voormalig Coca Cola baas Goizueta dat als “morgen alle fabrieken en faciliteiten” van zijn bedrijf zouden verbranden, dit de waarde van zijn bedrijf nauwelijks zou raken. Die bestaat namelijk uit de merken en de kennis van de medewerkers.

De toename van de ‘immateriële waarde’ wordt ook zichtbaar bij overnames. Waar het overnamebedrag vroeger vooral een optelsom was van de waarde van machines en gebouwen met een kleine opslag onder de noemer goodwill, wordt dit laatste steeds dominanter. Zo is van de 57 miljard dollar die Procter & Gamble in 2005 op tafel legde voor de overname van Gillette naar schatting 97 procent voor de goodwill.

Na de landbouw en industriële economie zien we een economie opkomen waar de belangrijkste ‘grondstof’ niet land of kapitaal is, maar de mens zelf, zijn arbeid, netwerk, kennis, creativiteit en denkkracht. Zie ook de ontwikkeling van Philips: van een industriële lampenfabriek naar een divers technologieconcern naar een gezondheids- en lifestyle concern.  

Geluk

Economische groei met een kleiner beslag op de leefomgeving lijkt goed mogelijk. Het gebeurt, en steeds meer. De Milieubalans 2006 van het NMP laat een ontkoppeling zien van de economische groei en de milieudruk. Maar duurzame groei zien we niet op alle terreinen. In de mobiliteit is de sky heel letterlijk the limit. Amerikanen maken inmiddels meer kilometers per vliegtuig dan per auto. Naast de Toyota Prius die 1 op 23 rijdt, staat de Hummer met een verbruik van 1 op 7. En dan hebben we het nog niet over de droom van menigeen om een eigen privéjet te hebben of om op vakantie te gaan naar het ruimtestation MIR.

Duurzaamheid is dan ook zeker niet vanzelfsprekend. Dat neemt niet weg dat er mogelijkheden te over zijn voor schone groei. Nulgroei is dus niet de kwestie. Het terugdringen van de milieubelasting is dat wel. Omdat de noodzaak hiertoe al snel op vele plaatsen in de wereld gevoeld zal worden is dit ook een geweldige kans voor ons land. Een snelle omschakeling naar een duurzame kenniseconomie zal zich vertalen in extra (schone) groei in de toekomst. Veel geld verdienen en tegelijkertijd het milieu ontlasten, kan dus samengaan. Dan blijft de vraag: moet je veel geld willen verdienen?

Ook die vraag leidt tot heftige discussies. Voor een antwoord kunnen we profiteren van inzichten uit het explosief toenemende onderzoek naar geluk. In de afgelopen decennia zijn over heel de wereld metingen verricht naar de geluksbeleving. Simpelweg door er naar te vragen. De verkregen antwoorden blijken consistent en in hoge mate voorspelbaar.

Uit deze gegevens blijkt dat er in rijke, westerse landen niet of nauwelijks nog een relatie bestaat tussen het inkomen en het geluk. De volkswijsheid dat ‘geld niet gelukkig maakt’ vindt zo steeds meer empirische onderbouwing, meer geld draagt in ieder geval steeds minder bij aan ons geluk. De Engelse econoom Layard wijst er in zijn boek Happiness op dat de tevredenheid van mensen over het eigen inkomen sterk afhangt van het inkomen van de buurman. Het is daardoor vooral het relatieve inkomen dat telt. We bevinden ons volgens Layard in een ‘hedonistische tredmolen’, harder groeien brengt ons nergens omdat het inkomen van de buurman net zo hard groeit. Het is zelfs nog erger, want het blijkt dat achterop raken ons geluk erger aantast dan dat het toeneemt door voorop te lopen. Bovendien gaat de lange werkweek ten koste van ons gezin en onze vrienden, terwijl juist dat de voornaamste bron van geluk blijkt te zijn. De beleidsaanbeveling van Layard laat zich raden: stop die molen, strooi zand in de groeimachine, bijvoorbeeld door hoge en zeer progressieve belastingen. Een recept dat dicht in de buurt komt van een pleidooi voor nulgroei.

Werk

Ruut Veenhoven, de Rotterdamse professor in de ‘sociale condities voor het menselijk geluk’, komt tot een andere conclusie. Hij benadrukt weliswaar ook dat zaken als gezondheid, huwelijk, goede overheid, werk, vrienden, directe democratie, tolerantie en vertrouwen voor het menselijk geluk van minstens zo veel belang zijn als het inkomen; en hij legt bovendien veel nadruk op de vrijheid: persoonlijk, politiek en economisch. Maar deze zaken hangen wel positief samen met economische groei. Zo stelt economisch historicus Benjamin Friedman dat tolerantie, zorg voor zwakkeren, democratie en persoonlijke vrijheid in een samenleving vooral opbloeien in tijden van economische voorspoed. Ook aan de snel voortschrijdende ontwikkelingen in de gezondheidszorg hangt een prijskaartje. Veenhoven stelt dan ook dat in een welvarende economie als de onze, deelname aan het economisch verkeer naast een bron van inkomsten ook een manier is om deel te nemen aan het sociale verkeer, om nieuwe dingen uit te proberen en grenzen te verleggen. Economie als een spel waarin mensen zich kunnen ontplooien. Hij wordt in deze visie gesteund door het feit dat hij geen invloed vindt van sociale zekerheid en inkomensgelijkheid op het geluk.

Dit mensbeeld sluit goed aan bij het beeld van de nieuwe generatie hoogopgeleide werknemers, ook wel aangeduid als de creative class of hackers cultuur. Auteurs als Florida, Leadbeater en Himanen benadrukken dat het voor deze jonge professionals, naast de noodzakelijke survival, toch vooral draait om passie, gedrevenheid en een stimulerende sociale omgeving. Tegelijkertijd zijn deze hoogopgeleide en creatieve jongeren wel de goudhaantjes van de kennis- en belevingseconomie die elke zichzelf respecterende gemeente probeert binnen haar grenzen te krijgen. In zijn invloedrijke boek the Creative Class stelt Florida namelijk dat de bedrijven dan vanzelf volgen.

Verlangens

Als mensen hun geluk in het werk vinden is economische groei niet meer dan een bijproduct van het streven naar geluk. Om het nog ingewikkelder te maken, het blijkt dat positieve en gelukkige mensen ook een hoger inkomen hebben (en dus meer bijdragen aan de economische groei) in plaats van andersom. Bovendien is in een kenniseconomie de geestelijke gezondheid van deze kenniswerkers, de toestand van het ‘mentaal kapitaal’, van doorslaggevend belang. Ongelukkige mensen blijken weinig productief. Meer aandacht voor hun geestelijke gezondheid kan dus ook tot meer economische groei leiden. Al kunnen maatregelen om dit te vergroten juist liggen in een lagere werkdruk.

Natuurlijk is dit maar een deel van het verhaal. Naast de gedreven workaholic staat een grote groep die liever kiest voor meer vrije tijd. Sterker nog, dat doet de gemiddelde Europeaan allang. Waar de gemiddelde Nederlandse werknemer per uur meer verdient dan de Amerikaanse, ligt het gemiddelde inkomen in de VS ruim een kwart hoger. Simpelweg doordat ze fors meer uren werken.

Als mensen gelukkig worden van vrije tijd dan is dat natuurlijk prima. Maar als een gelukkigere beroepsbevolking leidt tot meer (schone) groei dan is daar ook niks mis mee. Ook hier is dus de conclusie dat nulgroei niet noodzakelijkerwijze zal leiden tot meer welzijn. En ook hier blijkt een betere indicator beschikbaar, namelijk de daadwerkelijke, subjectieve geluksbeleving van mensen.

Nulgroei zal het milieuprobleem niet oplossen en de gevolgen voor het geluk in de samenleving zijn onduidelijk. Dat laat onverlet dat Bram van der Lek de twee misschien wel meest heikele kwesties van deze tijd adresseert: de onhoudbare milieubelasting en het feit dat al die economische groei ons de afgelopen decennia niet veel heeft opgeleverd in termen van geluk. Deze combinatie roept het beeld op van een ongekende verspilling van grondstoffen, energie, tijd, inspanning en creativiteit.

Dit is echter geen onontkoombare gang van zaken. Een schone economie is mogelijk. En ook deze schone economie kan groeien, juist door in te spelen op de verlangens naar beleving, zingeving en ontplooiing van werknemers en consumenten. Dat biedt volop mogelijkheden om ook het geluk in de samenleving te doen toenemen.

Uitweg

Voor het antwoord op de vraag ‘Hoe de economie te vergroenen?’ kan ik volstaan met te verwijzen naar het GroenLinks-verkiezingsprogramma. Helaas is een dergelijke verwijzing nog niet mogelijk voor het beleid dat het best bijdraagt aan het geluk in de samenleving. Enerzijds begrijpelijk omdat er nog veel te ontdekken valt binnen deze jonge, multidisciplinaire ‘wetenschap van geluk’. Wat vooral mist is een programma waarmee de kennis de kans krijgt zich verder te ontwikkelen en ook in beleid kan worden toegepast. Er is langdurig panelonderzoek nodig om causaliteiten vast te kunnen stellen en op dit moment ontbreekt vrijwel geheel de dialoog tussen onderzoek en beleid. Om de intellectuele kracht en kwaliteit te mobiliseren, is het voor alles nodig dat beleidsmakers het terrein serieus nemen en betrekken bij de beleidsvoorbereiding.

Dit gebeurt nu heel voorzichtig, rondom bijvoorbeeld het ‘gevoel van veiligheid’ door het ministerie van Justitie. Maar vrijwel alle beleidsterreinen lenen zich hiervoor. Denk aan het beoordelen van de kwaliteit in de zorg, beslissingen over infrastructuur, sociale zekerheid enz. Een zorginstelling voor ouderen kwam er bijvoorbeeld achter dat voor het geluk van de ouderen niet zozeer de zorg zelf bepalend is als wel dat de ouderen het gevoel hebben gewaardeerd te worden en een zinvol bestaan te leiden. Daarmee verbreed je het speelveld van de zorginstelling, de manier waarop ze aan het geluk van haar patiënten kan werken. Wat kunnen we bijvoorbeeld leren van geluksonderzoek voor de discussie over de versoepeling van het ontslagrecht? Waar de een behoefte heeft aan zekerheid is de ander juist gediend bij meer uitdaging. Hier ligt een enorm kennisterrein braak. En wie weet, een uitweg uit de impasse. Niet omdat er dan geen lastige politieke keuzes meer gemaakt hoeven te worden, maar wel omdat deze dan op basis van betere informatie gemaakt kunnen worden.

Nederland zou een voorbeeld kunnen nemen de Engelse overheid die zojuist het project ‘mental capital and wellbeing’ is gestart. Dit heeft als doel om op een wetenschappelijke manier tot beleid te komen dat het mentale kapitaal en welzijn kan vergroten. Alleen door dergelijk onderzoek komen we erachter welke activiteiten van overheid en bedrijfsleven echt bijdragen aan ons geluk. De overheid kan mensen niet gelukkig maken, maar is net als het bedrijfsleven wel een belangrijke factor. Dat schept verplichtingen.

Literatuur:

- Van den Bergh, BNP weg ermee!, in ESB, 18 november 2005.
- Ferrer en Frijters How important is methodology for the estimates of the determinants of happiness?, in: The Economic Journal, 2004.
- Friedman, The moral consequences of economic growth, 2005.
- Layard, Happiness, 2005.
- Nijs, Imagineering, 2002.
- Pine en Gilmore, De beleveniseconomie, 1999.
- Ter Borg, De zingevingseconomie, 2003.
- UK Foresight, http://www.foresight.gov.uk/Mental_Capital/Index.html.
- Veenhoven, http://worlddatabaseofhappiness.eur.nl.
- Weehuizen, Mentaal kapitaal, 2006.

Gerelateerde artikelen