8 minuten

GroenLinks en de gemeenschap

Over de grenzen van het individu

Emancipatie is bij GroenLinks geworteld in de individuele autonomie van de mens. Het resultaat is echter een samenleving van losse individuen zonder samenhang, met alle problemen van dien. Maar het dilemma van individu en gemeenschap dat hieruit voortvloeit, gaat GroenLinks uit de weg.

‘Gemeenschap’ is een van de centrale noties die aan de orde komen in de onlangs verschenen bundel Onszelf voorbij: over de grenzen van verbondenheid, samengesteld onder redactie van Joris Verheijen en Jonneke Bekkenkamp. Het begrip (en de praktische uitwerking ervan) wordt op vele manieren benaderd en al snel wordt duidelijk door hoeveel paradoxen het omgeven wordt. Bij de uitwerking van een van die paradoxen speelt het denken van GroenLinks een hoofdrol. In haar artikel ‘Geloven in de politiek. Een analyse van het vocabulaire van Groen Links’ legt Jonneke Bekkenkamp de vinger op een paar blinde vlekken in het GroenLinkse denken, precies waar het de ongemakkelijke status van het begrip ‘gemeenschap’ betreft.

Individu eerst

Zich baserend op een groot aantal programmatische teksten van GroenLinks en discussiebijdragen op het internetforum van de partij, is Bekkenkamp nagegaan welke woorden in het discours daarvan in het afgelopen anderhalve decennium een hoofdrol hebben gespeeld. Met behulp van technieken die ontwikkeld werden door Edgar Meij en Maarten de Rijke, onderzoekers aan het Instituut voor Informatica van de Universiteit van Amsterdam, stelde zij vervolgens ‘woordwolken’ samen waarin de belangrijkste termen werden samengebracht.

Door deze in corpgrootte te laten variëren, al naar gelang de frequentie waarmee de betreffende termen werden gebruikt, kon in één oogopslag zichtbaar worden gemaakt wat de dominante concepten daarbinnen zijn (geweest), hoe zij onderling samenhangen welke verschuivingen er in het denken van de partij hebben plaatsgevonden. Kijkt men naar de wijze waarop het begrip ‘gemeenschap’ daarin ter sprake komt, dan ziet men een scherp antagonisme optreden tussen de ideeën van het ‘wij’ en van het ‘ik’.

Vreemd is dat niet. De moeizame verhouding tussen deze beide begrippen is één van de belangrijkste paradoxen van de idee ‘gemeenschap’ in het algemeen. Want hoe men zich zo’n ‘wij’ ook voorstelt, het zal altijd tot op zekere hoogte ten koste gaan van de autonomie van het ‘ik’. En juist die individuele autonomie blijkt een zeer belangrijke pijler van het denken van GroenLinks. Geheel in overeenstemming met de tijdgeest heeft deze partij in het afgelopen decennium niet alleen het liberalisme maar ook het individualisme omarmd. Het mensbeeld waaraan zij zich spiegelt is dat van de persoon die allereerst zichzelf is om zich pas vervolgens te begeven in sociale verbanden waarin het woord ‘wij’ zin zou kunnen krijgen.

Daarmee laat GroenLinks zien een door en door modern denken te omarmen - wat niet niet zonder problemen is. Het moderne denken over de mens kenmerkt zich immers - sinds pakweg de zeventiende eeuw, en misschien al eerder - door het feit dat het het ‘ik’ aan de basis van alles legt: kentheoretisch (denk aan Descartes cogito), metafysisch, moreel. politiek, etcetera. Het individu er er eerst, pas dan zijn er de anderen.

Het is echter zeer de vraag of deze visie op iets anders steunt dan een louter ideologisch wensdenken. Wie naar het concerte menselijke leven kijkt, ziet immers een heel ander beeld naar voren komen. Wie zou, om te beginnen, ooit op de gedachte kunnen komen dat een kind geheel vanuit zichzelf geboren zou worden, en dat daar pas vervolgens andere mensen (zoals een moeder en een vader, om maar iets te noemen) aan te pas zouden kunnen komen? En als we kijken naar de voorwaarden van ons bestaan op ieder willekeurig moment van ons leven, valt het idee dat het ‘ik’ de bron en basis van alles zou zijn al even moeilijk vol te houden. Wat ik ben, ben ik niet alleen op grond van wat ik zelf van mij gemaakt heb, maar minstens evenzeer dankzij datgene waartoe anderen mij hebben bestemd. De individuele autonomie speelt daarin wel een rol, maar slechts één temidden van andere, en waarschijnlijk niet eens als de belangrijkste.

Droom en feit

De antropologische misvattingen van het liberaal individualisme wreken zich in het denken van GroenLinks op een paar opvallende manieren, zo stelt Jonneke Bekkenkamp vast. Het is veelzeggend dat het slechts een ‘wij’ wenst te erkennen dat uitdrukkelijk door het ‘ik’ gekozen wordt. Elke gemeenschap is dus altijd iets dat door de vrije wil van het individu gemaakt is, al was het maar omdát het gekozen is - zo zouden we mèt de existentialistische Jean-Paul Sartre kunnen zeggen. Het was dan ook te verwachten dat die laatste er nooit werkelijk in geslaagd is zijn vroege existentie-denken met zijn latere (marxistische) gemeenschapsdenken te verbinden. Wie de visie van de vroegere Sartre doordenkt, stoot verrassend genoeg op een mensvisie die niet alleen opmerkelijk goed spoort met het liberalisme, maar in dat opzicht zelfs kan gelden als de bekroning van een moderniteit die zich om enig post-modern inzicht nog niet hoefde te bekreunen.

Maar zover hoeven we het niet eens te zoeken. Opnieuw volstaat een simpele blik op de wereld om te kunnen vaststellen dat de realiteitswaarde van een dergelijk uitgangspunt op zijn zachtst gezegd nogal gering is. De meeste sociale verbanden waarin wij verkeren hebben we niet gemaakt en vaak zelfs niet eens gekozen. Opnieuw geldt dat voor het primaire verband waarin wij ter wereld komen, dat van het gezin, op wel heel zichtbare wijze, maar ook bij het lidmaatschap van de andere verbanden waarin we onszelf later terugvinden spelen druk of raad van anderen, onwillekeurigheid en zelfs toeval gewoonlijk een veel grotere rol dan die van de bewuste individuele keuze.

In het moderne, GroenLinkse denken over ‘gemeenschap’ blijken droom en feit dus nogal hard op elkaar te botsen. Begrijpelijk is dat wel. GroenLinks beschouwt zich als een emancipatiepartij en vandaag de dag slagen we er zo langzamerhand nauwelijks nog in dit begrip anders te kunnen zien dan als een uiting van individuele zelfbestemming.

Zo sympathiek als de emancipatiegedachte in de afgelopen anderhalve eeuw ook mag hebben uitgepakt (van katholieken via arbeiders tot vrouwen), zo problematisch blijkt echter deze oriëntatie van dat begrip te zijn. Als het voor de emancipatie van al deze groepen nodig was aan te knopen bij de individuele autonomie van de mens, moet je niet verbaasd zijn wanneer aan het eind van dat proces de samenleving inderdaad niet meer is dan een optelsom van dergelijke autonome enkelingen en - om de beruchte woorden van Margaret Thatcher nog maar eens aan te halen - there is no such thing as society.  Althans: not any more...

Dat dilemma - zo laat Jonneke Bekkenkamp zien - gaat het denken van GroenLinks liever uit de weg. Wanneer het individualisering uitdrukkelijk laat voorafgaan aan gemeenschapszin, dan wordt de vraag naar de ontaarding van individualisering in individualisme (en in het verlengde daarvan de nu zo heikele vragen van graaizucht, hufterigheid en een rechtendiscours dat tegelijk van plichten niets weten wil) heel prangend.

Maar een antwoord op die vraag blijkt Bekkenkamp in de door haar onderzochte teksten van GroenLinks niet te hebben gevonden. Wel een semantische strategie waarin het probleem eenvoudig wordt weggedefinieerd. ‘Individualisering is altijd goed. De ‘schaduwzijde’ daarvan wordt [door Groen Links] incidenteel aangeduid met ‘individualisme’, zo schrijft ze. Zo blijken de groenlinkse partij-ideologen onverwacht goede leerlingen van het scholastieke adagium dat je bij onoplosbare problemen altijd een uitweg kunt vinden door in het vocabularium simpelweg een nieuwe onderscheiding aan te brengen.

Leren van religie

Zo ‘middeleeuws’ als GroenLinks op dit punt dus blijkt te zijn, zo krampachtig ‘modern’ betoont de partij zich zich dan weer wanneer het vraagstuk van de religie ter sprake komt. De verlichte emancipatietraditie waarop GroenLinks zich beroept kan met een zo ‘onverlicht’ verschijnsel als religie immers moeilijk uit de voeten. Maar ook dit modernisme is volgens Bekkenkamp niet zonder problemen. Want juist de godsdienst is van oudsher de modus geweest waarin zich het altijd enigszins onvatbare raadsel van de gemeenschap heeft uitgedrukt. Het onvermogen van GroenLinks het ‘wij’ het gewicht te verlenen dat het verdient zou dan ook wel eens kunnen samenhangen met de antireligieuze reflex die de partij inmiddels is gaan vertonen, zo concludeert zij voorzichtig.

Een nieuwe beschouwing op de oorsprong van de partij, die immers in een aantal van haar bloedgroepen expliciet op religieus georiënteerde partijen teruggaat, zou volgens Bekkenkamp een uitweg kunnen bieden uit de paradox waarin zij nu gevangen zit. Enerzijds wijst zij het individualisme waarin ‘de ander’ nooit meer in zicht komt immers resoluut af. Maar anderzijds is ze te benauwd voor de veronderstelde ‘totaliserende’ tendensen van het gemeenschapsdenken om individualiteit voor de individualistische verleiding te behoeden.

‘Met de uitgesproken keuze voor het individu en het geloof in een open samenleving [...] wekt GroenLinks op zijn minst de schijn ons op te roepen aan onszelf voorbij te gaan zonder eerste de nodige gemeenschapszin te cultiveren,’ zo concludeert Bekkenkamp aan het slot van haar bijdrage. Het onlangs verschenen essay Religie voor atheïsten van Alain de Botton maakt volgens haar duidelijk ‘wat op dat punt nog te leren valt van religies’. Zij geven immers op onversneden wijze uitdrukking aan ‘de behoefte om, ondanks onze diepgewortelde egoïstische en gewelddadige neigingen, op harmonieuze wijze in gemeenschappen te samen te leven,’ zo citeert ze de Botton. Om daar onmiddellijk ontnuchterend met de woorden van diezelfde de Botton aan toe te voegen: ‘en van religies leren we ook “dat een goede gemeenschap inziet hoeveel er in ons schuilt dat eigenlijk niets van een gemeenschap weten wil.”’

Joris Verheijen en Jonneke Bekkenkamp (red.), Onszelf voorbij. Over de grenzen van verbondenheid. Uitg. Parthenon, Almere, 2011.

Het artikel van Jonneke Bekkenkamp is te lezen op www.bureaudehelling.nl/artikel-tijdschrift/geloven-in-politiek.

Deze beschouwing vormt een onderdeel van de toespraak waarmee dit boek op 1 september j.l. in de Amsterdamse Corvershof werd gepresenteerd. Terwille van dit stuk werd de tekst herschreven en aangevuld.

Gerelateerde artikelen