14 minuten

Halsema's vrijheid

Het moet moralistischer

Halsema heeft geprobeerd om het vrijheidsideaal terug te winnen voor links, maar zij heeft daarbij te weinig beseft dat vrijheid ook een duistere zelfkant heeft. Er is een morele invulling nodig van het goede leven waartoe de vrijheid moeten leiden. Pleidooi voor een vrijzinnig paternalisme.

Het is nog steeds onwennig om over haar te spreken in de verleden tijd, maar Femke Halsema ‘was’ GroenLinks (gelukkig is er nog een leven na de politiek). Zij viel als ‘politiek merk’ niet alleen samen met, maar was ook populairder dan de politieke vereniging die zij tot december vorig jaar leidde. Ook GroenLinks kiezers stemmen namelijk liever op een persoon dan op een partij. Als debater was ze in en buiten de Kamer onovertroffen en gevreesd. Als een van de schaarse intellectuelen in de politiek, die boeken las en er tijdens haar leiderschap zelf een drietal schreef, belichaamde zij het zeldzame verbond tussen passie en intelligentie dat de politiek tot een waarlijk hoog ambacht maakt. Ze was leidend in de ideeënvorming van haar partij, moedig in de verdediging van de vrijzinnigheid tegenover het nieuwe conservatisme, en trefzeker in haar beheersing van het politieke spel met al zijn lagen en listen. Zo dwong Halsema respect af voor het métier door het ‘met trots, zwier en ernst’ te hanteren – zoals de Nijmeegse historicus Remieg Aerts de ideale politicus karakteriseert.

Maar de politiek is ook een kermis der ijdelheid, zeker voor iemand die naar eigen zeggen altijd ‘dwars en behaagzuchtig’ is geweest. De huidige dramademocratie bombardeert leidende politici onvermijdelijk tot tv-celebrities, wier leven door macht en roem en dus door een permanente achtervolging van het journaille wordt getekend. De onbetwiste twitterkoningin van Den Haag zag er niet tegenop om haar leven te delen met honderdduizend anderen. Robert Oey, maker van de film De leugen over de uitburgering van Ayaan Hirsi Ali en de val van Rita Verdonk (een gebeurtenis waarin zijn partner Femke Halsema een belangrijk aandeel had), zegt over de beweegredenen van politici: “Als de maskers af zijn hoop ik dat zichtbaar wordt dat politici mensen zijn die meer nog dan anderen gelijk hopen te hebben en te krijgen, en vooral azen op liefde. Iedereen moet van ze houden, telkens opnieuw. Dat geldt voor Ayaan, Rita en ja, dat geldt ook voor Femke”. (NRC Handelsblad 3.9.10).

Vrijzinnig links

De betekenis van Halsema als prominent ideeënpolitica kan niet goed worden begrepen los van het politieke kantelmoment 2002 en de jaren van harde politieke polarisatie die erop volgden. Haar leiderschap was een direct gevolg van het terugtreden van Paul Rosenmöller in de nasleep van de moord op Fortuyn. Net als Wouter Bos en Alexander Pechtold behoorde zij tot een nieuwe generatie progressieve politici, die (samen met veteraan Jan Marijnissen) de eerste klappen opvingen van de populistische doorbraak. Halsema was daarbij beter uitgerust en sterker gemotiveerd om een ideologische vernieuwing in te zetten die een antwoord kon zijn op de nieuwe uitdaging van rechts. Zij kon daarbij teruggrijpen op het ideaal van de ‘sociale vrijheid’ dat bij het ontstaan van GroenLinks in 1990 was geformuleerd. Maar Halsema gaf er een unieke vrijzinnige wending aan die GroenLinks, naast het D66 van Pechtold, in positie bracht als de meest uitgesproken tegenpool van de nationaal-populistische partijen van Fortuyn, Verdonk en Wilders.

Het sleutelstuk van die wending is ‘Vrijzinnig links’, dat in 2004 verscheen in het zomernummer van De Helling. Eerder had Halsema GroenLinks al stout aangeduid als ‘de laatste linksliberale partij’, maar vanwege misverstanden rond de term (sociaal-)liberalisme switchte zij spoedig naar etiketten als vrijzinnigheid en sociaal-individualisme. Rosenmöller had in 1997 nog kritiek geoefend op de ‘eenzijdige oriëntatie op het autonome individu’ en vond dat de individualisering deels te ver was doorgeschoten: die moest geen ‘vrijbrief zijn voor egoïsme of onverschilligheid voor de sociale omgeving’. Tegenover dit ‘gesloten’ individualisme plaatste hij een ‘open’ individualisme waarin men ‘aanspreekbaar was op het rekening houden met anderen’ – als dit maar niet op een paternalistische manier gebeurde. 

Halsema greep daarentegen enthousiaster terug op de verworvenheden van de jaren zestig en zeventig en pleitte voor verdergaande emancipatie en een ruimere keuzevrijheid, vanuit de gedachte dat ‘de belofte van de individualisering’ nog lang niet was ingelost. Zij gaf deze opvatting ook vorm in een vrijzinnige visie op de arbeidsmarkt en de sociale politiek in het samen met Ineke van Gent geschreven manifest Vrijheid eerlijk delen (2005). Dit kwam haar niet alleen te staan op de titel ‘Liberaal van het Jaar’, toegekend door de VVD-jongeren, maar ook op verwijten van verrechtsing en neoliberalisme in eigen kring, geuit door de socialisten van Kritisch GroenLinks en de gemeenschapsdenkers van De Linker Wang.

Opvallend was ook de reactie van de conservatieve socioloog J.A.A. Van Doorn, die ‘Vrijzinnig links’ niet alleen te abstract en te weinig pamflettistisch vond, maar ook vreesde dat Halsema met haar initiatief te vroeg kwam. De tijdgeest zat haar tegen. Volgens hem stonden we pas aan het begin van een omwenteling waarin rechts het voor het zeggen kreeg en links simpelweg buiten de orde was: ‘De zuigkracht van het conservatieve liberalisme is momenteel te krachtig om kritische tegengeluiden, laat staan oppositionele standpunten, veel kans te geven’, schreef hij in De Helling. Dat de conservatieve revolutie nog maar net begonnen was, zoals Van Doorn vaststelde, heeft Halsema inderdaad tot haar chagrijn ondervonden. In de zomer van 2010 strandden de onderhandelingen over een kabinet waar GroenLinks aan had kunnen deelnemen, waarna spoedig het meest rechtse kabinet ooit werd gevormd. De historicus Dik Verkuil wijst terecht op een ‘tragische parallel’ tussen Halsema en haar voorganger, die beiden als politicus groot gezag hadden opgebouwd, maar ‘strandden vóór ze het beloofde land van de Trêveszaal mochten binnengaan’.

Moreel project

Vrijheid is een allemansvriend, zoals opnieuw blijkt uit de naamgeving van partijen zoals de PVV, die onze grondrechten en burgervrijheden reserveert voor Henk en Ingrid maar aan Ali en Fatima ontzegt. Halsema heeft geprobeerd om het vrijheidswoord terug te winnen voor links, maar het is de vraag of ‘vrijheid als ideaal’ (de titel van het boek waarvoor zij in 2005 een belangrijk nawoord schreef) niet meer haken en ogen heeft dan zij zich heeft gerealiseerd. Zoals opnieuw blijkt uit haar verzamelde opstellen in Zoeken naar vrijheid (2011) is Halsema het meest welsprekend en overtuigend als zij opkomt voor het vrije woord, de godsdienstvrijheid, de vrijheid om anders te zijn, de rechtsstaat en democratie. Maar zij is het individualisme en anarchisme van de jaren zeventig blijven idealiseren, en heeft te weinig beseft dat deze inmiddels een duistere zelfkant hebben laten zien die rechtstreeks verantwoordelijk is voor de ‘hyperconsumptie, haast en hufterigheid’ die zij in haar boek Geluk! (2008) aan de kaak heeft willen stellen. De kiemen van de huidige gezags- en cultuurcrisis liggen wel degelijk ook in die ongehoorzame jaren, en zijn lang niet alleen te wijten aan de pervertering van het ‘goede’, sociale en morele individualisme van de jaren zeventig door het ‘slechte’ marktindividualisme van de jaren tachtig en negentig.

Deze idealisering kleurt ook het emancipatie-ideaal dat GroenLinks uitdraagt. Terecht is Halsema sterker het individualistische karakter ervan gaan benadrukken, zoals in haar meest recente bijdragen over de godsdienstvrijheid. Maar het emancipatie-ideaal blijft onaf wanneer het zich beperkt tot het scheppen van gelijke kansen op vrijheid en individualiteit, met name via het onderwijs en de arbeidsmarkt, en geen morele invulling geeft aan het idee van het goede leven waartoe die vrijheidskansen moeten leiden. Emancipatie, individualisme en zelfontplooiing leiden niet vanzelf tot goed gedrag. Vrijheid is een moreel en cultureel leerproces. Wanneer we mensen alle kansen willen geven om het beste uit zichzelf te halen, kunnen we de normatieve definitie van dat ‘beste’ (van het goede leven) niet zonder meer aan de individuen zelf overlaten. Halsema gaat er te gemakkelijk van uit dat ‘vrijheid eerlijk delen’ en individualisering vanzelf leiden tot betrokkenheid, zelfbeheersing en sociaal verantwoordelijk gedrag. De risico’s van een dergelijk voorwaardenscheppend beleid is echter dat het morele project leeg blijft en de linkse cultuurkritiek door een antipaternalistische reflex wordt verlamd.

Halsema’s ontplooiingsliberalisme gaat er terecht van uit dat de negatieve vrijheid: het recht van burgers om gevrijwaard te zijn van dwang en onderdrukking door de overheid, moet worden geflankeerd door de positieve vrijheid: de overheid moet de vrijheid van burgers ook materieel mogelijk maken. Het positieve vrijheidsbeginsel wordt daarbij vooral gekoppeld aan (ongelijke) sociaaleconomische verhoudingen, terwijl het negatieve vrijheidsbeginsel betrekking heeft op culturele en politieke verhoudingen. De linkse vrijzinnigheid houdt immers in dat de overheid ‘de handen heeft af te houden van de persoonlijke relaties van mensen, hun seksualiteit, religie, hun kledingstijlen en culturele liefhebberijen. Datzelfde geldt voor de gemeenschapsverbanden die mensen stichten en de organisaties waarvan zij deel willen uitmaken’. Conservatieven willen precies het omgekeerde: zij richten zich op het corrigeren van levensstijlen, culturele gebruiken en privéwaarden, terwijl de sociaaleconomische ongelijkheid intact wordt gelaten (Halsema 2011: 66-68).

Het is echter de vraag of die dubbele koppeling tussen negatieve vrijheid en cultuur en tussen positieve vrijheid en economische kansen hout snijdt. Kan het emancipatieideaal wel halthouden bij een overheid die sociaaleconomische en onderwijsachterstanden vermindert en de kansen op zelfontplooiing herverdeelt, zonder zich uit te spreken over de manier waarop de beoogde positieve vrijheid wordt ingevuld? De vraag is bovendien of het ideaal van de negatieve vrijheid zo leeg (inderdaad, zo negatief) kan blijven als in Halsema’s ‘handen af’ formulering, en of de GroenLinkse reflex om niet te willen moraliseren over cultuur, levensstijl en religie wel houdbaar is. Halsema lijkt zich vooral te richten op de ontsnapping aan externe dwang en niet of nauwelijks op de ontwikkeling van zelfregulering en interne controle. Bij nader inzien leiden de beginselen van de negatieve en positieve vrijheid echter tot dezelfde morele conclusie. Als de negatieve vrijheid niet alleen betrekking heeft op uitwendige (overheids)dwang maar ook op de inwendige dwang van onbeheerste impulsen, veronderstelt zij een positief ideaal van matiging, dus van (zelf)beperking van de vrijheid. De positieve vrijheid kan op zijn beurt niet alleen via kansen- en achterstandenbeleid worden gerealiseerd, maar vraagt op zijn beurt eveneens om een inhoudelijke, normatieve visie op het goede leven, die niet soeverein door het individu zelf kan worden bepaald, maar alleen kan worden ontwikkeld in samen- en tegenspraak met anderen.

Halsema lijkt die gedachtegang ook te onderschrijven wanneer zij vindt dat de overheid van haar burgers verantwoordelijk en sociaal gedrag mag vragen, mits zij die burgers tegelijkertijd mogelijkheden tot ontplooiing biedt. De ideale vrijzinnige burger is niet alleen mondig en autonoom, maar neemt ook maatschappelijke verantwoordelijkheid (bijvoorbeeld in de vorm van een inburgerings- of sollicitatieplicht), kent en respecteert de gangbare waarden en normen, en is actief in zelfgekozen sociale verbanden. Progressieve politiek gaat immers ook over de bescherming van kwetsbare waarden zoals natuurbehoud, zorg voor elkaar en vrije tijd. In het spoor van de publicist Pieter Hilhorst erkent zij dat vrijheid pas betekenis krijgt ‘als zij gepaard gaat met een politieke conceptie van het goede leven en met verantwoordelijkheidsbesef bij het bevrijde individu’ (2011: 70-74, 88). Om mensen weerbaarder te maken tegen de verleidingen van de statusjacht, de ratrace van steeds harder werken, de reclame en de materialistische consumptiedrang, is niet alleen een grotere gelijkheid van kansen nodig, maar ook een ideaal van beter leven. En dat betere leven vraagt zowel om een eerlijker verdeling van werk, zorg, leren en vrije tijd als om deugden en vaardigheden als gematigdheid, hoffelijkheid en zelfrelativering, die mensen in staat stellen zinvol met hun vrijheid om te gaan. 

Dikke ikken

Als vrijzinnige partij heeft GroenLinks een broertje dood aan moraliseren, zo heeft Halsema bij herhaling verklaard. Maar zij geeft (zuinigjes) toe dat, als het gaat om collectieve waarden als gezondheid en milieu, het ‘nooit helemaal zonder moraliseren’ kan. Maar eerst moeten we proberen de burger te verleiden. De overheid moet met zachte maatregelen voorwaarden scheppen voor moreel gedrag, en kan pas daarna de burger op zijn gedrag aanspreken. De vraag voor een partij die niet wil moraliseren blijft echter: ‘hoe stel je die consumptiemaatschappij ter discussie?’ (GroenLinks Magazine, december 2007). Dat vergt inderdaad een robuuster moreel project. Terecht stelt Halsema dat sociale kansen moeten worden geflankeerd door ‘deugden van sociale betrokkenheid, kritische burgerzin, bereidheid tot overleg en respect voor verschil’. In ‘lichte’ gemeenschappen koppelt het individu zijn keuzevrijheid aan sociaal engagement: dat is de crux van de sociale individualisering (2011: 97-98). Maar dat vereist een programma van morele opvoeding en culturele verheffing dat burgers ertoe aanzet om die deugden ook daadwerkelijk te ontwikkelen. Vrijheid leidt niet vanzelf tot vrijzinnigheid. En vrijzinnigheid is niet hetzelfde als afwezigheid van bemoeienis, maar kan juist de inhoud vormen van een nieuw beschavingsproject.

Dat nieuwe linkse beschavingsproject is des te urgenter omdat het antipaternalisme van de emancipatiebewegingen van de jaren zestig en zeventig inmiddels naar rechts is verhuisd, en bovendien een rabiate en xenofobe wending heeft genomen. Het doorgeschoten, absolute individualisme van de dikke ikken en de grote monden vormt tegenwoordig een belangrijke voedingsbodem voor populistische bewegingen, die de democratische en individuele vrijheidsrechten willen reserveren voor het eigen volk en ‘vreemden’ daarvan willen uitsluiten. Het moderne populisme kan dan ook worden gekarakteriseerd als een vorm van ‘nationaal-individualisme’: een nieuwe en curieuze mix van de beginselen van de nationale  volkssoevereiniteit en de individuele (zowel meningen- als consumenten)soevereiniteit, waarbij ‘ik eerst’ en ‘eigen volk eerst’ soepel in elkaar overlopen (Pels 2011). Het is verontrustend dat ‘ons eigen’ individualisme op die manier kan worden genationaliseerd en kan ontaarden in vormen van uitsluiting en discriminatie die in sommige gevallen de grenzen van het racisme overschrijden.

Laten we dus oppassen met ‘vrijheid als ideaal’. Als emancipatie niet vanzelf leidt tot goed gedrag en het individualisme niet vanzelf sociaal is, moet het vrijheidsstreven worden verdiept met een moreel project van matiging, zelfbeheersing, zelfrelativering en sociale verantwoordelijkheid. Dit project kan (met een knipoog) ‘vrijzinnig paternalisme’ worden genoemd. Vrijzinnigheid betekent dat men leert leven met openheid, pluralisme, flexibiliteit, ambivalentie en onzekerheid, en dat men die houding actief uitdraagt in de richting van degenen die deze waarden ontkennen. Terwijl vrijheid gemakkelijk kan leiden tot een onverschillig relativisme (ik doe mijn ding, jij doet jouw ding) vergt vrijzinnigheid een actieve, weerbare strategie die eisen stelt aan de manier waarop (andere) mensen denken en leven. De politieke bescheidenheid die kenmerkend is voor de vrijzinnige houding wordt immers begeleid door een pertinente onbescheidenheid: het besef dat je de waarheid niet in pacht hebt, houdt in dat anderen die waarheid evenmin bezitten. Vrijzinnigheid is een paradoxale combinatie van twijfel en zelfverzekerdheid, van relativeringsvermogen en vastberadenheid bij de verdediging van de eigen traditie, waarden en identiteit (Tirez 2010; Ter Borg 2010).

Vrijzinnigheid is daarmee de openingszet in de morele dialoog die burgers onderling, burgers en professionals en burgers en overheden met elkaar aangaan. Beschaving bestaat niet alleen uit een aantal leefregels, deugden, normen en waarden, maar ook uit vaardigheden om daarover op een vreedzame en productieve manier van mening te kunnen verschillen. Het vrijzinnig paternalisme is daarom niet dwingend of verplichtend, maar dialoog- en onderhandelingsgericht; het laat ruimte aan mensen om andere keuzes te maken (zie onze mooie gedoogtraditie). Het verschilt daarin zowel van de ouderwetse bemoeizucht van betweterige overheden en professionals als van de omgekeerde betweterij van zelfgenoegzame, soevereine burgers die zich niets meer door anderen laten zeggen. Noch de overheid, noch professionals noch burgers kunnen een exclusieve claim leggen op de inhoud van het goede leven: vrijzinnigheid betekent juist dat al deze waarheidsaanspraken moeten worden gerelativeerd. Pas als deze gematigdheid en bescheidenheid postvatten in de samenleving, als goedbedoelde bemoeienis niet meteen wordt weggezet als ondraaglijke betutteling, kan er een vruchtbare dialoog ontstaan over de inhoud van het goede leven en een vrije maatschappij.

Verheffing

Politiek en moraal horen dus bij elkaar, zoals Halsema zelf onderstreept, en deze verbinding is voor politici eigenlijk vanzelfsprekend: ‘Door te moraliseren over maatschappelijke wrijvingen en sociale misstanden beïnvloeden wij het dagelijks verkeer tussen mensen’. Ons streven naar een hogere politieke moraal, zo zei ze in een reactie op het normen-en-waardenoffensief van Balkenende, moet beginnen met ‘de erkenning van ons menselijk tekort’ (2011: 84, 86). Haar eerste ‘ideologische’ interview als leider van GroenLinks besloot zij als volgt: ‘Ik ben een kind van de jaren zeventig, van de beweging die nu belachelijk wordt gemaakt, die mensen wil verleiden zich maatschappelijk te gedragen en de gedachte koestert dat je mensen kunt verheffen tot een andere levensstijl’ (de Volkskrant 27.12.03).

Dus als we een volgende stap willen zetten in het groenlinkse streven naar emancipatie, moet de vrijzinnigheid worden uitgebouwd tot een moreel beschavingsproject: een project van vrijzinnige verheffing. Alleen zo kunnen we de vrijheid matigen en het individualisme daadwerkelijk sociaal maken. Dat is geen terugtocht naar de ouderwetse sociaaldemocratie of het sociaal-christelijke gemeenschapsdenken, maar een ethische verdieping van de vrijzinnig-linkse politiek die Femke Halsema heeft ingezet. Dat zij zelf bij die stap elegant is blijven rusten op het achterbeen, geeft ons nu de mogelijkheid om ons gewicht te verplaatsen en op het voorbeen te gaan staan.

Literatuur:

- Remieg Aerts, Het aanzien van de politiek, Amsterdam: Bert Bakker 2000.
- Meerten ter Borg, Vrijzinnigen hebben de toekomst, Zoetermeer: Meinema 2010.
- J.A.A. van Doorn, ‘Tegen de stroom in’, De Helling zomer 2004, pp. 10-11.
- Femke Halsema, Geluk! Voorbij de hyperconsumptie, haast en hufterigheid, Amsterdam: Bert Bakker 2008.
- Zoeken naar vrijheid. Teksten 2002-2010. Amsterdam: Bert Bakker 2011.
- Dick Pels, Het volk bestaat niet. Leiderschap en populisme in de mediademocratie. Amsterdam: De Bezige Bij 2011.
- Paul Rosenmöller, ‘De toekomst in aanbouw’,in Paul de Beer e.a. De toekomst in aanbouw. Utrecht: Wetenschappelijk Bureau GroenLinks 1997.
- Bart Snels (red.), Vrijheid als ideaal, Amsterdam: SUN 2005.
- Andreas Tirez,‘Niet-weten is onze identiteit’, Nieuwsbrief Liberales 287, 5 november 2010.
- Dik Verkuil, ‘Vrijzinnig links. Zin in de toekomst met Femke Halsema 2002-2010’, in Paul Lucardie & Gerrit Voerman (red.) Van de straat naar de staat? GroenLinks 1990-2010. Amsterdam: Boom 2010.

Gerelateerde artikelen