9 minuten

Het altruïsme van GroenLinks

Bijdrage aan het toekomstdebat

GroenLinks denkt na over de toekomst en de uitgangspunten van de partij. Paul Lucardie is een bekende GroenLinks-watcher. Wat hem betreft moet GroenLinks zich laten leiden door altruïsme.

Ideologie is weer een beetje in de mode. PvdA en VVD hebben zich de afgelopen jaren op hun beginselen bezonnen, terwijl ChristenUnie, SP en PVV al dan niet terecht de indruk wekken principieel en duidelijk te zijn – wat mogelijk een deel van hun electoraal succes verklaart. GroenLinks wil wel met de mode meedoen, maar heeft (naar eigen zeggen) alleen idealen en geen ideologie. Is dat zo?

Hier wil ik betogen dat GroenLinks wel degelijk over een ideologie beschikt, zij het niet een klassieke ideologie als liberalisme of socialisme. De idealen van de partij hangen wellicht nauwer samen dan men vaak aanneemt.

De vier idealen van GroenLinks

Volgens het Programma van Uitgangspunten uit 1992 koestert GroenLinks vier idealen: democratie, respect voor natuur en milieu, sociale rechtvaardigheid en internationale solidariteit.

Democratie betekent zoals bekend ‘regering door het volk’, oftewel: iedere burger mag om de beurt regeren en geregeerd worden, in de woorden van Aristoteles. Daarvan is in onze zogenaamde parlementaire democratie geen sprake van, de meeste burgers mogen slechts eens in de zoveel tijd een stem uitbrengen op een politicus, die vervolgens gaat regeren of de regering tracht te controleren. Niettemin worden de politici geacht rekening te houden met de mening van hun kiezers. 

Respect voor natuur en milieu betekent: rekening houden met de dieren, planten en mineralen om ons heen, niet alleen om die te behouden voor onszelf en ons nageslacht maar ook omdat ze een eigen intrinsieke waarde hebben. 

Sociale rechtvaardigheid is een bijzonder vaag begrip dat vrijwel alle politieke stromingen verschillend uitleggen. In elk geval poogt men rekening te houden met verschillen tussen mensen, in aanleg en milieu. In liberale ogen mogen die verschillen best leiden tot een ongelijke verdeling van inkomen, macht en aanzien, terwijl socialisten die ongelijkheid willen beperken en mensen met minder talent of meer pech in hun streven naar welvaart daarvoor willen compenseren door middel van subsidies en collectieve voorzieningen. 

Indien we de ongelijkheid niet alleen in eigen land maar ook in de rest van de wereld willen beperken, noemen we dat meestal internationale solidariteit: het vierde ideaal van GroenLinks. Dat betekent rekening houden met de rest van de wereld, en vooral met de armere delen daarvan die de Derde Wereld genoemd werden. De leuze ‘Eigen volk eerst’ heeft GroenLinks nooit erg aangesproken.

Die nationalistische gedachte hoort thuis bij een andere, rechtse of conservatieve traditie, die de bestaande verschillen wil handhaven en mogelijk vergroten. De conservatieven willen het onderscheid tussen ‘wij’ en ‘zij’ aanscherpen, niet alleen de verschillen tussen het eigen volk en de anderen, ook tussen ‘ons soort mensen’ en de lagere klassen in eigen land, tussen de eigen cultuur of godsdienst en die van anderen, tussen man en vrouw, homo en hetero; en natuurlijk de verschillen tussen de mens als ‘Heer der Schepping’ en de dieren en planten die aan zijn macht zijn overgeleverd. GroenLinks ontkent die verschillen niet maar zoekt ook naar de overeenkomsten met de ander of het andere. Ze wil rekening houden met andere generaties, andere culturen, andere sociale klassen, andere landen en andere dieren – eigenlijk met alles en iedereen. We zouden dat de ideologie van het politiek altruïsme kunnen noemen (alter = ander).

Tussen zelfopoffering en groepsegoïsme

Altruïsme roept associaties op met onuitstaanbaar moralisme, naïef vertrouwen in het ‘goede van de mens’ en ontkenning van de harde realiteit: het hemd is immers nader dan de rok? Zorgen voor je gezin en hulpvaardig zijn voor je buren is al moeilijk genoeg, solidariteit opbrengen met de hele wereld en ook nog met je nageslacht en met de dieren en ecosystemen om je heen, is dat niet wat veel gevraagd? De oude socialisten koppelden de solidariteit nog aan gemeenschappelijke klassenbelangen: alleen door samenwerking kon het internationale proletariaat de macht van de kapitalisten breken en een klassenloze samenleving opbouwen. Dat perspectief ontbreekt bij GroenLinks. Internationale solidariteit krijgt als ideaal dan ook vaak een moralistisch karakter.

Ik zou echter een onderscheid willen maken tussen solidariteit en altruïsme (je kunt ook zeggen: tussen extreem en gematigd altruïsme). Solidariteit heeft te maken met eenheid en vastigheid (solide = vast). Altruïsme (in de gematigde vorm) gaat in mijn opvatting uit van verscheidenheid; het is eerder vloeibaar dan vast. Een simpel voorbeeld. Als ik solidair wil zijn met een dakloze of een vluchteling die me op straat aanspreekt, zou ik hem mijn huis of tenminste een deel van mijn huis moeten aanbieden. Als ik echter alleen een daklozenkrant van hem koop of geld overmaak aan Vluchtelingenwerk, ben ik niet echt solidair – ik vorm geen vaste eenheid met de daklozen of vluchtelingen. Maar ik handel wel altruïstisch, in plaats van egoïstisch of uit puur eigenbelang. Solidariteit is wellicht alleen mogelijk binnen een exclusieve gemeenschap: het eigen volk, de eigen kerk, de eigen klasse. Die solidariteit van ‘wij’ tegenover ‘zij’ vindt een beloning in de verwerving of verdediging van eigen welvaart en vrijheid. Dat heeft vaak meer met groepsegoïsme dan met altruïsme te maken, ook al vraagt het soms offers van bepaalde individuen. 

Altruïsme onderscheidt zich van groepsegoïsme, maar ook van zelfopoffering. Er blijft enige afstand tussen Ego en Alter, Ik en de Ander, maar we houden rekening met elkaar. Wederkerigheid is daarbij wenselijk, maar lang niet altijd mogelijk. Van asielzoekers in je buurtkerk kun je misschien nog waardering of erkentelijkheid verwachten, bij je verre nakomelingen of de dieren en planten in je omgeving is dat al een stuk lastiger. Een altruïst gaat dus niet uit van do ut des (ik geef opdat jij geeft), al zal hij een bedankje wel weten te waarderen.

Altruïsme in de politiek 

Een altruïst gaat dus niet per definitie uit van een naïef optimistisch mensbeeld en verwaarloost niet per se zijn eigen belangen. Het is dan ook niet een wereldvreemde en apolitieke houding. Politiek is immers altijd een combinatie van belangen en idealen. Nagenoeg elke politieke beweging of partij behartigt de belangen van bepaalde groepen èn streeft bepaalde idealen na. Dat weerspiegelt zich in het gedrag van hun electoraat. De VVD trekt wel veel welgestelde kiezers, maar toch ook uitkeringsgerechtigden en AOW’ers, terwijl de SP soms steun krijgt van miljonairs en hoogleraren, en het CDA van onkerkelijken. Als de meeste kiezers alleen uit eigen belang gingen stemmen, zouden verkiezingsuitslagen gemakkelijk te voorspellen zijn – maar dat zijn ze zelden, tot frustratie van opiniepeilers en politicologen.

Politieke idealen moeten uiteraard vorm krijgen in concrete plannen en wensen. Die hoeven echter niet allemaal op korte termijn uitvoerbaar te zijn. Een politieke partij heeft ook een langetermijndoelstelling nodig – en misschien zelfs een moeilijk te verwezenlijken utopie, als ze haar kiezers en leden wil inspireren. Dat geldt zelfs voor enigszins egoïstische bewegingen als Trots op Nederland, maar zeker voor een altruïstische partij. Hieronder wil ik aangeven hoe een altruïstische utopie GroenLinks zou kunnen inspireren – en misschien zelfs electoraal voordeel zou kunnen brengen, hoe paradoxaal dat ook moge klinken.

De gemeente als gemeenschap van altruïsten

‘Think globally, act locally’ is vanouds een leidraad van groene partijen en bewegingen over de hele wereld. Een van de eerste groene ideologen, de in 2006 overleden Amerikaanse eco-anarchist Murray Bookchin, voerde deze gedachte naar een radicale conclusie in zijn pleidooi voor libertarian municipalism.  Elke gemeente zou een soevereine eenheid moeten vormen, weliswaar in confederatie met anderen verbonden maar onafhankelijk in haar besluitvorming. Die besluitvorming zou liefst in massale volksvergaderingen plaats moeten vinden, zodat elke burger zich direct betrokken weet. Burgers zouden ook bij toerbeurt politiedienst moeten doen.

Het ideaal doet denken aan het oude Athene (al bleef burgerschap daar beperkt tot de zonen van Atheense ouders). Zover zal GroenLinks niet willen gaan. Maar een paar stappen in die richting zouden geen kwaad kunnen. We kunnen vast wel iets leren van Porto Alegre, een Braziliaanse stad van ongeveer anderhalf miljoen inwoners die sinds 1988 probeert haar burgers actief te betrekken bij de vaststelling van de begroting, onder meer via openbare wijkvergaderingen. Radicale decentralisatie en opwaardering van de gemeente hebben belangrijke voordelen.

In de eerste plaats is het gemakkelijker gemeenschapszin te ontwikkelen in een bestaande gemeenschap dan in een abstractie als ‘de wereld’. De meeste inwoners van een gemeente voelen wel een zekere band met die plaats, al wordt hun dat door veelvuldige gemeentelijke herindelingen en centralisatie van veel overheidstaken niet gemakkelijk gemaakt. Zelfs jongeren die weinig binding hebben met Nederland voelen vaak nog wel iets voor hun stad, al was het maar dankzij Ajax of PSV. Dat wordt bevestigd door onderzoeken in Amsterdam en Rotterdam. 85% van de ondervraagde Amsterdammers voelen zich verbonden met hun stad; bij niet-westerse allochtonen is dat 75%. Volgens onderzoek van de Erasmus Universiteit zien jongeren van Turkse en Marokkaanse afkomst zichzelf eerder als Rotterdammer dan als Nederlander (NRC Handelsblad, 27 maart 2008).

De meeste gemeenten zijn langzamerhand een microkosmos geworden die bijna alle groepen waar solidariteit mee gewenst is in zich verenigt: arm en rijk, immigrant en inboorling, christen, atheïst en moslim, man en vrouw, mens en dier. Via immigranten is zelfs de Derde Wereld indirect aanwezig, althans in de grote, stedelijke gemeenten. De stad lijkt zodoende een goede leerschool voor altruïsme à la GroenLinks: rekening houden met elkaar – op straat, in het verkeer, in het werk, in de supermarkt en in de disco.

De gemeente is bovendien nog kleinschalig genoeg om echte democratie te leren en te realiseren. Dat bleek al in Athene. In Nederland heeft de gemeente mondjesmaat wat meer bevoegdheden gekregen, maar blijft erg afhankelijk van de centrale overheid, ook voor haar inkomsten. Dat zou moeten veranderen, wil de gemeente als democratische gemeenschap iets meer betekenen.

GroenLinks heeft eigenlijk verrassend weinig aandacht voor de gemeente getoond, althans op ideologisch vlak. Op bestuurlijk terrein heeft ze daarentegen veel werk verricht, acties gevoerd en vaak goede wethouders geleverd. De partij werd daarvoor ook beloond door de kiezers met cijfers die vaak hoger waren dan de landelijke verkiezingsresultaten. Mogelijk voelt GroenLinks echter – evenals andere linkse partijen overigens – een zekere huiver voor radicale decentralisatie. Gemeenten verschillen immers onderling nogal, in rijkdom en etnische samenstelling. Een forse uitbreiding van hun bevoegdheden en inkomsten zou die ongelijkheid kunnen vergroten. Meer geld voor Delfzijl is wel goed, maar moet Wassenaar dan ook meer hebben? En mogen gemeenten straks immigranten weigeren of de bijstand verlagen als ze dat democratisch besluiten? We wilden toch groepsegoïsme tegengaan?

Dat vereist tenminste vrijheid van vestiging. Geen enkele gemeente zou burgers met een geldig paspoort (en een blanco strafblad) uit andere gemeenten mogen weigeren. In tegendeel, verhuizing zou vergemakkelijkt en gesubsidieerd moeten worden. Zover zijn we nog niet, maar met een krimpende bevolking en dus (waarschijnlijk) toenemende leegstand van woningen wordt dat in de toekomst vast gemakkelijker. De centrale overheid moet daar op toezien – en blijft dus nodig, wat Bookchin en zijn geestverwanten daar ook van mogen vinden. Binnen deze randvoorwaarden lijkt me ongelijkheid tussen gemeenten echter geen probleem. Laat ik het even provocerend formuleren: laat Staphorst maar bordelen, coffeeshops en hoofddoekjes verbieden, als Groningen ze maar toestaat.

Tot slot 

GroenLinks zoekt al vanaf haar oprichting een evenwicht tussen individualisme en gemeenschapszin, tussen zelfontplooiing en solidariteit, tussen vrijheid en duurzaamheid. Dat gaat niet alleen om abstracte principes, maar ook om concrete kwesties als ontslagrecht en verbindend verklaren van een CAO, autogebruik en gratis openbaar vervoer, onderwijs en integratie van migranten. Zonder dat soms wankele evenwicht zou GroenLinks haar identiteit kwijt raken – en waarschijnlijk ook haar meest trouwe kiezers.

Gematigd altruïsme vormt de kern van die identiteit, heb ik getracht aan te tonen. GroenLinks wil rekening houden met ‘de ander’. Dat betekent evenwicht tussen zelfopoffering en groepsegoïsme: met iedereen rekening houden, maar niet zelf het kind van de rekening worden.

Literatuur:

- Uitgangspunten van GroenLinkse politiek, Amsterdam, 1992.
- M. Bookchin, The limits of the city, Black Rose Books, Montreal/Buffalo. Zie ook zijn website www.social-ecology.org.
- Dienst Onderzoek en Statistiek, Amsterdamse Burgermonitor 2007. Zie www.os.amsterdam.nl/pdf/burgermonitor_factsheet.

Gerelateerde artikelen