14 minuten

Het nieuwe midden

GroenLinks moet met D66 het midden omvormen

De traditionele middenpartijen schuiven naar de vleugels van hun populistische concurrenten. GroenLinks moet durven kiezen voor het definiëren van het nieuwe midden. Samen met D66 kan zij een machtige brug vormen tussen de vleugels van de Nederlandse politiek. 

"We weten wat we moeten doen, maar we weten niet hoe we herkozen moeten worden als we dat gedaan hebben". Dat zei de Luxemburgse premier Jean-Claude Juncker enkele jaren geleden op een persconferentie na een Europese discussie over hervormingen van de arbeidsmarkt en het pensioenstelsel. Het is het cruciale dilemma waar moderne politieke leiders mee te maken hebben. Mark Rutte weet heel goed hoe hij de woningmarkt in beweging moet krijgen, maar de hypotheekrenteaftrek hervormen is voor hem onmogelijk. Job Cohen weet - en vooral Wouter Bos wist - hoe outsiders op de arbeidsmarkt meer kansen kunnen krijgen, maar de versoepeling van het ontslagrecht ziet de PvdA als electorale zelfmoord. Jan Kees de Jager weet dat hij Griekenland moet steunen en dat er meer Europese politieke integratie nodig is om de schuldencrisis op te lossen, maar hij durft dat niet te zeggen. Rutte, Bos, Cohen, De Jager, ze vrezen allemaal dat als ze doen wat ze moeten doen hun kiezers naar hun populistische concurrenten op de vleugels lopen, naar de PVV en de SP. De politieke crisis waar we in Nederland mee te maken hebben, en vergelijkbare ontwikkelingen zijn er in de meeste andere Europese landen en de Verenigde Staten, is een crisis van de gematigde middenpartijen die gewend zijn aan het dragen van bestuursverantwoordelijkheid. Op een politiek speelveld waar kiezers sneller van partijvoorkeuren wisselen dan van tandpastamerk, vrezen ze de concurrentie van de populistische partijen op de linker- en rechtervleugel. Daardoor ontstaat er ruimte voor een herdefiniëring van het politieke midden. In Nederland zou GroenLinks samen met D66 een machtspositie kunnen opbouwen door dat nieuwe midden te maken.

Tragiek van modernisering

Noch in Europa, noch in de Verenigde Staten weten politici uit het oude midden hoe ze uit die houtgreep van de populisten moeten komen en een perspectiefvol antwoord moeten geven op de gevolgen van maatschappelijke modernisering. Schematisch weten we wat er de afgelopen decennia is gebeurd. Ten eerste zijn door ontzuiling, ontideologisering en individualisering kiezers losser geraakt van politieke partijen die vroeger een band hadden met het maatschappelijk middenveld. Zie daar de belangrijkste verklaring voor het zweefgedrag van kiezers. Mensen maken nu per verkiezing uit waar hun tijdelijke loyaliteit ligt. Ten tweede is door globalisering en migratie de samenleving veranderd en is er onzekerheid ontstaan bij grote groepen kiezers. Na de Tweede Wereldoorlog tot aan begin jaren tachtig was er sprake van een ongekende economische ontwikkeling die evenwichtig verdeeld werd over alle inkomensgroepen. Iedereen deelde in de welvaartstoename en iedereen kon daarmee een optimistisch toekomstbeeld hebben, zowel voor zichzelf als voor hun kinderen. Dat is veranderd. De vruchten van globalisering en migratie zijn in onevenredige mate bij de hoogste inkomens en de best opgeleide mensen terechtgekomen, terwijl mensen met lagere en middeninkomens en meestal met een lagere opleiding te maken kregen met de keerzijde van maatschappelijke modernisering. Zij zagen hun wijken veranderen en ondervonden dat qua persoonlijke ambities en sociaaleconomische verwachtingen hun zekerheden afnamen. De oude middenpartijen zijn er de afgelopen dertig jaar niet in geslaagd om de kosten en opbrengsten van globalisering en migratie evenwichtig te verdelen. Zie daar het chagrijn bij veel kiezers en het wantrouwen dat zij hebben in de gevestigde politieke partijen. En ten derde is het politieke spel zelf veranderd door de enorme rol die de media tegenwoordig spelen. Allerlei mechanismen zijn daarbij van belang, zoals de commercialisering van de televisie, de uitbreiding van het aantal televisiekanalen, de concurrentie die kranten ondervinden van elkaar, van de televisie en van nieuwe media via internet. De kern van deze ontwikkeling is dat hypes, emoties, meninkjesjournalistiek en meninkjespolitiek belangrijker zijn geworden dan diepgravende analyse, maatschappelijke duiding en visieontwikkeling. Omdat de politiek persoonlijker is geworden, als gevolg van individualisering en ontideologisering, hebben politieke vrijbuiters de kans gekregen om via stoer mediaoptreden toegang tot politieke macht te verwerven. Daar is op zich niks op tegen. Sterker nog, in een moderne samenleving is het juist te prijzen dat het politieke systeem niet gesloten is, maar openstaat voor nieuwkomers. Het punt is dat de oude middenpolitici geen idee hebben hoe ze dat vernieuwde politieke spel moeten spelen. Zij hebben geen antwoord op de wijze waarop populisten de emoties van kiezers raken met doemscenario's en angstpolitiek. Zie daar de crisis van de middenpartijen. Het afgelopen decennium is politiek opportunisme het enige antwoord van de middenpartijen geweest. Voor een deel zit dat opportunisme in het overnemen van de taal van de populisten. Zie bijvoorbeeld Mark Rutte die het sinds de verkiezingscampagne heeft over massa-immigratie. Je ziet dat hij het zelf niet gelooft - hoezo massa-immigratie - maar hij wil zo een retorisch antwoord hebben op Wilders. Het opportunisme zie je ook als een middenpartij in de oppositie zit en volstrekt andere posities inneemt dan wanneer de partij meedoet in de coalitie. Rutte diende bijvoorbeeld een motie van wantrouwen in tegen het kabinet Balkenende, maar als premier prijst hij Bos en Balkenende voor de redding van de banken nu hij zelf ervaart dat hij met het CDA stap voor stap Griekenland en de Euro moet redden. En tenslotte is er opportunistisch geworstel als ze wel regeren. Dan moeten ze verantwoordelijkheid nemen voor beleid, zeker als economische omstandigheden dat vragen, maar weten ze niet hoe ze dat beleid moeten verkopen. Zie het gestuntel van Rutte en De Jager bij de steun die ze Griekenland moeten geven. Het geworstel van de middenpartijen vormt de tragiek van maatschappelijke modernisering. Terwijl globalisering, migratie, klimaatverandering en vergrijzing als lange-termijntrends van modernisering juist vragen om toekomstgericht beleid, zit de middenpolitiek uit angst voor de concurrentie van populisten die nostalgisch het verleden idealiseren, vast in kortademige opportunistische retoriek. Daardoor komt de besluitvorming vast te zitten in een politieke armoedeval. Zo lukt het in de Verenigde Staten nauwelijks om verstandig begrotingsbeleid te voeren en komen in Europa de noodzakelijke hervormingen van politieke en sociaaleconomische arrangementen uit de vorige eeuw maar moeizaam van de grond. De middenpartijen en gematigde politici weten niet hoe ze beleid moeten maken met de hete adem van de populisten en hun zwevende kiezers in de nek. PaarsGroen had vorig jaar als kabinet een politiek keerpunt kunnen zijn. Links en rechts zouden samen een hervormingskabinet gevormd hebben. Dat kabinet zou ook de overheidsfinanciën op orde brengen, de arbeidsmarkt toegankelijker maken, de economie en de energievoorziening duurzaam hervormen, de bureaucratie in zorg en onderwijs aanpakken en afspraken maken over migratie en integratie. Het zou een kabinet geweest kunnen zijn dat met een sterk communicatieve premier - Mark Rutte - het vertrouwen in de politiek had kunnen herstellen. Het zou een voorbeeld hebben kunnen nemen aan Obama en het uitdagende regeerakkoord van de conservatieven en de liberaal-democraten in Groot-Brittannië. Overigens zie je aan deze voorbeelden dat gedurende een regeerperiode, met de poten in de modder en met wijzigende economische en politieke omstandigheden, het lastig is om moedig vast te blijven houden aan een positieve en optimistische politieke koers. Maar toch, het had gekund. Zowel de PvdA als de VVD durfden dat PaarsGroene kabinet niet aan. De VVD had een rechtse campagne gevoerd tegen de PvdA en vond het onmogelijk een kabinet te vormen met de PvdA, D66 en GroenLinks. Voor de PvdA was het onduidelijk wat zij uit een PaarsGroen kabinet zouden kunnen halen. De PvdA heeft moeite met de erfenis van Paars uit de jaren negentig en profileert zich linkser dan voorheen. Ook PaarsGroen had fors moeten bezuinigen en wilde flinke hervormingen van de verzorgingsstaat op de agenda. De enige rol die de PvdA had in de PaarsGroene onderhandelingen was een negatieve, namelijk op de rem staan bij de mate van bezuinigen en hervormen, zonder een positieve ambitie te etaleren.

Progressieve samenwerking

Het mislukken van PaarsGroen laat zien hoe moeilijk het is om samen te werken op het huidige politiek speelveld. Net als in de Verenigde Staten en andere Europese landen zijn teveel partijen uit op polarisatie. Vorig najaar heeft Femke Halsema gepleit voor progressieve samenwerking. Ze wist van de eerdere kabinetten Balkenende dat de PvdA in de oppositie naar links opschuift om de competitie met de SP aan te gaan over wie het hardste kan roepen dat het rechtse kabinet asociaal is of de beschaving vernietigt. Links doet dan heel snel mee aan de door rechts gewenste polarisatie. Omdat de linkse oppositie toch steeds in de minderheid is, krijgt die al snel een machteloos imago tegenover een rechts kabinet. Daarbij maakt het niet uit dat het nu een minderheidskabinet is, want de PVV steunt in het gedoogakkoord het gehele financieel-economische beleid. Voordat je het weet staan de opiniepagina's van kranten weer vol van verhalen over een vermeende linkse leegte. Halsema had geen zin om mee te doen aan de malaise van de PvdA en nam daarom zelf het initiatief. Ze wilde de PvdA uitdagen om te kiezen voor samenwerking gebaseerd op een optimistische en hervormingsgezinde toekomstagenda die de grote problemen van deze tijd aanpakt, zoals de vergrijzing, de klimaatverandering en het wantrouwen van burgers in de verbureaucratiseerde overheid. Het samenwerken aan zo´n agenda moest een alternatief verhaal geven tegenover het rechtse kabinet en zou een manier kunnen zijn om te streven naar machtsvorming, zoals veertig jaar geleden Keerpunt 72 ook een opmaat was naar de vorming van een progressief kabinet. Begin jaren zeventig bleek het mogelijk om samenwerking tot stand te brengen tussen de PvdA, D66 en de PPR, één van de voorlopers van GroenLinks (de PSP deed aanvankelijk ook mee, maar haakte al vroeg af). Het kabinet Den Uyl kwam tot stand omdat een aantal christendemocraten van de ARP en de KVP dit progressieve kabinet mogelijk wilde maken. De vraag is welk perspectief de PvdA anno 2011 aan kiezers wil bieden. De sociaaldemocraten zijn verdeeld in twee vleugels. De ene is het meest verwant aan de SP. Sociaalconservatief staat de SP negatief tegenover moderne ontwikkelingen als individualisering en globalisering. Europa levert gevaar op en veranderingen in de verzorgingsstaat zijn altijd een verslechtering. Tegenover deze conservatieve vleugel zijn er de progressieven van de PvdA die dichtbij GroenLinks en D66 staan. Die zijn veel optimistischer over modernisering, zien individualisering als bevrijding van beknottende gemeenschappen, zien bij globalisering kansen voor meer internationale rechtvaardigheid en durven hervormingen van de verzorgingsstaat voor te stellen. Een vergaande samenwerking tussen D66, GroenLinks, de PvdA en de SP blijkt niet voorstelbaar omdat vooral de verschillen tussen D66 en de SP te groot zijn. Voor de SP is progressieve samenwerking ook vooral een strategie om groter te worden dan de PvdA. Dat is al jaren hun belangrijkste politieke motivatie. Soms doen ze alsof ze willen samenwerken, om redelijk over te komen in de beeldvorming, maar zodra de discussie gaat over Europa, de pensioenen of de verzorgingsstaat kiezen zij de populistische aanval. Het maakt dan niet uit of de aanval wordt ingezet op het kabinet of op de vermaledijde neoliberalen van D66 of GroenLinks. Dat was de reden waarom Halsema vorig jaar de PvdA vroeg om te kiezen. Zoals te verwachten was, kiest de PvdA in de oppositie voor de kant van de SP. Omdat de PvdA dichter tegen de SP aankruipt heeft D66 zich het afgelopen jaar als redelijke middenpartij geafficheerd. D66 wil aantrekkelijk zijn voor kiezers van de VVD en het CDA. Voor progressief Nederland zou de SP zich moeten richten op de kiezers van de PVV, maar de SP is vooralsnog vooral geïnteresseerd in die van de PvdA. De PvdA en de SP houden elkaar zo lekker vast, zoals op rechts Rutte ervoor zorgt vriendjes te blijven met Wilders.

Het lege midden

Voorlopig zit dit rechtse kabinet er nog. Het zal regelmatig in problemen komen als VVD en CDA steun nodig hebben uit de oppositie wanneer de PVV niet meedoet, bijvoorbeeld als het om Europa en de euro gaat. Het kabinet zal ook nog lastige momenten krijgen als het economische tegenvallers moet opvangen met extra bezuinigingen. Dat zal de PVV niet gemakkelijk vinden en zal politieke spanning opleveren. Maar vooralsnog heeft geen van deze partijen belang bij een val van het kabinet. De VVD niet, want met Rutte als premier is het hun kabinet. Het CDA niet, want deze partij heeft de leiderschapskwestie niet opgelost en weet bij lange na nog niet hoe ze de weg naar betere opiniepeilingen moet vinden. En de PVV niet, want als ze dit kabinet nu laten struikelen weet Wilders dat in ieder geval het CDA niet snel nog eens zo'n avontuur aangaat. En met wie zou Wilders dan willen regeren, zelfs als hij de grootste zou worden bij volgende verkiezingen? Er is daarom nog enige tijd voor GroenLinks om haar zaakjes op orde te krijgen. Vorig jaar daagde Halsema de PvdA uit om te kiezen. Langzamerhand zal ook GroenLinks een strategische keuze moeten maken. Voor GroenLinks is splendid isolation geen aantrekkelijke optie. Er zitten nog vier partijen in de oppositie die knibbelen aan de kiezersschare van de partij. GroenLinks dreigt gemangeld te worden tussen D66 aan de ene en de PvdA/SP aan de andere kant, terwijl ook de Partij voor de Dieren een lastige horzel is. Waar moeten meer kiezers voor GroenLinks vandaan komen? Wat electorale concurrentie betreft kan GroenLinks zich niet vergelijken met de nu zo succesvolle Duitse Grünen, omdat Duitsland onder meer een veel minder versplinterd politiek speelveld kent. Alexander Pechtold heeft gelijk. Het politieke midden loopt leeg in ons land. Dat wil zeggen, de traditionele middenpartijen schuiven op naar hun concurrenten op de vleugels, wat overigens niet betekent dat kiezers dat ook allemaal doen. De meeste kiezers zijn nog steeds op het midden te vinden. Uit opiniepeilingen blijkt de afgelopen jaren met enige regelmaat dat rechtse kiezers hun partijen rechtser zien dan zijzelf zijn en linkse kiezers hun partijen juist linkser dan zichzelf op de links-rechts-schaal plaatsen. Het mag waar zijn dat er veel proteststemmen gaan naar SP en PVV, maar ook gematigde kiezers kunnen teleurgesteld worden. De rechtse meerderheid wordt niet doorbroken door versplintering in de oppositie, maar ook niet door een groot links blok. Links haalt nu eenmaal geen meerderheid in Nederland. Belangrijker is hoe bijvoorbeeld D66 en GroenLinks perspectief kunnen geven aan teleurgestelde kiezers van CDA en VVD. GroenLinks heeft de afgelopen jaren een imago opgebouwd van een ideeënpartij die op zoek is naar macht. Klaar voor de toekomst was vorig jaar de verkiezingsslogan. Dat beeld moet door kiezers wel herkend blijven worden en vraagt om versterking van de electorale positie, maar vooral ook om een geloofwaardige claim op de macht. Met D66 deelt GroenLinks een vergelijkbaar imago: toekomst- en hervormingsgericht, liberaal, groen, Europees georiënteerd. Samenwerking met de meer conservatieve, nostalgische, nationalistische SP/PvdA zou het imago van GroenLinks schaden en geeft Alexander Pechtold een argument om afstand te houden van GroenLinks. GroenLinks moet daarom kiezen voor samenwerking met D66, in welke vorm dan ook. Ook D66 heeft daar belang bij. Deze partij weet dat het een jojo-partij is en bij eenzame regeringsdeelname zomaar terug kan vallen naar drie zetels in het parlement. Natuurlijk zijn er verschillen tussen beide partijen, maar die zijn niet fundamenteel van aard. Programmatisch zijn de verschillen te overbruggen. De enige vraag is of de cultuurverschillen in de partijen dat ook zijn. Samen kunnen de partijen op ten minste twintig zetels rekenen en samen kunnen D66 en GroenLinks op het midden van het politieke speelveld een interessant en duurzaam machtsblok vormen. De partijen zouden bijvoorbeeld met een gedeeld onderhandelingsprogramma de volgende coalitieonderhandelingen in kunnen gaan. De PvdA is niet klaar voor de macht en concurreert met de SP om de behoudende sociaaldemocratische stem. Ook zijn de verhoudingen tussen de PvdA en het CDA nog zo gebrouilleerd dat een coalitie waaraan beide partijen meedoen nog niet erg voor de hand ligt. Als VVD en CDA op enig moment toch genoeg krijgen van de PVV ligt, als de volgende verkiezingsuitslag dat toelaat, een hervormingscoalitie voor de hand: VVD, CDA, D66 en GroenLinks. D66/GroenLinks zouden samen een brug kunnen vormen naar VVD en CDA die naar rechts trekken en eventueel naar de PvdA die naar links trekt. Elke toekomstige coalitie komt al snel uit bij het middenblok D66/GroenLinks om een meerderheidscoalitie te kunnen vormen. Misschien is dat wel een les die GroenLinks van de Duitse zusterpartij kan leren: als je je midden op het speelveld positioneert, kun je naar links en naar rechts kijken en kom je vanzelf terecht in een interessante politieke positie. In de jaren zestig ontstond nieuw links. D66 en GroenLinks hebben deels hun wortels in de emancipatiebewegingen van die tijd, bewegingen die gekoppeld zijn aan de trends van maatschappelijke modernisering, denk aan individualisering en ontideologisering. In de jaren tachtig ontstond nieuw rechts als reactie daarop en met de erfopvolgers van die in eerste instantie weinig succesvolle politieke beweging hebben we nu te maken. Nu partijen als CDA en VVD hun politieke gedrag afstemmen op nieuw rechts ontstaat er ruimte op het midden van het politieke speelveld. Dat nieuwe midden kan gemaakt worden door D66 en GroenLinks met toekomstgerichte politiek die groene, sociale en internationalistische antwoorden geeft op de uitdagingen van maatschappelijke modernisering. Het mislukken van PaarsGroen laat zien dat VVD en PvdA nog niet toe zijn aan het nieuwe midden. Dat is ook niet gek, want zij hebben een haat-liefde-verhouding met de erfenis van de Paarse jaren negentig. De lafheid van het oude midden wordt echter gekenmerkt door opportunistische leegte. We zien dan dat het politieke systeem vastloopt in een politieke armoedeval. Was het niet Gerhard Schröder die de Britse Derde Weg in Duitsland vertaalde met de term Die Neue Mitte. Nu het midden leeg is, is het aan GroenLinks en D66 om het nieuwe midden vorm te geven. Een zekere verwantschap met Paars, The Third Way of Die Neue Mitte uit de jaren negentig is dan niet zo gek. Wie durft er immers te beweren dat we het afgelopen decennium het maatschappelijk en politiek zo veel beter hebben getroffen dan in de optimistische jaren negentig van de vorige eeuw? Op verkiezingsdag afgelopen voorjaar, zo'n dag waarop je in zenuwachtige spanning wacht op de resultaten, in dit geval op de uitslag voor de Provinciale Staten, heb ik achter mijn computer zitten spelen met de verschillende campagneleuzen. Het postertje dat ik maakte combineerde twee slogans: Kies GroenLinks. Ja! En anders D66. Het zou goed zijn als beide partijen samen gaan optrekken met een gedeelde strategie: het nieuwe midden maken.

Bart Snels neemt met dit artikel afscheid, nadat hij jarenlang voor GroenLinks heeft gewerkt, onder andere als directeur van het Wetenschappelijk Bureau en als politiek strateeg bij de Tweede Kamerfractie GroenLinks. Bart Snels is nu onafhankelijk publicist. 

Gerelateerde artikelen