10 minuten

Het regime moest weg

Passage uit het levensverhaal van Farah Karimi

Het GroenLinks-Kamerlid Farah Karimi (1960) is geboren en getogen in Iran. Ze neemt enthousiast deel aan de revolutie van 1979, die vervolgens ‘gestolen’ wordt door Khomeini. Karimi sluit zich in 1981 aan bij de Mojahedien Khalq, MKO, een gewelddadige verzetsbeweging tegen het islamitische bewind. Ze komt in contact met de MKO via haar (latere) echtgenoot Farrokh. In 1983 wordt het te gevaarlijk en vluchten Karimi en haar echtgenoot naar Duitsland. Farah Karimi schreef over haar leven het boek Het geheim van het vuur, dat in mei uitkwam bij uitgeverij Arena.

In dit artikel een passage uit het boek; over de periode dat Karimi en haar echtgenoot (en hun 2-jarige zoon Homam) in Duitsland zitten en daar weer actief worden voor de MKO.

Vanwege onze vrienden kozen we voor Hamburg als woonplaats. Toen ik bij de woningbouwvereniging in het Engels onze situatie wilde uitleggen onderbrak de ambtenaar me: ‘Wir sind in Deutschland und hier sprechen wir Deutsch.’ Uiteindelijk vonden we een flatje op de derde verdieping in een buurt die je zou kunnen vergelijken met de Bijlmer in Amsterdam.

Zodra we een verblijfsvergunning hadden en een eigen huis werden we weer interessant voor de MKO [de militante volks-Mojahedien, zie kader; red.]. Ze zochten contact en we werden al snel weer ingeschakeld. In eerste instantie was dat vooral voor Farrokh [Karimi’s echtgenoot; red.] heel belangrijk. Hij wilde niets liever dan weer politiek actief worden. Net als veel anderen werd hij de straat opgestuurd, om met mappen gruwelijke foto’s van martelingen in Iran geld te vragen van het winkelende publiek. Hij sprak alleen een paar woorden Engels, maar was sociaal vaardig genoeg om flinke bedragen in te zamelen.

Zelf besloot ik eerst Duits te leren. ‘Wir leben hier in Deutschland’, dat wilde ik niet nog eens te horen krijgen. Voor Homam vonden we een plek op een crèche, en zelf ging ik de intensieve taalcursus volgen die de Otto Benecke Stiftung aanbood voor academische vluchtelingen. Acht maanden lang leerde ik vijf dagen per week, acht uur per dag, Duits. Net als vroeger was ik weer heel leergierig. En de docenten vonden me interessant: een vrouw met hoofddoek – want die bleef ik ook na mijn vertrek uit Iran altijd dragen – die in de politieke discussies met de klas vaak heel liberale standpunten innam. Met een van de docenten raakte ik zo goed bevriend dat hij me later hielp aan een uitnodiging om mijn ouders naar Duitsland te laten komen.

Met mijn diploma op zak, vierentwintig jaar oud, kon ik naar de universiteit. Maar ik koos voor de volks-Mojahedien. Net als Farrokh stond ik op straat te collecteren. Het was de belangrijkste bron van inkomsten voor de MKO. In heel Europa stonden mensen zoals wij op straat. In Duitsland alleen schenen het er al duizend te zijn, die elk zeker honderd mark per dag ophaalden. Het werk van de organisatie in Europa stond geheel in dienst van het verzet in Iran. De militaire cellen net over de grens in Irak en die in het land zelf moesten gefinancierd worden, de interne tijdschriften, de internationale lobbygroep, de wapens, dat werd allemaal bekostigd met het geld vanuit Europa.

De MKO had zijn organisatie in het buitenland met dezelfde discipline en strikt hiërarchische structuur opgebouwd als in Iran en Koerdistan. Ze zorgden ervoor dat het Iraanse regime op internationale fora zoals de VN in New York en de mensenrechtencommissie in Genève werd veroordeeld. Daarnaast bepleitten ze hun zaak via een sterke lobby bij politici in Europa en de Verenigde Staten. Veel politici spraken openlijk hun steun voor het MKO uit. Onder Iraanse studenten en asielzoekers in het buitenland werd systematisch geworven voor de gewapende strijd tegen het regime.

Kort na ons vertrek uit Iran zetten militairen van de islamitische republiek de aanval in op alle gewapende groeperingen die opereerden vanuit de Koerdische provincies: de MKO en de Koerdische peshmerga [strijders; red.] vormden het belangrijkste doelwit. Het regime had nu het gezag over de Koerdische provincies en de MKO vestigde zich definitief in Irak. Van daaruit werden aanslagen uitgevoerd op grensposten en andere militaire doelen. De propagandazender Mujahed spoorde de Iraanse bevolking via de radio aan om in opstand te komen. Kleine autonome cellen binnen Iran pleegden aanslagen op politici, geestelijken en revolutionaire gardisten. Door leiders uit te schakelen en met gewapende acties het regime te destabiliseren wilde de MKO de sfeer van angst en repressie in Iran doorbreken, zodat mensen tot een nieuwe revolutie zouden overgaan. De oude vijanden, Irak en de Verenigde Staten, werden belangrijke bondgenoten in het uitvoeren van deze strategie.

De leiding in Parijs zorgde voor een strakke, gemotiveerde organisatie. Ze begrepen dat ze met vluchtelingen zoals wij een enorm potentieel hadden. We werden sterk ontmoedigd ons te laten meezuigen in het dagelijkse leven in het Westen. We identificeerden ons volledig met de organisatie, met de cultuur van de groep waarbinnen we werkten. In gedachten leefden we nog steeds in Iran – ik was nog altijd blij dat we waren ontsnapt, maar ik voelde me ook schuldig dat ik de strijd ter plaatse had opgegeven. Die groepsdwang vervreemdde je volledig van je omgeving. Ik herinner me hoe we op kerstavond tot aan de sluitingstijd van de winkels op straat stonden te collecteren. Het was koud en de mensen waren al in feeststemming, druk bezig met hun kerstversiering en feestmalen, maar mij zei het allemaal niets. Ik vond de Duitsers toen arrogant, oppervlakkig en ongeïnteresseerd. De foto’s van gemartelde en opgehangen slachtoffers van het regime, die dreven me voort. Aan die winkelende mensen in hun kerststemming hielden we onze mappen vol gruwelijk verminkte lichamen voor. De foto’s zelf waren echt; we vertelden er alleen niet bij dat de opbrengst van onze collecte niet ten goede kwam aan de familie van de slachtoffers, maar aan de gewapende strijd van de MKO.

Juist omdat ik nu Duits sprak werd ik zelf ook belangrijker voor de organisatie. Ik begon binnengekomen leden van de MKO te begeleiden naar de vreemdelingenpolitie en hielp ze bij het zoeken naar een arts, school of huis. Tot dan toe waren vooral Berlijn en Keulen belangrijk, nu ontstond er ook in Hamburg een kritische massa. We organiseerden demonstraties om de massale executies na de 30ste chordad, 20 juni 1981 te herdenken. En ons huis werd opnieuw een verzamelpunt. Al snel woonden er zes of zeven mensen bij ons in. We deelden de huishoudelijke taken en de zorg voor Homam. Vanuit Parijs werden er hogere functionarissen naar ons adres gestuurd om bij ons de lijnen uit te zetten. Met video’s en cassettebandjes met toespraken van de leiders werden we ideologisch geschoold. Ik was nu wat gestegen in de lokale hiërarchie, maar op de beslissingen had ik geen invloed. Ik vormde niet meer dan een schakel in de streng geleide, bijna militaire organisatie.

Het zou kunnen dat Farrokh een team leidde, ook weer volgens de richtlijnen vanuit Parijs, maar dat kreeg ik niet te horen. Hij zat hoger in de rangorde, was tenslotte ook regulier lid van de organisatie en werd uiteindelijk ook naar Parijs ontboden om daar op het hoofdkantoor te komen werken.

Ik werd voortgedreven door de verhalen die ik uit Iran hoorde. De afschuwelijke verhalen uit de gevangenis. Een man had net zo lang geblinddoekt in de cel gezeten tot hij blind was. Om te voelen hoe dat geweest moet zijn, liep ik zelf ook een tijd met een lapje voor mijn oog rond. Dat zulke mensen zich niet hadden laten breken inspireerde mij. De verhalen kwamen ook steeds dichterbij. Mijn zwager, de jongere broer van Farrokh, werd opgepakt vanwege zijn werk in een MKO-cel. Omdat mijn jongere broer Farshad bevriend met hem was, werd die ook gearresteerd en pas na een afranseling met een zweep weer losgelaten. Mijn zwager kreeg eerst een gevangenisstraf van acht jaar. In 1988 is hij in de gevangenis geëxecuteerd.

Dat soort gruwelverhalen maakte ons woedend. Het regime moest weg, dat was alles waar je aan dacht. De solidariteit binnen de groep was zo dwingend dat je het niet in je hoofd haalde je twijfels over het ideologische doel van de strijd uit te spreken. Binnen de hiërarchische structuur van de organisatie was het mijn taak om op straat te collecteren, niet om na te denken over de toekomst na de machtswisseling. Daar waren anderen voor. De stalinistische orde, die wij centraal democratisch leiderschap noemden, vereiste dat je eerst je opdracht uitvoerde en hooguit daarna vragen stelde. Tussen het belang van de mensen aan de top en ons belang bestond geen verschil, heette het, we waren allemaal even belangrijk en ieder voerde zijn specifieke taak uit.

Ik liet me daarin meevoeren omdat het in Iran de hel op aarde was. Hoe zou ik het me kunnen voorstellen een gewoon leven te gaan leiden in Duitsland, met meer aandacht voor Homam en mijn dagelijkse behoeftes, als er daar nog dagelijks mensen werden vermoord? Ik raakte telkens opnieuw onder de indruk van de mensen die gevangen hadden gezeten, gemarteld waren, familieleden hadden verloren en toch doorgingen met de strijd.

Ons werk kwam in een stroomversnelling met de zogeheten ideologische revolutie die ons vanuit Parijs bereikte. Groot nieuws: Marjam, de hoogste vrouw in de organisatie en de echtgenote van tweede man Mehdi Abrishamchi, had besloten van hem te scheiden en te hertrouwen met de grote leider, Massoud Rahjavi. Die had zelf zijn vrouw verloren bij een aanval van het regime op hun huis in Teheran. In Parijs was Rahjavi hertrouwd met de dochter van de uitgeweken voormalige president Bani-Sadr. Maar na de breuk tussen beide heren ging dit politieke huwelijk ook uit elkaar. Zo ontstond de gedachte dat de hoogste vrouw en de hoogste man in de organisatie ook in de echt moesten worden verbonden.

Bovendien werd zo bewezen dat de MKO vrouwen een zichtbare positie bood, ook in de top van de organisatie. De onderdrukking van vrouwen in Iran was zo intens, dat er van zo’n gebaar een wervende werking moest uitgaan op andere vrouwen om zich bij de MKO aan te sluiten. Ook naar de westerse buitenwereld zou het sterk ogen om een vrouw aan de top van de organisatie te plaatsen. Met haar beslissing riep Marjam de ideologische revolutie uit: om de organisatie beter te kunnen dienen maakte ze haar persoonlijke relaties ondergeschikt aan het politieke doel. En wij moesten haar voorbeeld volgen.

Ik was nog kritisch genoeg om bij deze cultuuromslag mijn vraagtekens te zetten. Farrokh had meer partijdiscipline en stelde geen vragen. We kregen een hooggeplaatste functionaris uit Parijs op bezoek en werden gesommeerd alle volks-Mojahedien-sympathisanten uit Hamburg en omgeving bij ons thuis uit te nodigen voor een marathonvergadering van drie dagen.

Alle aanwezigen moesten om de beurt opstaan en verklaren welke persoonlijke bindingen hen in weg zaten om zich volledig aan de strijd te wijden. Het werd aan iedereen overgelaten die relaties op te biechten: je familie, je man of vrouw, je kinderen. Had je ze eenmaal benoemd, dan moest je toegeven hoe onwaardig het was je door zulke persoonlijke belangen te laten leiden. Je beloofde er in de toekomst niet zoveel aandacht meer aan te schenken. Het was een ritueel van persoonlijke vernedering en het ophemelen van Marjam, die haar huwelijk en haar kind had opgeofferd voor de organisatie.

Dat was het begin van de sektevorming. Om de mensen die blootgesteld werden aan de verleidingen van het westerse leven vast te houden werden steeds radicaler methodes gebruikt. Ze mochten niet verzwakken, niet toegeven.

Zelf had ik weer geluk. Een van de kinderen in huis werd doodziek. Ik moest als tolk mee naar het ziekenhuis en miste zodoende het grootste deel van de vergadering, zodat ik ook niets hoefde op te biechten. Het werd me niet aangerekend: ook dit deed ik tenslotte in dienst van de organisatie.

Ons huis was nu definitief het centrum van de MKO in Hamburg. We vingen steeds vaker mensen op die gevlucht waren en op doorreis waren naar Parijs. Farrokh werd naar het hoofdkantoor in Parijs verplaatst, en ik hielp de nieuwkomers, die meestal via Irak in Duitsland waren beland, hun vluchtverhaal voor te bereiden. Onze persoonsdocumenten stelden we ter beschikking, zodat mensen ermee konden reizen. Het Kinderausweis van Homam hoefde zelfs niet eens vervalst te worden om er kinderen mee op de trein te zetten. Bij de grensovergang werden mensen op de nachttrein vaak niet wakker gemaakt. Bij de paspoortcontrole werd alleen gekeken of er een kind in het gezelschap lag, en als dat het geval was werd het niet wakker gemaakt.

Ik werd ook een paar keer opgeroepen voor vergaderingen in Parijs. Daar vormde de MKO echt een staat in een staat. In kapitale woonhuizen, dichtbij elkaar gelegen in rustige buurten, woonden en werkten honderden mensen, onopgemerkt door de buitenwereld. Er werd ze opgedragen de regels van het Franse leven volledig te respecteren. Ze maaiden de gazons voor het huis zorgvuldig, deden de luiken voor de ramen dicht op het moment van de dag dat de Fransen dat ook deden, tijdens de vakantieperiode hielden ze zich stil, om de indruk te wekken dat ze net als iedereen de stad verlaten hadden.

Ik denk dat ik toen getest ben op mijn kwaliteiten. Na mijn terugkeer naar Hamburg kreeg ik al snel het bericht dat ik met Homam naar Parijs moest verhuizen, om daar volledig opgenomen te worden in de gemeenschap. Ik liet het huis achter voor de plaatselijke afdeling. Officieel bleef de woning op onze naam staan, maar wij waren geroepen voor het hogere werk.

Gerelateerde artikelen