10 minuten

Het verval is niet onafwendbaar

Interview met filosoof Ad Verbrugge

"Het consumentisme en kapitalisme ondermijnen de beschaving." Ad Verbrugge, het jonge en aansprekende gezicht van het conservatisme in Nederland, zoekt het antwoord in de opvoeding. "Een jonge ziel snakt naar gewicht."

Hij werd in de media weggezet als fatalist, als oerconservatief, als aanspreekpunt van iedereen in Nederland die zich ernstige zorgen maakt over het verval van normen en waarden. Maar ergens in Ad Verbrugge, universitair hoofddocent filosofie aan de Vrije Universiteit in Amsterdam, houdt zich ook een optimist op. Gemakkelijk is het niet om die tegen te komen. Want de cultuurpessimist in hem, die lijkt inderdaad dominant, en verleidelijk.

“Waar ik nog het meeste bang voor ben is niet wat er nu gebeurt. Nu is de samenleving nog wel leefbaar”, zegt hij, zijn ogen dichtgeknepen, in zijn sobere werkkamer op de dertiende etage van een grauw universiteitsgebouw. “Maar wat doen we bij een grote crisis? Stel dat de consumptiekraan dichtgaat, en dat narcoticum dus wegvalt? Wat gebeurt er dan? Daar ben ik bang voor... voor het latente. Als wij op deze weg voortgaan, dan zal de toekomst onaangenaamheden voor ons in petto hebben.”

Met deze weg bedoelt Verbrugge (38) de weg van het consumentisme en het liberale kapitalisme, die de beschaving volgens hem ondermijnen; de weg ook van de individualisering, die gemeenschapsbanden erodeert en van de samenleving een groep van elkaar vervreemde, zelfzuchtige personen maakt. Zoals hij het samenvat in zijn boek Tijd van onbehagen, dat in 2004 werd gepubliceerd en inmiddels aan zijn vijfde druk toe is: “De gestage toename van vervreemding, vereenzaming en geweld waarmee we in onze westerse samenleving te kampen hebben, is inherent aan een wereld en levenswijze waarin rijkdom, genot, macht en loos amusement, oftewel uitwendige welvaart, voor het individu voorop staan.”

Pot stroop

“Natuurlijk is die cultuurkritiek heel oud”, zegt Verbrugge. In Tijd van onbehagen komen ook vele andere cultuurpessimisten – eigentijds en uit het verleden – voorbij. “Maar wat ik doe is die kritiek in verband brengen met onze huidige tijd. Het gemeenschapsgevoel werd in Nederland lange tijd gevoed door de verzuiling en door de natiestaat. Die hielden de samenleving bij elkaar. Maar in de naoorlogse samenleving zijn die antwoorden weggevallen.”
De jaren zestig waren in dat opzicht cruciaal. “‘De burger’ werd toen een problematische categorie. ‘De burger’, dat was opeens een geconditioneerd mannetje die zijn seksuele lusten onderdrukt, en daardoor gewelddadigheid met zich meedraagt.” De burger moest en zou bevrijd worden. Maar volgens Verbrugge mondde die bevrijding uit in een “verabsolutering van de individuele vrijheid”. De liberale, kapitalistische economie kreeg zo vrij spel. “Het ongebreidelde consumentisme moest een gebrek aan zingeving gaan camoufleren. Er zijn mensen die in paniek raken zonder mobiele telefoon. Dat is heel, heel erg.”

De media, de reclame en de populaire cultuur spelen in die onthechte samenleving – het was te verwachten – een verderfelijke rol. “Toen ik opgroeide ging ik mij kleden als de zangers van Madness. Je zoekt altijd naar mensen die je bezielen. Maar als die mensen rappers zijn die in videoclips in tieten knijpen en tegen de billen van vrouwen aanrijen, dan moet je niet zeggen ‘wat raar’ als kinderen hen na gaan doen. Ik vind het onzin dat we onderzoek moeten doen naar het verband tussen MTV en reclame op de manier hoe we met elkaar omgaan. Dat verband is overduidelijk.”

Wat de cultuurpessimist Verbrugge zo verleidelijk maakt, is niet alleen dat hij in mooie volzinnen spreekt, die rechtstreeks inspelen op gevoelens van onbehagen waar zelfs de meest naïeve optimist in deze tijden niet omheen kan. Hij weet ook verbanden te leggen tussen filosofen als Hegel en Heidegger en wat er gebeurt op de schoolpleinen van de grote steden en in de huiskamers van de Vinex-wijken. Vandaar ook dat de media op hem af zijn gekomen als vliegen op een pot stroop. Tijdens het interview gaat de telefoon met enige regelmaat (‘uw bijdrage aan het boek moet nu echt naar de drukker’, ‘de Belgische tv wil – z.s.m. natuurlijk – langskomen voor een interview, kan dat?’, ‘komt die nieuwe bundel al een beetje op gang?’).

Oerkracht

Zeker bij doorvragen past Verbrugge er niettemin voor op om simplistisch over te komen. “Consumptie als zodanig is niet negatief”, benadrukt hij. “Hegel zei al dat het systeem van Bedürfnis (behoefte) ervoor zorgt we niet meer aan de natuur vastzitten.” Want consumptie bestaat bij de gratie van productie, van mensen die hun handen uit de mouwen steken en dingen maken die in behoeftes voorzien. “Arbeid is een deel geworden van zelfverwezenlijking. En het feit dat er een arbeidsdeling is ontstaan, maakt ons afhankelijk van elkaar.” Hoe beperkt ook, die wederzijdse afhankelijkheid is een deel van het antwoord op de vraag wat een samenleving bij elkaar houdt.

Dat consumptie ook bevrijdend kan werken – bijvoorbeeld voor moslimvrouwen die zich via consumptie toegang kunnen verschaffen tot een andere, minder beknellende werkelijkheid – ontkent hij ook niet. “Maar als die consumptie geen morele of religieuze binding meer heeft, werkt zij ook niet meer bevrijdend. Dan wordt zij solipsistische gevoelsbeleving die primair draait om impulsen. Dat wil zeggen: de wereld is er dan alleen nog maar om door dat ene individu geconsumeerd te worden.”

En ook over individualisering denkt Verbrugge genuanceerder dan een snelle lezing van Tijd van onbehagen doet vermoeden. “Individualisering is niet louter negatief. Maar waar ik bang voor ben, is dat de solipsistische gevoelsbeleving het individu juist vernietigt. Zoals bij een junk gebeurt, of bij een groepsverkrachting. De jongens die daaraan meedoen, weten niet meer wie ze zijn. Ze vallen ten prooi aan een collectieve oerkracht.” Een individu, dat ben je volgens Verbrugge niet zomaar. “Om individu te worden, moet je een zielstransformatie doorgaan. Dat doet pijn. Doorga je die niet, dan is er sprake van schijn-individualiteit.” Bovendien moet je je individualiteit, net als drugs of alcohol, kunnen permitteren. “Elites kunnen dat. Adellijke kringen en mensen met een academische opleiding weten om te gaan met drank – al heb ik ook daar brokken gezien.”

Elitair

Om diezelfde reden heeft hij weinig op met het gedachtegoed van libertair links dat Femke Halsema propageert. “Te elitair”, vindt hij. “Dat werkt niet voor volkswijken en achterstandsbuurten. Echtscheidingen mogen in een hoog milieu aardig worden opgelost, in zwakkere milieus gebeurt dat niet. Kinderen worden daar verwaarloosd, ze zien klappen over een weer vallen. Daar komen die kinderen nooit meer uit. Ze blijven in het gepeupel. Waar het dus fout gaat in de samenleving is in de opvoeding, en dan vooral in de sociaal zwakkere klassen.”

De lichte gemeenschappen waar GroenLinks-ideologen mee flirten, zijn volgens hem volstrekt ontoereikend als antwoord op de vraag naar nieuwe vormen van samenhang. Om te beginnen vindt Verbrugge de term ‘lichte gemeenschap’ misleidend. “Gemeenschappen die er toe doen, zoals het gezin, zijn juist niet licht.” En lichte gemeenschappen horen volgens Verbrugge bij de grachtengordel. “De term gaat al uit van een soort speelsheid, een vorm van keuzegedrag, een vorm van vrijheid die je aan moet kunnen.” Daar heb je een basis voor nodig: een goede opvoeding, een stabiele omgeving, en een rechtsorde die allen een sterke natiestaat kan vestigen. “Die zijn er allemaal niet vanzelfsprekend. Als de basis er niet is, dan kunnen lichte gemeenschappen gangs worden die groepsverkrachtingen plegen.”

Evenzo ziet hij weinig in de virtuele gemeenschappen waarmee internetgoeroes koketteren. “Het doel van het internet, connecting the world, hoef je natuurlijk niet af te wijzen. Maar kijk naar de webfora, kijk hoe de mensen daar met elkaar praten. De communicatie wordt steeds slechter. Mensen trekken zich terug met gelijkgestemden. Gesprekspartners die vervelend zijn worden gedelete.”

Opstand der horden

En zo gaat Verbrugge, die net vier uur college achter de rug heeft, en na het interview nog enkele uren voor de boeg heeft, schijnbaar onvermoeibaar door. Een van de maatschappelijke velden waar de intrede van het consumentisme hem het meest aan het hart gaat, is in het onderwijs. “De consumentistische benadering daar vind ik erg ongelukkig. Het is verschrikkelijk dat kinderen tot eigenaar van hun eigen onderwijs worden bestempeld. Je hebt als leerling structuur nodig. Zonder die structuren kon ik het zelf ook niet aan. Godzijdank was ik geen eigenaar van mijn eigen leerproces. Iedere dag moest ik huiswerk maken. Ik hoop dat politici inzien dat ze hun eigen mogelijkheden te danken hebben aan het feit dat ze als 18-jarige juist geen keuzes mochten maken. Zingeving moet je worden bijgebracht. Je hebt mensen nodig die je stimuleren, die ervoor zorgen dat kinderen niet op hun vierde achter de computer belanden.”

Volgens Verbrugge geven de statistieken hem gelijk. ‘7 procent van de jongeren van 16 en 17 jaar zijn functioneel analfabeet. Er zijn jaarlijks 60 duizend vroegtijdige uitvallers. Momenteel komen 10 procent minder jongens dan meisjes terecht op het havo/vwo.’ Die jongens kunnen best fanatiek zijn, mateloos fanatiek zelfs. Heel mooi is dat.’ Maar dat fanatisme zal wel in banen geleid moeten worden. “Anders gaan ze alleen maar gamen of sporten.”

Van het huidige management in het onderwijs zullen die broodnodige structuren niet komen. Die spelen constant de kaart van het geld, van kennis die nuttig moet zijn. “De categorie van de individuele leerling is de categorie waarmee het management vakinhoudelijke aanspraken onderuit haalt. ‘Ja joh, het gaat erom dat ze er wat aan hebben’, zeggen ze dan.” Verbrugge stelt daartegenover: “Wanneer je ergens moeite voor moet doen, dan wordt het pas de moeite waard.”

Hem voorleggen dat cultuurpessimisme zo oud is als de moderne samenleving, is geen goede manier om zijn klaagzang te stoppen. Verbrugge kopt de bal dan gewoon in. “Nadat Ortega y Gasset Opstand der horden (1930) schreef, is die opstand toch ook gekomen? Want dat was het fascisme. Laten we toch hopen dat dat niet weer gebeurt.”

K3

En toch. Verbrugge de optimist, die bestaat ook. Je komt hem bijvoorbeeld tegen als je de filosoof vraagt of hij zijn vinger niet wat al te gemakkelijk opheft. "Ik leef zelf ook in de wereld die ik beschrijf, en sta er mee in een verhouding waaraan ik maar weinig kan doen. Ik zit ook niet iedere week in de kerk. Ik rijd auto. Ik heb heel lang niet gevlogen, maar twee jaar geleden kwam het er toch van", zegt Verbrugge. "Naar Griekenland, omdat ik de opgravingen daar nu wel eens met eigen ogen wilde bekijken voor een nieuw boek dat ik aan het schrijven ben." Bovendien wordt Verbrugge, net als alle ouders, met de consumptiemaatschappij geconfronteerd via de kinderen die hij opvoedt. "Mijn oudste dochtertje kwam laatst thuis met een cd van K3. Die had ze van een vriendinnetje gekregen."

Maar dan blijkt opeens dat verzet tegen het consumentisme wel degelijk mogelijk is – ook door kinderen: "Wij proberen haar ook andere muziek te laten horen, van Herman van Veen of van Kinderen voor kinderen. Ik maak bovendien zelf muziek. Je probeert dus alternatieven aan te dragen, en dat werkt. Kinderen vinden dat leuk. Ze hoeven de tekenfilms niet met al die cynische humor en een grote bek. Die films zijn niet gerelateerd aan het kinderleven. Mijn ervaring is dat kinderen de tekenfilms uiteindelijk leuker vinden als er meer vormen en symbolen in aanwezig zijn."

Zo ook met zijn studenten: "Een jonge ziel snakt naar gewicht. Vandaar dat ik zie dat studenten zich aansluiten in de strijd tegen het consumentisme. Zij vinden zelf nu ook dat ze te weinig hebben gehad. Als ze bij mijn college komen, beseffen ze pas hoe weinig ze hebben geleerd", zegt Verbrugge, die bekend staat als een veeleisend docent maar niettemin geliefd is onder studenten – in 2002 werd hij in Leiden verkozen tot de beste docent van het jaar. "Ik volg Aldous Huxley: zorg ervoor dat studenten zich langer kunnen concentreren, dat ze aandacht voor iets krijgen." 

Verandering

Vandaar dat hij samen met collega’s de Vereniging Beter Onderwijs Nederland oprichtte (www.beteronderwijsnederland.nl), die als platform moet dienen voor mensen die net als hij terug willen naar “gedegen vakinhoudelijke en algemene vorming”.

Er lijkt dus een discrepantie te bestaan tussen Verbrugge de cultuurpessimist, die het cultuurverlies en maatschappelijk verval als onafwendbaar ziet, en Verbrugge de ideeënmakelaar, die ervoor wil zorgen dat zijn gedachtegoed aanzet tot maatschappelijke verandering, tot wat hij zelf een hernieuwde culturele bezieling noemt. “Ik hoop er mijn bijdrage aan te leveren.” Vandaar dat het hem goed doet om te zien dat zijn gedachtegoed breed aanslaat in Den Haag. “Bij Geert Wilders op de website vind ik mijn ideeën terug; Jan Marijnissen vertelde me laatst dat hij een fan van me is; mensen noemen me een CDA-ideoloog” – waarin hij zichzelf overigens niet kan vinden.

Voorzichtige tekens van een maatschappelijke kentering wil hij best aanduiden. “Er wordt meer naar de bron van het verval gekeken. Met MTV gaan politici inmiddels rond de tafel zitten. Ik denk wel dat mijn boek daaraan heeft bijgedragen. Het spreekt niet langer vanzelf dat een kampbeul joden omverschiet in internetspelletjes. Toen bij ons in Leiden de elektriciteit uitviel in de buurt, was er opeens samenhang. En als mijn vrouw nu op het consultatiebureau komt met ons jongste kind, krijgt ze te horen dat je ook wel eens ‘nee’ moet zeggen. Dat werd een tijd geleden niet gezegd.”
Maar op de vraag of de tijd van onbehagen tijdelijk zal blijken te zijn, wil hij ook na aandringen niet antwoorden. “Ik weet het niet. Er is wel iets heel groots veranderd.”

Literatuur:

- Ad Verbrugge: Tijd van onbehagen, filosofische essays over een cultuur op drift; SUN, 2004, € 19,90.

Gerelateerde artikelen