6 minuten

Historisch fragment 3: 1849 - Henry Thoreau

De plicht tot burgerlijke ongehoorzaamheid

Moet de burger, al is het voor even en in de geringste mate, zijn geweten overlaten aan de wetgever? Waarom heeft iedereen dan een geweten? Ik vind dat we in de eerste plaats mensen moeten zijn, en pas daarna onderdanen. Het is niet wenselijk evenveel respect voor de wet te koesteren als voor datgene wat goed is.

Moet de burger, al is het voor even en in de geringste mate, zijn geweten overlaten aan de wetgever? Waarom heeft iedereen dan een geweten? Ik vind dat we in de eerste plaats mensen moeten zijn, en pas daarna onderdanen. Het is niet wenselijk evenveel respect voor de wet te koesteren als voor datgene wat goed is. De enige verplichting die ik terecht op mij mag nemen is altijd te doen wat ik juist vind. Het is vaak genoeg gezegd, en terecht. Dat een groep geen geweten heeft; maar een groep die bestaat uit gewetensvolle mensen is een groep met  een geweten. De wet heeft mensen nooit een greintje rechtvaardiger gemaakt; en zelfs tot het goede geneigde mensen worden door hun eerbied voor de wet dagelijks tot werktuigen van het onrecht gemaakt. […]

Alle mensen erkennen het recht op revolutie; dat wil zeggen, het recht om een regering hun trouw te weigeren en te weerstaan wanneer haar tirannie of ondoelmatigheid groot en ondraaglijk is. […] Paley ( William Paley, 1743-1805, Engels theoloog en filosoof, Principals of Moral and Political Philosophy, 1785, red.) bij velen een bekende autoriteit op het gebied van morele vraagstukken, toetst in zijn hoofdstuk over de ‘Plicht tot onderwerping aan de burgerlijke overheid’ alle burgerplicht aan doelmatigheid; en hij stelt zelfs dat ‘ zolang het belang van de hele maatschappij het vereist, dat wil zeggen zolang men zich tegen de zittende regering niet kan verzetten of deze veranderen zonder dat de burgerij er schade onder lijdt, het Gods wil is dat de zittende regering wordt gehoorzaamd, en niet langer. Wanneer dit principe wordt aanvaard, wordt de rechtvaardigheid van elk afzonderlijk geval van verzet gereduceerd tot een berekening van de hoeveelheid gevaar en schade aan de ene kant, en van de waarschijnlijkheid en de kosten om die te herstellen aan de andere kant.’ Hierover, zegt hij, moet iedereen zijn eigen oordeel vellen. Maar Paley lijkt nooit gevallen te hebben bezien waarin de regel van de doelmatigheid niet van toepassing is en waarin een volk evenals een individu koste wat kost recht moet doen. Als ik mij onrechtmatig een plank heb toegeëigend van iemand die verdrinkt, moet ik hem die teruggeven al verdrink ik zelf. Dit zou volgens Paley ondoelmatig zijn. Maar hij die in zo’n geval zijn leven zou willen redden, zal zijn leven verliezen. […]

Er bestaan onrechtvaardige wetten; moeten we ons ermee tevreden stellen ze te eerbiedigen, of moeten we trachten ze te amenderen en ze eerbiedigen totdat we daarin geslaagd zijn, of moeten we ze meteen overtreden? Over het algemeen denken de mensen dat ze onder zo’n regering als deze moeten wachten totdat ze de meerderheid hebben overgehaald om ze te wijzigen. Ze denken dat de remedie erger zou zijn dan de kwaal als ze in verzet zouden komen. Maat het is de schuld van de regering zelf dat de remedie erger is dan de kwaal. Zij maakt het erger. Waarom vertoont ze niet méér de neiging om op hervormingen vooruit te lopen en ze te bewerkstelligen? Waarom schreeuwt ze en verweert ze zich voordat ze geslagen wordt? Waarom moedigt ze haar burgers niet aan om haar waakzaam op haar fouten te wijzen, en beter te handelen dan zij hun oplegt? Waarom kruisigt ze altijd Christus en excommuniceert ze Copernicus en Luther en noemt ze Washington en Franklin rebellen? […]

Als het onrecht deel uitmaakt van de noodzakelijke wrijving van de regeringsmachine, moet dat maar zo zijn; misschien gaat hij wel weer soepel lopen – maar de machine zal zeker verslijten. Als het onrecht een veer, of een katrol, of een kabel, of een slinger heeft die alleen voor dat onrecht zelf dienst doet, dan kun je misschien overwegen of de remedie niet erger zal zijn dat de kwaal; maar als het van dien aard is dat het van jou vraagt om mee te werken aan het onrecht jegens een ander, overtreed dan de wet, zeg ik. Zorg dat je leven een wrijving veroorzaakt die de machine stopzet. Ik moet er in elk geval voor zorgen dat ik mijzelf niet leen voor het kwaad dat ik veroordeel. […]

Het gezag van de regering, zelfs dat waaraan ik me wil onderwerpen (want ik wil met alle plezier diegenen gehoorzamen die meer weten en tot beter handelen in staat zijn dan ik, en in veel gevallen zelfs degenen die het niet zo goed weten en het ook niet zo goed kunnen doen0, is en blijft een onzuiver gezag: om werkelijk rechtvaardig te zijn, moet ze de toestemming en de instemming hebben van degenen over wie ze regeert. Ze kan niet meer zuivere rechten uitoefenen op mijn persoon en bezit dan ik haar toesta. De evolutie van een absolute naar een beperkte monarchie, van een beperkte monarchie naar een democratie, is een evolutie in de richting van waar respect voor de individu. Zelfs de Chinese filosoof (waarschijnlijk Confucius, red.) was wijs genoeg om de individu te beschouwen als basis van het rijk. Is de democratie zoals wij die kennen de laatst mogelijke verbetering op het gebied van regeren? Is het niet mogelijk een stap verder te zetten naar de erkenning en de organisatie van de mensenrechten? Er zal nooit een werkelijk vrije en verlichte Staat zijn zolang de Staat niet de individu erkent als een hogere, onafhankelijke macht, waaraan hij al zijn macht en gezag ontleent, en hem als zodanig behandelt. Ik stel mij graag op zijn minst een Staat voor die het zich kan veroorloven rechtvaardig te zijn voor allen en de individu met respect te behandelen als een buurman; en die het zelfs niet strijdig met zijn eigen rust zou vinden als er een paar zouden zijn die inde marge leven en zich er niet mee bemoeien en er ook niet door omarmd worden, als ze maar als hun plichten als buren en mede mensen nakomen. Een Staat die dit soort vruchten zou dragen en zou aanvaarden dat ze afvallen zodra ze rijp zijn, zou de weg bereiden voor een nog volmaakter en schitterender Staat, die ik me ook heb voorgesteld, nog nergens heb gezien.

Henry Thoreau (1817 -1862) inspireerde met zijn opstel over burgerlijke ongehoorzaamheid vele verzetsbewegingen: de beweging tegen de slavernij, waar hij zelf deel van uitmaakte, het verzet van Mahatma Gandhi en de burgerrechtenbeweging van Martin Luther King, het verzet tegen het nationaal-socialisme en tegen de apartheid in Zuid-Afrika. In de jaren zeventig werd de tekst een belangrijke bron voor de vredesbeweging.

Fragmenten uit Henry D. Thoreau, Burgerlijke ongehoorzaamheid, Amsterdam 2005. Oorspr. titel: On the Duty of Civil Disobedience, 1849.

Gerelateerde artikelen